Nieuws

Rabo Clubsupport

Wij danken iedereen die gestemd heeft op Fortissimo hartelijk hiervoor.

Fortissimo krijgt van de Rabobank €329,55 overgemaakt!

Fortissimo doet mee aan RABO Club Support!

Fortissimo doet mee aan RABO Club Support.

Leden van de Rabobank kunnen vanaf 5 oktober hun stem uitbrengen op de clubs die zij een warm hart toedragen.

Uw stem is voor ons goud waard!

Als u nog geen lid bent, wordt dan nu lid van de Rabobank en laat uw stem niet verloren gaan. Een lidmaatschap kost niets!

Eerst repetitie in Coronatijd

Het was lang onduidelijk welke risico’s er aan het zingen in een koor verbonden zijn. Koornetwerk Nederland heeft veel werk verzet om dit duidelijk te krijgen en e.e.a. om te zetten in een protocol dat ieder koor kan downloaden. Dat was een steun in de rug om duidelijke richtlijnen op te stellen voor de eerste repetitie in Coronatijd. Uiteraard waren we hierbij ook afhankelijk van de medewerking van de directie van de Driemaster, de basisschool waar wij repeteren. Gelukkig kwam de directie met duidelijke richtlijnen voor het gebruik van de aula. En op 3 september was het zover.

Met wat passen en meten kon Fortissimo precies in de aula. Het was wel even wennen om zo’n eind van elkaar te staan.
Enkele, niet eenvoudige stukken, hebben we gerepeteerd. Het resultaat viel niet tegen! Dat vonden wij en ook onze dirigent Kristin Roland.

De gebruikelijke “nazit” na de repetitie zou de 1,5m maatregel geweld aan doen. Voorlopig gaat die dus niet door. Na afloop van de repetitie werd alles gedesinfecteerd en met vereende krachten weer op zijn plek gezet.

 

Fortissimo opende met Welkomstdag

Na de zomervakantie was het hoog tijd om elkaar weer eens te zien. Voorzitter Ben de Groot en bestuurslid, bibliothecaris, Mart Hopmans organiseerden een Welkomstdag.

In drie groepen fietsten de koorleden op 29 augustus via verschillende routes naar Hoeve Hildernisse. Onderweg stopte iedere groep op het terras van één van de etablissementen rond Bergen op Zoom.
Uiteraard werden daar de stembanden alvast gesmeerd en een lied gerepeteerd t.b.v. de uitvoering op Hildernisse.
Het viel niet mee om de Coronaregels stug vol te houden, maar het is gelukt.

Tiny Arts en Monique Hummels van Hildernisse hadden alles in gereedheid gebracht voor een overheerlijke barbecue. Meer dan genoeg ruimte om 1,5m afstand te houden. Tiny verzorgde het kokswerk; we hoefden niet rond de barbecue te staan. Sterker nog, alles was afgezet rondom de “keuken”.

Nadat het bestuur een welkomstlied had gezongen, brachten de groepjes hun ingestudeerde gezangen ten gehore. En later in de middag kwam ons bekende blauwe boekje tevoorschijn en zongen we nog wat liederen die tot het standaardrepertoire horen. Sommigen hebben het boekje nodig voor de tekst, anderen zingen uit het hoofd.

Fortissimo in Coronatijd

Wij vinden het leuk dat u ons KOORonaNIEUWS wil lezen. Als u door deze pagina scrollt ziet u links naar de PDF-uitvoering van de nieuwsbrief.
U ziet dan de uitvoering zoals die door de leden voor de leden is samengesteld. Het overzetten van de Wordversie naar de website kostte teveel tijd en verloor ook de originele lay-out.
Onder de links staan nog de website-versie tot en met nummer 34.

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2

KOORonaNIEUWS 38

KOORonaNIEUWS 37

KOORonaNIEUWS 36

KOORonaNIEUWS 35

KOORonaNIEUWS 34

KOORonaNIEUWS 33

KOORonaNIEUWS 32

KOORonaNIEUWS 31

KOORonaNIEUWS 30

KOORonaNIEUWS 29

KOORonaNIEUWS 28

KOORonaNIEUWS 27

KOORonaNIEUWS 26

KOORonaNIEUWS 25

 

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 34

Van Clemens

 De ‘Passionen’ van Bach

In 2008 hielden Helma en ik vakantie in de deelstaat Thüringen in (het voormalige Oost-)Duitsland. We hadden het plan om alle plaatsen te bezoeken waar Johann Sebastian Bach (1685-1750) had gewoond en gewerkt. In Köthen en Lünenburg zijn we (helaas) niet geweest, in andere plaatsen wel. Ik wil hier niet een uitgebreid reisverslag en biografie geven. Wel wil ik wat meer over Bach in Leipzig vertellen, in het bijzonder over de tijd waarin hij de ‘Passionen’ componeerde en uitvoerde.

Eerst iets over Leipzig in de 18e eeuw. De stad had zich in de loop van de eeuwen ontwikkeld tot een belangrijk knooppunt van handelsroutes. Duizenden kooplieden bezochten de stad jaarlijks en economisch stak Leipzig, ondanks het kleine aantal inwoners van 30.000, steden als Hamburg en Frankfurt naar de kroon. Daarnaast werd Leipzig een centrum van cultuur en onderwijs. Er waren rijke kooplieden met grote verzamelingen van (nu museale) schilderwerken en Leipzig had een universiteit met een vooraanstaand corps hoogleraren (vooral theologen) en een bruisend studentenleven.

De benoeming van Bach in 1723 was ook vooral bedoeld om de stad Leipzig een stevige culturele en vooral muzikale ‘boost’ te geven. Bach was benoemd tot ‘cantor et director musices’ anders gezegd: hij werd cantor (muzikaal leider) van de Thomasschule, een soort gymnasium dat nauw verbonden was met de Thomaskirche (Thomas Kerk, zie de foto) en de universiteit van Leipzig. De ‘cantor’ was verantwoordelijk voor de muziek in de Thomaskirche en Bach selecteerde daarvoor geschikte leerlingen. Als ‘director musices’ was hij een soort opperbaas van de muziekuitvoeringen in andere kerken (onder meer de Nicolaïkirche) in Leipzig.

                              Thomaskirche


Maar er werd door het bestuur van de gemeente Leipzig ook van Bach verwacht dat hij het gehele muziekleven van Leipzig meer leven zou inblazen. In dat kader ‘verdiende hij bij’ met leiding geven aan reeds bestaande muziekgezelschappen (‘collegia musica’) die op gezette tijden in koffiehuizen optraden, componeerde hij en regelde de muziek bij huwelijken en begrafenissen en ook – dit is weinig bekend – bij publieke executies (ophangingen). In de loop van de jaren wist hij zijn positie te versterken, onder meer door allerlei koninklijke en prinselijke erkenningen en werd voor zijn werkgevers van het stadsbestuur en de Thomasschule een toenemend lastig en ongenaakbaar persoon.

Bach heeft voor vijf ‘jaargangen’ cantates gecomponeerd. Er zijn slechts drie jaargangen bewaard gebleven. Ik vind dit alles eigenlijk een haast bovenmenselijke prestatie: elke week een cantate componeren, handschriften kopiëren (daar gebruikte Bach zijn familie en leerlingen voor) , de cantate instuderen en uitvoeren. En dan nog regelen dat er voldoende en vooral goed opgeleide musici en zangers aanwezig waren!

Je zou kunnen zeggen dat de door Bach gecomponeerde ‘Passionen’ eigenlijk heel grote cantates zijn – als sluitstuk van een reeks eerder uitgevoerde cantates –  met hier en daar compleet nieuwe composities. Voor zover bekend heeft Bach drie ‘Passionen’ gecomponeerd: de Johannes-Passion (waarvan vermoedelijk in 1724 de eerste in de Nicolaïkirche, de tweede versie in 1725 in de Thomaskirche en in 1728 de derde versie vermoedelijk in de Nicolaïkirche is uitgevoerd), de Matthäus-Passion (eerste verse uitgevoerd in 1727 in de Thomaskirche, in dezelfde kerk is een tweede versie uitgevoerd in 1736 en – vermoedelijk – in 1742). Bach heeft ook een Markus-Passion gecomponeerd, Die is uitgevoerd in  1731 in de Thomaskirche maar verloren gegaan.

                              Nicolaïkirche orgel

De passie-uitvoeringen op Goede Vrijdag waren in Thüringen (en ook elders) een traditie. Meestal waren de gezangen sober, homofoon, alleen met orgelbegeleiding. In de 18e eeuw kregen de passie-uitvoeringen een meer dramatisch karakter, met uitgebreide koorzang, aria’s, begeleiding met meerdere instrumenten. Ondanks dat de stad Leipzig aan (inter-)nationaal aanzien had gewonnen, waren de inwoners toch wat stijf en kleinburgerlijk. De eerste uitvoering van de Johannes-Passion in Leipzig is daarom door de kerkgangers met zeer gemengde gevoelens ontvangen. Men vond het teveel op een opera lijken, al ontbraken de toneelattributen. Toch hebben de autoriteiten deze uitvoeringsvorm toegestaan omdat was gebleken dat bij andere meer muzikaal omlijste en dramatische passie-uitvoeringen op Goede Vrijdag de kerken met een ‘klassieke’, sobere Goede Vrijdag-dienst toenemend minder bezocht werden.
Niettemin moet de passie-uitvoeringen vanaf 1724 in Leipzig de mensen vreemd in de oren hebben geklonken: volstrekt nieuwe muziek met soms een herkenbare koraalmelodie erdoorheen.

De ‘Passionen’ van Bach waren en zijn muzikale monumenten die, ook als zijn ze gecomponeerd in een Lutheraanse omgeving, niets aan dramatische zeggingskracht – ook voor niet-gelovigen – over de wisselvalligheden van het menselijk bestaan hebben ingeboet.

Na de dood van Johann Sebastian Bach in 1750 is veel van zijn werk verloren gegaan. Het muzikale leven in Leipzig kachelde achteruit. Zo verdwenen ook de door Bach gecomponeerde passies.

Ik betreur het nog steeds dat van zijn werk voor allerlei muziekgezelschappen in Leipzig niets over is. Ook van zijn kamermuziek (bijvoorbeeld trio-sonates) heeft niets de eeuwen overleefd. De naam J.S. Bach bleef bekend bij een beperkte groep kenners en liefhebbers. Zijn muziek werd na zijn dood door velen als ‘te wiskundig’,en ‘te moeilijk om uit te voeren’ beschouwd. Deze meningen hoor je nog steeds! Twee van zijn zoons componeerden in heel andere stijl. Eigenlijk raakte zijn muziek voor een groot publiek vergeten.

Dat J.S. Bach aan vergetelheid is ontsnapt en een groot aantal van zijn werk en zijn gered is te danken aan Felix Mendelssohn (1809-1847).

                                                   Felix Mendelssohn

Eigenlijk was het een toevallige samenloop van omstandigheden dat hieraan ten grondslag lag. Het was een oudtante van Felix die in Berlijn een muzieksalon had en de muziek van J.S. Bach propageerde. Zij speelde klavecimbel en had lessen ontvangen van Bach’s zoon Wilhelm Friedemann. Ook verhandelde zij manuscripten van Carl Philipp Emmanuel Bach, een andere zoon van de oude Bach. Deze oudtante was ook een koorlid in Berlijn. De dirigent van dat koor was ene Carl Friedrich Zelter (1758-1832) die het – bijna vergeten – Duitse muziekrepertoire – mét de werken van J.S. Bach –  bestudeerde en propageerde. De jonge Felix Mendelssohn had in zijn jeugdjaren deze Zelter als muzikale tutor en deze moet hem ongetwijfeld met muziek van J.S. Bach hebben beïnvloed.

Een andere toevalligheid was dat de vader van Felix Mendelssohn een aantal manuscripten van werken van Bach bezat, eerder gekocht bij en veiling. Een aantal ervan schonk hij aan de ‘Berlin Singakademie’ ( het koor van zijn schoonzuster) om die goed te bewaren. In 1823 gaf  Felix’ grootmoeder van moeders zijde, Bella Salomon,  een geschenk aan Felix: een kopie van de complete Matthäuspassion. Na veel inspanningen wist Felix Mendelssohn deze ‘Passion’ uitgevoerd te krijgen.

Sinds die tijd is J. S. Bach eigenlijk in ere hersteld en is zijn waarde als componist erkend. Inmiddels wordt nog steeds allerlei musicologisch onderzoek gedaan naar zijn werk. En er wordt steeds wat ontdekt. Hopelijk vindt men ergens in een oude bibliotheek of onder een oude koorbank een partituur van de Markus-Passion.

De laatste ontdekking werd in het dagblad Trouw van 30 maart 2021 vermeld: de eerste uitvoering van de Matthäus-Passion, de verloren gegane zogenaamde ‘Urfassung’ uit 1727, zou zeer waarschijnlijk niet met twee koren maar met één koor zijn uitgevoerd. Wij kennen nu de zogenaamde ‘Frühfassung’ , een uitvoering in de Thomaskirche uit 1736. Waarschijnlijk gebruikte Bach twee koren (voor een ruimtelijk effect) in de veel grotere Nicolaïkirche pas in 1737.

Het is mij nooit duidelijk geweest waarom wij, als Fortissimo, niets van J.S. Bach op het repertoire hebben staan. Maar wat niet is kan nog komen……

 

Van Bas

MIJN MOLENWERELD, deel 7.

Mijn vorige verhalen gingen over Verfmolen De Kat en Oliemolen De Zoeker en Houtzager De Gekroonde Poelenburg. Uit de tijd dat men vond dat handwerk toch wel erg veel tijd vergde en men naar een hogere productie ging streven en andere krachtbronnen ging zoeken en benutten. Vandaag weer zo’n fabriekje:

Pelmolen Het Prinsenhof.

Je kunt deze molen vinden in Westzaan en is slechts lopend te bereiken vanaf de J.J. Allanstraat via het Reikepad. Ik heb dat twee maal gedaan. Een keer toen ook Truus erbij was en 1 keer met mijn leerling. Zie maar eens op de foto van toen.

Er is een tijd geweest, dat we de aardappel nog niet of nauwelijks kenden en graanproducten het voornaamste voedsel vormden.
Een van de graansoorten is gerst. Maar gerst heeft een harde schil eigenlijk en is niet te vermalen. Nee, de schil of de pel moet er af en dat gebeurt in de pelmolen.  Dat is niet zonder gevaar, want de steen die daarvoor gebruikt wordt, moet heel snel ronddraaien.
Daarom stopte men de steen …. onder de vloer, veilig tussen stevige balken. Je zou je het zo kunnen voorstellen:
alle balken vormen samen mèt stevige vloer èn goede afdekking een kist.
Mocht er onverhoopt iets met de steen verkeerd gaan, dan zit die behoorlijk veilig in de kist opgesloten.
Gesloten ziet er zo uit………….

De molenaar kan om allerlei redenen (schoonmaken of herstel werkzaamheden of ter instructie) de steen ook openleggen. Dat zie je hieronder…….

Wat zien we dan?
In het midden de pelsteen en verticaal daarin de steenspil die voor de aandrijving gaat zorgen. Op windkracht natuurlijk.
Om deze steen heen wordt een kuip gemaakt. Een deel ligt nu vooraan op de zij en achteraan ligt nog zo’n deel. Samen vormen zij het pelblik.

Er zijn enorm veel gaatjes in dat pelblik gemaakt van buiten naar binnen en daardoor ontstaan veel puntige uitsteeksels aan de binnenzijde.

Dit zie je als de molenaar alles weer opgebouwd heeft:

Op een vorige foto op de vorige bladzijde konden jullie ook nog een voorraadbak zien : het kaar en ook nog het grote handvat van de schuif. Nu gaan we pellen:
-de molenaar vult het kaar met gerst.
-hij laat de pelsteen draaien.
-het kaar loopt leeg op de pelsteen.
-door de middelpuntvliedende kracht worden de gerstekorrels naar buiten geslingerd en komen zo tussen steen en pelblik.
-de gerstekorrels slingeren langs de puntige uitsteeksels en verliezen een gedeelte van hun bolster.
-na 4 min trekt de molenaar de schuif open en alles “vliegt” in de emmer onder het ronde deksel.
-hij leegt de emmer op de zeef en er wordt al schuddend gesorteerd.
-dat proces wordt wel 6 keer herhaald.
– het resultaat is GORT

Hier nog een ruimer overzicht van de vloer. Twee pelstenen dus zelfs. Helemaal vooraan is de steenspil goed te zien.
Achter deze spil valt wat licht naar binnen. Het is de deur naar de stelling.

Het is de deur naar de stelling.
Staande op de stelling kun je genieten van het weidse uitzicht, maar nog meer van dit fraaie en zeer nuttige molenattribuut :
het onderste deel van de staart van de molen met daarin het grote kruirad:

In 1991 maakte ik daar zelf deze foto …..
…de koninklijke poepdoos van Het Prinsenhof

Deze keer heb ik geen “eigen” filmpje van deze molen, maar ik heb op youtube wel een prachtig verhaal gevonden. Machtig interessant, vind ik natuurlijk, maar jullie denken er misschien anders over. Wat is het geval? Het duurt 17 en een halve minuut. Dat is veel gevraagd van jullie tijd . De eerste 6 minuten gaan ook nog eens niet over het pellen maar over kruien en zeil voorleggen. Kies dus zelf òf je wel wilt kijken en of je alles gaat zien of stukjes gaat overslaan.Jullie kijken dan naar: “De werking van de pelmolen, molenaar Piet Klees”.
https://youtu.be/9Zz323FQMaY
Dit was opnieuw “werken in de molen” . Machtig om te zien en mooi om mee te maken. Volgende keer weer een andere molen, want onze verre voorouders waren  zeer inventief.”

Maar:
Ik ben nog niet klaar voor vandaag.
Vorige keer stond dit zinnetje in onze krant…
“Toen ik mijn ouders in 1967 ging vertellen dat wij zouden gaan verhuizen naar Bergen op Zoom..”
Het was van de hand van Jan Hendrickx. Ons erelid. In KOORonaNIEUWS 32 is hij uitvoerig in het zonnetje gezet door Wim Speek. Van die tijd heb ik geen weet, maar ik had al wel eens de eer bij deze heer aan tafel te zitten. Waarschijnlijk was het een Nieuwjaarsbijeenkomst. Een goed gesprek, met ophalen van herinneringen…..van ons beiden. Ik werd daaraan herinnerd door bovenstaand geciteerd zinnetje. Waarom kwam Jan naar Bergen? Hij kwam voor een van de ijzergieterijen.
‘d Holland zo gezeed. Mijn vader was geboren in 1912…kreeg als 13-14 jarige hevige mot met z’n onderwijzer….en liep weg….naar huis. Dus moest hij gaan werken…..en hij wilde het liefst gaan timmeren. Zijn vader, mijn opa dus, zag kans hem een baantje te bezorgen op ‘d Holland, want “daar werkten ze met kasten….” Op de dag dat hij 65 werd (in 1977 dus) en er 51 jaar op de febriek had gewerkt, ging hij met pensioen. Jan had vage herinneringen aan mijn vader. Maar we hadden wel een gezamenlijk verleden bij de ijzergieterij. Ieder op onze eigen manier.

Waarom nou deze ontboezemingen? Gewoon …. Mijn molenwereld.

Jullie hebben natuurlijk wel door, dat het heel wat tijd en inzet vraagt om molenaar te worden. Heel belangrijk daarin is de opleiding die Het Gilde van Vrijwillige Molenaars biedt. Zo was er in 1988 een “Informatie bovenassen” uitgegeven en die zat ook in mijn lespakket. En wat vond ik daarin? Een vermelding van IJzergieterij Asselbergs Holland. Die heb ik nu weer eens opgezocht en misschien kan ik er Jan mee plezieren.

Eerst wat uitleg:

De molen heeft vele assen, maar de bovenas is misschien wel de belangrijkste. Hij ligt in de kap van de molen en verbindt het wiekenkruis met de werktuigen in de molen. In eerste instantie werden ze van hout gemaakt.
Gewoon in een bos naar een geschikte boom zoeken met enorme afmetingen. Denk aan zo’n anderhalve meter diameter bij de wortel.  Geen gemakkelijk werk om daar een goede as van te maken, maar het is wel gelukt hoor.
Later kwamen er andere technieken en materialen. Te veel om op te noemen en te beschrijven.
Uiteindelijk werd het mogelijk om molenassen …….te gieten in ijzergieterijen.
En nu zijn we waar we willen zijn en nu hoop ik dat ook Jan daar herinneringen aan heeft: ook Asselbergs Holland heeft eenmalig een bovenas gegoten in 1979 of 1980.

In grote lijnen zijn alle assen gelijk, maar bijna elke fabriek zette er de eigen “handtekening” op. Echte deskundigen herkennen aan de askop welke gieterij geleverd heeft.
Dit is bijvoorbeeld de askop van De Soaseler Möl die in Saasveld staat:
-rood geschilderd,
-een gele walpen (om de as in de draaibank   te centreren),
-een gele ster er omheen en het is juist deze ster die vaak als handtekening dient.

Waarom deze molen als voorbeeld?
Deze molen was eind jaren 70 aan een grondige restauratie toe.
Toen werd de kap gesloopt en een kraan pikte de bovenas op.
Onderweg naar beneden viel alles uit de takels.
Met het desastreuze gevolg dat de gietijzeren as van 1864 gebroken was.

Ter lering ende vermaeck liggen ze er nog steeds te rusten……

….maar de molen draait….
…met een as die gegoten is in

Bergen op Zoom.

Mijn vader heeft dat nooit meegemaakt, maar Jan Hendrickx misschien wel.
Van dit gieten heb ik geen foto’s en geen film, maar ik vond wel een filmpje op YouTube.
Daar was ik zo onder de indruk van, dat ik het aan Jan wilde laten zien. Als jullie het ook willen zien, ga je gang en neem er uitgebreid de tijd voor en klik op:
Het gieten van een bovenas, film Jaap Kuitert 2004  19.13 min
https://youtu.be/HoaDHnnYeHg

 

 

Van Fred

Als iemand met pensioen gaat luidt het gezegde: “die gaat achter de geraniums zitten.
Geraniums in de vensterbank zijn een beetje uit de mode, het gezegde is dus een beetje achterhaald.
Slimmeriken maken er tegenwoordig van: “die gaat achter de orchideeën zitten”. Dat is natuurlijk veel actueler, want veel mensen hebben orchideeën voor het raam staan.
Dat zijn allemaal cultivars, gekweekte soorten. Maar wisten jullie dat orchideeën in Nederland ook in het wild voorkomen en in Europa nog veel meer soorten dan in Nederland?

Rianne en ik zoeken graag de bossen, alpenweiden en moerassen op om van orchideeën te genieten. Voordat we op reis gaan heb ik op topografische kaarten de mooiste plekjes al opgezocht en weet ik ongeveer waar we moeten zijn. Dan hangt het af van het jaargetijde of je ze ook daadwerkelijk vindt. Maar we zijn niet zo fanatiek, dat we om een soort te zien speciaal op reis gaan.
Dat geldt trouwens ook voor vogels, paddenstoelen en andere soorten. Ik ken iemand die de halve wereld afreist om een bepaalde libelle te zien….. Zo erg is het bij ons niet.

De orchideeënfamilie is de op één na grootste familie in de plantenwereld. Afhankelijk van welk boek je raadpleegt ligt het aantal soorten wereldwijd tussen de 15000 en 35000 soorten. Indeling is niet eenduidig, vandaar de grote verschillen in aantallen. Ze komen voor in alle werelddelen, behalve Antarctica.

Orchideeën zijn éénzaadlobbigen. Dat kun je aan de bladeren zien: er is geen hoofdnerf. Tweezaadlobbige hebben een hoofdnerf. Het binnenste van een eikel bestaat uit twee helften, tweezaadlobbige dus en dat zie je in het blad terug. Andere éénzaadlobbigen zijn lelies, narcissen, lissen en grassen.

Blad van een bijenorchis: parallel lopende nerven, niet vanaf een hoofdnerf

Ik kan hier beschrijven hoe je orchideeën kunt herkennen, maar eigenlijk is het niet zo moeilijk. Ze op naam brengen is wat moeilijker. Vooral de grote soorten vallen direct op, maar de soorten die in een aarvorm bloeien zijn wat moeilijker te herkennen, ook al omdat de bloemen vaak klein zijn.

                                       Bijenorchis

Hondskruid

Van dichtbij kun je aan de afzonderlijke bloei zien dat het een orchidee betreft. Er zijn ook andere planten die er sterk op lijken, bijvoorbeeld bremraap, maar daar zal ik jullie niet mee vermoeien.
Eén orchidee kan wel twee miljoen zaden verspreiden. Ook deze plant moet het hebben van schimmels in de bodem om voedsel te vergaren. Het kan wel jaren duren voordat de plant boven de grond komt. En dan nog alleen het blad. Soms duurt het tien jaar voordat hij bloeit.
Naast voortplanting door zaadvorming, kennen we de vegetatieve voortplanting. Heel bijzonder is de derde methode: sommige soorten hebben broedknollen aan de top van de bladeren. Die breken op een gegeven moment af en vormen  nieuwe planten.

Er zijn soorten, waaronder de bijenorchis, die zichzelf kunnen bestuiven.

Bijenorchis die op het punt staat zichzelf te bestuiven

Meestal als bestuiving door insecten uitblijft kunnen ze zich op die manier tóch voortplanten. Afbrokkelende stuifmeelkorrels vallen op de  stempel die je goed kunt zien. De meeste soorten lokken insecten door de prachtige kleuren, nectar én geuren. Al die lokkers trekken mannetjesinsecten aan en zo wordt de orchidee bevrucht. Zij kruipen in de bloem en nemen stuifmeel mee naar een volgende.

In Nederland komen ongeveer 20 soorten orchideeën voor. Sommige daarvan zijn zeer zeldzaam, zoals de Herfstschroeforchis. Andere zijn minder zeldzaam, maar je moet wél weten waar ze staan.

Boven en onder Herfstschroeforchis

Ik weet nog dat tussen de Kraaijenberg en de vogelkijkhut de eerst Moeraswespenorchis ontdekt werd. Wát een vondst was dat! Het volgende jaar stonden er al enkele meer en nu staan er inmiddels duizenden.

Boven en onder Moeraswespenorchis

En ook Rietorchissen. Maar verder moet je ze zoeken als een speld in en hooiberg. Ook hier geldt dat luchtvervuiling en verminking van de biotoop grote invloed hebben. Goed, ik geef toe, sommige zijn gewoon zeldzaam.

Rietorchis

De bergweiden in de Alpen en vooral die in de Pyreneeën zijn nog wel gezond en daar vind je dan ook de mooiste orchideeën. In de Pyreneeën overigens ook soorten die alleen daar voorkomen. In de Latijnse namen vind je dat ook terug. Vooral de Jura is een walhalla voor deze mooie planten. Bloemrijke graslanden zien? Ga in juni naar de Jura, overweldigend.

Vaak staan er veel orchideeën dicht bij elkaar. Hoe vaak ben ik niet plat op de grond gegaan voor een orchidee. Foto’s maken! En dan sta je op, kijkt om je heen en dan zie je dat er tientallen andere exemplaren staan. Prachtig!

Ook aan orchideeën kleven leuke verhalen. Eentje dan: de Breedbladige orchis heette tot voor kort Breedbladige wespenorchis. Nu niet meer. In mijn ogen volslagen onterecht, want die plant heeft een bijzondere verhouding met wespen. De bloemen verspreiden een geurstof die mannetjeswespen aantrekt. Het mannetje kruipt in de bloem op zoek naar voedsel en dat is er volop: een bedwelmende stof die er voor zorgt dat de wesp “dronken” wordt en dus schommelend en struikelend door de bloem waart en daar een tijdje rond blijft hangen. Dat komt goed uit, want zo neemt hij op zijn lichaam veel stuifmeel mee naar de volgende plant.

                 Breedbladige (wespen)orchis  

De Breedbladige orchis komt veel voor. Hij staat bij mij in de tuin.

De foto’s die ik in dit artikel gebruik, heb ik zelf gemaakt.
Vanaf hier plaats ik een aantal mooie exemplaren.

De Bokkenorchis is hier in de omgeving zeldzaam. Deze staat bij Nieuw Vossemeer.

Boven en onder bokkenorchis

De Gevlekte orchis lijkt veel op de rietorchis. De bloemen hebben veel kleurschakeringen, je hebt het blad erbij nodig om hem te determineren.

Gevlekte orchis

Hondskruid

Bosorchis

                     Grote keverorchis

Boven en onder: Welriekende nachtorchis

                 Vogelnestje

         Boven en onder Poppenorchis

Boven en onder: Bergnachtorchis

Het schijnt dat alle tot nu toe in Nederland voorkomen. Er zijn er bij die ik in Nederland nog nooit heb gezien. Nu nog wat soorten die, voor zover ik weet, in hier niet voorkomen.

                   Aangebrande orchis

Hommelorchis

             Wit bosviooletje

Bleek bosviooltje

Rood bosviooltje

              Breedbladig handekenskruid

                  Misschien een Gevlekte orchis

                    Mannetjesorchis

Boven Hondskruid, onder Hondswortel. Ze lijken op elkaar, maar zijn niet hetzelfde.

Kogelorchis

      Soldaatje

Roze vanilleorchis

     Zwarte vanilleorchis

         Vliegenorchis

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 33

 

Van Nico

Een poosje gelden reageerde ik op de geweldige verhalen en artikelen in KOORonaNIEUWS, zo keurig verzorgd en ook gevuld door Fred. In mijn reactie gaf ik aan niet zulke geweldige verhalen te kunnen vertellen , maar ook dat ik niet beschik over de veronderstelde digitale vaardigheden. Nu bedacht ik, dat ik pas nog een paaswens voor de leden van de KBO afdeling Huijbergen had gemaakt en die zou ik natuurlijk ook naar jullie kunnen sturen, want als ik de ledenlijst bekijk, dan komen de meeste van onze leden in aanmerking voor een vaccinatie tegen Corona en die zouden dus ook allemaal lid van een bond voor ouderen kunnen zijn.

Achteraf vond ik toch wel dat ik gemakkelijk praten heb, want sprekend over verrijzenis en nieuw leven, dat doe je zonder na te denken als je geen problemen hebt, niet lichamelijk en eigenlijk ook niet psychisch, (dat laatste veronderstel ik zomaar, want ik hoor wel eens tegengestelde geluiden. Tijdens een ledenvergadering van de KBO hier in Huijbergen zei een mevrouw; “Wat ben je toch een raar ventje.” En dat werd door niemand tegengesproken).

Ik zal nu die wens ook aan jullie sturen, want ik meen het wel van harte en wel goed wetend dat sommige van onze leden graag dat nieuwe leven in zich zouden willen ervaren. Ik blijf daar ook aan werken voor die mensen, dat doe ik dan vooral in de kapel, maar dat werkt jammer genoeg niet altijd. Maar nu die tekst, althans een gedeelte, want ik doe het nu niet als voorzitter van de KBO, maar als jullie vriend:

“We zijn alweer enkele maanden in 2021. Maar nog steeds zijn het voor veel mensen sombere maanden en ervaren we weinig nieuw leven. Toch is er volop nieuw leven, al zijn de bomen nog veelal leeg en naakt en staan ze in weer en wind te schudden. De lente is er, twijgen ontspruiten en oude takken lopen uit.
Ook wij mogen op nieuw leven hopen, want nieuw leven, dat vieren we immers met Pasen. De natuur vertoont er weer volop tekenen van. Ook wij mogen en kunnen opnieuw gaan leven en verrijzen!
Met Pasen vieren we dat er nieuw leven mogelijk is en dat dit ook in ons kan gebeuren. We moeten het wel willen en ook durven! De natuur bloeit weer open en de eerste bloemen laten zich zien. Er kan weer iets nieuws beginnen en het is al begonnen! Moge het nieuwe leven ook in u en ons beginnen!”

Op het ogenblik ben ik bezig met een boek van Joan Chittister OSB, “Het vuur onder de as”. Het is een boek van een Amerikaanse benedictines, geschreven in 1998 over het religieuze leven. Dus het is een niet zo recent boek, maar als ik het goed begrijp (en ik denk dat ik dat doe), dan is er heel wat as over het vuur gekomen in de loop der jaren. Op het ogenblik doet Corona er nog eens een extra schep bovenop. En ik dan maar praten over ‘nieuw leven dat al begonnen zou zijn’.

Maar laat mij nou maar, want na het askruisje ontdekte ik nog veel meer as.

Het ga jullie goed en denk eraan; ook ‘oude takken lopen uit’.

Nico

 

Van René

Uit nummer 32:
Een foto uit het West Brabants archief. Wie kan hier iets over vertellen?

Opm. redactie: Tot op heden geen reacties op deze foto.
Ik weet zeker dat ik er niet op sta.

Uit nummer 31:

Cees heeft een zo overtuigend verhaal dat je bijna zou verwachten dat hij het goed geraden heeft.
Helaas Cees !
Het was niet de reis naar Eberbach maar een eerdere koorreis.
Zelf ben ik toen  niet mee geweest maar heb achteraf wel begrepen dat ook die koorreis weer een enorme belevenis moet zijn geweest.
Mooi dat er ook een foto van ons aller Jan Pals bij is.  Ook Jan was een en al Fortissimo !!!
De uitstap naar Eberbach was eigenlijk meer een “studie-reis” want op slechts enkele dagen kon ons repertoire worden uitgebreid met een gloednieuw nummer : “Lebt denn der alte Holzmichl noch”, wat door Ben zo subliem vertolkt wordt.
Ben, het wordt weer eens tijd !

Wim zat ondanks een lichte twijfel toch erg dicht bij het goede antwoord.
Het was inderdaad de koorreis naar Tsjechië in 1969.
Op zekere dag zijn we naar Marianske Lazne (Marienbad) afgereisd. Ik herinner me dat we met een soort lift naar een hoger gelegen punt zijn gegaan om vanaf daar te genieten van een schitterend uitzicht over die stad.
Daarna zijn we vertrokken naar een pittoresk gehuchtje, midden in het bos : Kladska.
Zelden hebben we zo lekker gegeten als in het  restaurant daar.
Het staat er nog steeds dus ik mag aannemen dat er nog steeds lekker gekookt wordt!

De volgende foto zal waarschijnlijk voor niemand een probleem zijn :

 

Van Jan Hendrickx

REACTIE OP GARNIZOENSSTAD
VAN AD en stadsgids Jannie

Zie poststempel Bergen op Zoom.

Toen ik mijn ouders in 1967 ging vertellen dat wij zouden gaan verhuizen naar Bergen op Zoom vertelde mijn vader mij dat hij in 1918, de mobilisatietijd van de eerste wereldoorlog, o.a. in Bergen op Zoom gelegerd was. En hij vertelde ook dat het er stonk naar spiritus en dat je er kreukels kon rapen. Ook kwam deze briefkaartfoto uit 1918 tevoorschijn die hij in die tijd naar zijn broer gestuurd had.

Mijn vader is de man in de tentopening in het wit (in zijn diensttijd was hij kok) zwaaiend met een bajonet. Waarschijnlijk is onderstaande foto genomen op “Kiek in de pot”.

 

Van Daniël

Naar aanleiding van het spinnenverhaal in aflevering 32.

Mooi stukje over de spinnen. Heb er op zich niet zo veel mee, maar kom ze nu eenmaal met mijn werk vanzelf tegen. Maar heb ook wel de indruk dat het er steeds minder zijn.
Mijn vader had een seringen-kwekerij, waar mijn hard nog steeds sneller van gaat kloppen als ik aan die periode denk.
We moesten regelmatig tussen de seringenstruiken schoffelen of gewoon er doorheen om naar de slootkant te lopen. De paden zaten dan vol spinnenwebben en inderdaad van de kruisspin. Als kleine jongen was dat erg vervelend. Het kwam allemaal in je gezicht. Je liep er dan met je armen slaande doorheen. Later als je groter was kon je hoofd vaak er nog net boven houden.
Naderhand werkte ik nog een tijd bij een baas, die als extra witte sneeuwbes teelde. Als de laatste naar de naar de veiling waren stak in de avond een rooktablet af in de schuur (zou tegenwoordig niet meer mogen).  De andere dag hingen er dan in heel de schuur spinnen aan een draadje. Zo kreeg hij de schuur weer vrij van spinnen.

 

Van Clemens

Oscar van Hemel

In dit voortreffelijke periodiek ‘KOORonaNIEUWS’ is het gebruikelijk herinneringen en ervaringen te delen. Ik heb tot nu toe heel veel vernomen van goede herinneringen en gedenkwaardige momenten.
Toch ga ik die traditie doorbreken door jullie voor te leggen waarom muziek van Oscar van Hemel niet mijn voorkeur heeft, althans de muziek die wij zingen en waarom ik geen goede herinnering heb aan de uitvoeringen die wij aan zijn muziek hebben gegeven. Wat ik nu opschrijf zijn mijn persoonlijke gevoelens en ideeën, anderen hebben zeer zeker heel andere opvattingen.

Mijn (diepere) kennismaking met Oscar van Hemel is begonnen in 2014. In het najaar gaven wij een concert in de Ontmoetingskerk te Bergen op Zoom. Het centrale thema was Bergen op Zoom en het begin van de Eerste Wereldoorlog (WOI) in 1914 (toen 100 jaar geleden). Er is in die maanden veel gepubliceerd over de wederwaardigheden van Bergen op Zoom als opvang van vooral vluchtelingen uit België. Enige duizenden mensen wisten aan Antwerpen te ontsnappen door meestal te voet of met paard en wagen de grens over te steken. Bergen op Zoom bood opvang maar er groeide ook geleidelijk aan weerzin tegen vluchtelingen, vergelijkbaar met de – soms idiote – ideeën over asielzoekers uit onder meer Syrië in deze tijd. De ellende die de mensen toen (en ook nu) meemaken is eigenlijk met geen pen te beschrijven.
In het najaar van 2014 zongen wij liederen van Vic Nees met teksten van Max Elskamp. Ik heb over deze Antwerpse dichter (die in de Franse taal schreef) een en ander vermeld in een eerder nummer van KOORonaNIEUWS. Indrukwekkend zijn zijn brieven met indrukken uit zijn vluchtelingentijd: ook hij is met zijn knecht van Antwerpen naar Bergen op Zoom gelopen en heeft onderweg allerlei ellende gezien. In Nederland heeft hij veel gedaan in het belang van de vluchtelingen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe anders liep dat bij Oscar van Hemel (1892-1981). Hij was de tweede van drie kinderen. Vader verdiende de kost met het maken van boeken voor draaiorgels. De jonge Oscar was al vanaf zijn 9e jaar leerling van het ‘Koninklijk Vlaamsch Conservatorium van den Staat’ te Antwerpen en studeerde daar viool. Kort na zijn afstuderen aldaar brak WOI uit. Oscar van Hemel diende als militair en raakte gewond tijdens de slag bij Halen (ook wel ‘Slag der Zilveren Helmen’ genoemd) en vluchtte met behulp van het Rode Kruis per trein naar Roosendaal waar zijn familie al was gearriveerd. In 1915 verdiende hij wat geld met het geven van vioollessen. Hij heeft vervolgens als violist gediend bij de pas opgerichte Nederlandse Opera in Amsterdam.

Door ‘overspannenheid’ in het seizoen 1916/1917 kwam hij wat op adem in een sanatorium te Renkum. Hij is vervolgens in Bergen op Zoom gaan wonen. Adrianus de Groot (toenmalig directeur van de muziekschool in de Hoogstraat van Bergen op Zoom en oom van ‘onze’ Ben de Groot) haalde hem binnen als muziekdocent voor viool en piano. Hij zou met hem en ene Oscar Busch regelmatig kamerconcerten hebben gegeven.

Van Hemel trouwde met een onderwijzeres (Annie Wouters) bij wie hij 11 kinderen kreeg. Vanaf ongeveer 1930 is hij gaan componeren. Hij heeft bij Willem Pijper in Rotterdam compositie gestudeerd. Zijn werk aan de muziekschool, het componeren en zijn deelname aan het muziekleven in Bergen op Zoom ging ook tijdens WOII gewoon door.

In 1949 verhuisde het gezin naar Hilversum. Voor de KRO schreef hij de opera Viviane, ter gelegenheid van het zilveren jubileum van deze omroep. Andere werken van hem omvatten kamermuziek, religieuze muziek, symfonieën, koorwerken. Een van zijn nazaten vermeldde ooit dat Oscar van Hemel teleurgesteld was over het niet meer uitvoeren van zijn muziek in de jaren zeventig van de vorige eeuw.

De recensies uit die tijd zijn dubbel: enerzijds ‘kleurrijke harmonie’, anderzijds ‘weinig fantasievol, stram en dor’. Ik moet zeggen dat ik het na kort beluisteren van iets van zijn werk het meer met het tweede eens ben: de muziek klinkt hier en daar wat afgemeten, weinig dynamisch en leunt aan tegen melodievorming uit de romantiek. In YouTube, Tidal en Spotify is wat van zijn werk terug te vinden.

Oscar van Hemel was nauw verweven met het Bergse muziekleven, zo tot 1949. Hij zou zich na zijn verhuizing naar Hilversum laatdunkend hebben uitgelaten over het muziekleven in Bergen op Zoom en bij zijn vroegere muziekvrienden veel wrevel hebben opgewekt. Ben de Groot kan daar meer over vertellen.
Er staat een aantal nummers van hem op ons repertoire. Ik heb gevonden ‘Copla’s’, ‘Jubelstadje’ , ‘Een meisje dat van Scheveningen kwam’ , Lied van Hertog Jan’, ‘Sonett an Orpheus’ (ken ik niet), ‘Christus is opgestanden’ (ken ik niet), ‘Drinklied’ (onbekend voor mij) en ‘Twee Contrasten’ (De Mens, De Tijd). Ik moet eerlijk bekennen: ik ben er niet kapot van. De ‘Copla’s’ kunnen mij het meest bekoren, daar zitten grappige melodieën en muzikale vondsten in. De ‘Twee Contrasten’ komen mij over als een met muziek omlijste predicatie. ‘Jubelstadje’ maakt op mij een gekunstelde indruk: klanken gemaakt voor de tekst van Willem Asselbergs (Anton van Duinkerken).

Ik begon dit stuk met een verwijzing naar Max Elskamp. Ik moet eerlijk zeggen: Elskamp raakt mij artistiek veel meer dan Van Hemel. De dichter, hoe tragisch zijn leven ook was, deelt zijn emoties, is hier en daar ontroerend. Dit ervaar ik bij Oscar van Hemel helemaal niet…Maar dit heeft natuurlijk ook te maken met mij als persoon: anderen onder jullie zullen iets heel anders hierover vinden.
Hoe dan ook: het zou kunnen zijn dat over driehonderd jaar archeologisch onderzoek naar ‘het verdronken land van Bergen op Zoom’ (zeespiegelstijging) oplevert dat er een rijk cultureel leven in die stad was met een – achteraf onterecht – vergeten componist.

 

Van Bas

MIJN MOLENWERELD, deel 6.

Mijn vorige verhalen gingen over Verfmolen De Kat en Oliemolen De Zoeker. Vandaag een heel bijzonder verhaal. In twee opzichten. Ten eerste het model en ten tweede wat voor werk er verricht wordt.
Het model wordt al beschreven in de 15e eeuw en in 1734 in deze “bijbel voor de molenmaker”……………….

en dan vind je dit plaatje

Ja heus. Je moet aan dat geinige kopje dan nog wel 4 wieken vastmaken. Dus….een windmolen. De kracht van de wind levert de energie. Ooit stonden er alleen al in de Zaanstreek ruim 200 exemplaren. Nu nog maar 2. In ons hele land nog maar…….5.
Op een vakantiereisje sta je dus niet zomaar plots voor ….een PALTROKMOLEN, want zo heet dit type.

 

Als jullie zo’n molen ooit in levende lijve zouden zien, zal het model meteen opvallen. Het verhaal gaat dat mannen heel lang geleden vaak een paltrok droegen, een mouwloze mantel of cape, en het silhouet van deze molen lijkt op zo’n mantel. Vandaar de naam Paltrokmolen.

Wil je er echt eens een keer een zien? Dan moet je naar Arnhem, Amsterdam-West, Haarlem, Zaandam of Zaansche Schans.
Is het geen plaatje? Dat moeten jullie wel toegeven toch! We zijn weer op de Zaansche Schans en zien in volle glorie: Paltrokmolen De Gekroonde Poelenburg, de buurman van, en jullie herkenden ze al natuurlijk, Verfmolen De Kat en helemaal links Oliemolen De Zoeker.

Jullie hebben ondertussen begrepen, dat de wieken van een molen altijd naar de wind moeten staan om te kunnen draaien. Dus moet de molenaar dat kunnen regelen. Hier bij ons in West-Brabant kan op de stenen molens de kap naar de wind gedraaid worden. Dat noemen we kruien. Maar bij het model van dit verhaal is dat wel heel bijzonder geregeld.

Om dat goed voor te stellen, pak ik er even dit fotootje bij. Dit is geen fake nieuws, want ergens in Nederland staat deze molenstomp. De wieken zijn weg evenals de kap. Het was ooit een stellingmolen en die stelling is ook al in de open haard verdwenen. Stel dat de huidige eigenaar besluit om een sloopvergunning aan te vragen en dat hij die inderdaad krijgt. Hij gaat voorzichtig te werk, want ons bin zunig en de stenen kunnen misschien wel in de verkoop. Naarmate het werk vordert, zeggen zijn kinderen…papa laat de laatste meter maar staan en dan zetten we daar ons ronde zwembad in.                       Zo iets dus………….

Nu in het echt bij de paltrokmolen……
Eerst metselt men een fundament.
Rond. Daarop een ringmuur. De diameter zou hier best zo’n 8 à 9 meter kunnen zijn. Ruim 1 meter boven de grond is de ringmuur klaar.
Daarop legt men, stevig verankerd aan de ringmuur, een kruivloer van wel 12 cm dik en ruim 30 cm breed.
Daar bovenop komt een rollenring. In deze ring zitten ongeveer 55 rollen.

Dan pas komt de molen. Een vreemd, maar groot geheel en dat kan en moet in zijn totale omvang op deze rollenring kunnen rondraaien= kruien om de wieken op de wind te zetten. Hiernaast opnieuw een leuke tekening gemaakt door Tineke Schinkel.

Hoe beschrijf je nu dit type molen?

Centraal staat een vierkante, taps toelopende houten toren, afgedekt door een guitig uitziende kap. De toren is echter niet totaal afgebouwd. Alleen de wiekenzijde loopt tot aan de basis door. Waar geen zijkanten meer zitten is een overkapping gemaakt, die dus alleen aan de voorzijde is gesloten en de rest is open. Deze overkapping is de werkruimte in deze molen en die is altijd, zomer en winter, open. De molenaar en zijn knechten werken dus buiten. Ze hebben nog geluk dat de windzijde wel dicht is.
…….Helemaal links zit het kruirad.

Hier van voren gezien……

Er zijn nu 7 kruipalen (met witte koppen) te zien.
Nu de kruiketting, hier is het een kruitouw,  aan een kruipaal vastmaken.
Kruirad rechtsom draaien en de totale molen kruit om de wieken op de wind te zetten.
Een imposant gezicht: èèn molenaar draait aan het kruirad en de hele molen draait om zijn as in de juiste richting en het kan zowel linksom als rechtsom.
Voor we aan het werk gaan in of met de molen, laat ik even een van de bijgebouwen zien.
Op de grens van land en water staat…… de poepdoos.
Plons,plons, plons …alles hupsakee De Zaan in…..

Dat was het model van deze week. Bijzonder toch.

Maar nu het werk. Deze molen is een zaagmolen en het meeste werk gebeurt op de zaagvloer ….
Die vloer is hier op de foto behoorlijk leeg, maar dat is in vol bedrijf niet zo.

De molen staat op een soort schiereilandje. In het water liggen boomstammen te wachten op verwerking.
Met een kraantje, dat werkt op windkracht, wordt een boomstam uit het water getild en tot op de zaagvloer gebracht. Op de zaagvloer liggen 3 sleden. De te zagen boom wordt op de slee gelegd. De slee gaat tot het zaagraam, een rechthoekige constructie van uit de kluiten gewassen balken. In zo’n zaagraam kunnen zagen worden bevestigd. Simpel…1 zaag, dan zal de boom straks in tweeën gaan. 2 zagen…dan in drieën. Enzovoorts. Dat ziet er gevaarlijk uit. In het verleden heeft men waarschuwingen op de zaagramen gezet….
ZIET TOE…..RAAK WAT….PAS OP.
Het is best zwaar werk op de molen, maar de wind helpt stevig mee.

Als de wieken draaien wordt een krukas rondgedraaid. D.m.v wat je zou kunnen noemen “zuigerstangen” , 3 in totaal, kunnen er 3 zaagramen op en neer bewegen.
“Kunnen” schrijf ik, want de molenaar schakelt in en bepaalt of ze wel of niet mee doen.
Het zaagraam beweegt in een verticaal vlak en blijft dus op z’n plaats. Dus moet de boomstam richting zaagraam geduwd worden. Dat is weer zwaar werk. Nee hoor, opnieuw de molenaar bepaalt dat een “krabbelwerk” wordt ingeschakeld en zo wordt de slee tand voor tand richting zaagraam verplaatst op het moment dat het zaagraam omhoog gaat en bij de neerwaartse gang wordt er daadwerkelijk gezaagd.

Op de foto is het krabbelwerk voor de helft te zien achter de gestapelde planken. En rechts is een slee te zien.

Dit is ook een krabbelwerk, maar niet   uit De Gekroonde Poelenburg……..

Hieronder een prachtig plaatje van een boomstam die door het zaagraam gaat met wel 9 zagen……..

Dit is natuurlijk wel een heel bijzonder model, maar wat dachten jullie van De Rat in IJlst. Ook een houtzager. Ook werken op de wind, maar gewoon een stellingmolen op een schuur.

Het kan echter ook op waterkracht. Ga naar het prachtige landgoed Singraven in Denekamp. Ook een houtzager. Maar dan een watermolen.

 

Tenslotte voor dit moment. Jullie weten dat ik op de Zaansche Schans was. Ook in de werkende houtzaagmolen De Gekroonde Poelenburg.
Hierbij een link naar een filmpje , gemaakt door mijn buurman.
https://mannenkoorfortissimo.nl/wp-content/uploads/2021/03/2004-09-11-Paltrokmolen-De-Gekroonde-Poelenburg-4-1.m4v

Dit was opnieuw “werken in de molen” . Machtig om te zien en mooi om mee te maken.Volgende keer weer een andere molen, want onze verre voorouders waren zeer inventief.

 

Van Fred

 

Een totaal ander onderwerp, maar toch erg interessant: De Gal.

Iedereen kent wel die mooie ronde knikkers die aan een eikenblad hangen. Misschien weet je ook nog dat die gallen veroorzaakt worden door een beestje, maar meestal blijft het daarbij.

Maar wat is een gal?

Insecten, zoals galwespen, galmuggen, bladluizen, bladwespen en mijten, leven parasitair. Ze leven op of in planten, waaraan ze voedsel onttrekken. Vaak simpelweg door bladeren en bloemen op te eten. Er zijn soorten die ziektes overbrengen op de plant die bijvoorbeeld voor verkleuring of bladkrulling zorgen. Als er opzwellingen ontstaan of andere nieuwvormingen die nuttig zijn voor de “aanvaller”, hebben we het over gallen. Het beestje dat de gal veroorzaakt eet ervan en/of legt er eitjes in.
Gallen zijn dus fenomenen die door de plant worden gemaakt, niet door het dier.

Ook virussen en mycoplasma’s kunnen galachtige vormafwijkingen veroorzaken, maar dat wordt wel als een grensgebied gezien, omdat deze -in tegenstelling tot de galbewoners- in de hele plant zitten en niet alleen in de gal. Mycoplasma’s zijn ééncellige bacteriën zonder celwand. Heksenbezems worden door virussen veroorzaakt.

Op alle fronten wordt volop onderzoek gedaan. Van virussen is zelfs méér bekend dan van mycoplasma’s. Zeker de tumoren die door virussen ontstaan zijn voor wetenschappers interessant omdat er mogelijke overeenkomsten zijn met kankergezwellen bij mens en dier.

Er zijn, om het nog wat ingewikkelder te maken: enkele bacteriën, schimmels en slijmzwammen veroorzaken echte gallen. We zagen dat bij de Els. Deze leeft in symbiose met de knolletjes (gallen) aan de wortels. Veel planten worden ziek van deze organismen, maar sommige hebben er dus profijt van.

Gallen ontstaan door vergroting van de cellen van de plant en door deling van cellen, vaak nadat eerst de normale groei is belemmerd. In principe kunnen gallen op alle delen van een plant voorkomen: wortels, knoppen, bladeren, takken of stengels. Soms blijven plantdelen herkenbaar, vaak wordt er echt iets nieuws gevormd. Dat zijn de bolletjes, maar ook haarwoekeringen, knobbels en hoorntjes. De galvorm is kenmerkend voor de verwekker. Mijten veroorzaken de eenvoudigste vormen, galwespen de meer ingewikkelde, ook qua weefsel. Soms bestaat de cel uit maar één enkele vergrote cel, maar meestal zijn omliggende cellen ook bij de galvorming betrokken.
Het weefsel van de gal wijkt veel af van het normale weefsel en het weefsel van de “huid” van de gal wijkt ook af van die van de waardplant.
Galvorming is niet een eenduidig proces. Het hangt sterk af van de veroorzaker van de “infectie”. In alle gevallen vindt weefselwoekering plaats. Dit zijn tumoren. Daar kunnen we gerust van spreken, want plantentumoren en dierlijke tumoren hebben veel kenmerken gemeen. Wijzigingen in DNA en hormoonhuishouding veroorzaken aminozuren die tot voedsel dienen van de veroorzaker van de gal.
Niet alleen de veroorzaker van de gal, maar ook allerlei andere organismen maken gebruiken van de gal. Ze parasiteren dus op de door een ander veroorzaakte gal. Soms zijn het dan ook nog beestjes die zelf ook gallen veroorzaken, maar ook leven in de door andere veroorzaakte gallen. Ook de buitenkant van de gal zijn een voedselbron voor bijvoorbeeld insecten. Ze benutten de afscheidingsproducten die wél op de gal, maar niet op de plant voorkomen.
En natuurlijk zijn er parasieten die leven op de larve van de veroorzaker van de gal. Ze doden de larve en zuigen die uit. Of ze leven in de larve van de gastheer die langer blijft leven en van binnenuit wordt opgegeten. Er zijn ook soorten die eerst galweefsel eten en daarna de larve. Sterker nog, er zijn soorten parasieten die parasiteren op een parasiet. Die noemen we hyperparasiet.
Vogels en zoogdieren eten ook gallen, met alles erop en eraan.

Er komen in Nederland meer dan 1400 verschillende gallen voor. W.M. Doctors van Leeuwen heeft ze in een dik boek van 355 pagina’s beschreven en heel veel literatuurlijsten toegevoegd. Als je in Coronatijd niets te doen hebt kun je daar je lusten nog op botvieren. Er gaat vast een wereld voor je open. Ik heb aan het boek van Doctors van Leeuwen genoeg.

In het schema hieronder staan de vijf bomen waarop in Nederland de meeste soorten gallen voorkomen. Hoe meer zwart in het vak, hoe meer gallen, veroorzaakt door de hoofdgroepen.

 

Van links naar rechts:
Berk, Populier, Prunus, Eik, en Wilg.
Van boven naar beneden:
Galmijten
Galmuggen
Bladluizen
Galwespen
Bladwespen

In bovenstaande tabel staan maar een paar soorten galvormende organismen en een paar soorten zaadplanten.
Gallen kun je op veel soorten aantreffen. Algen, schimmels, mossen, varens, zaadplanten.
De laatste categorie vormt natuurlijk wel de hoofdmoot. Alle 1400 soorten ga ik niet beschrijven, maar enkele laat ik zien. Wel hieronder een overzicht van galvormende organismen:

  1. raderdiertje l. bladluis
  2. aaltje m. snuitkever
  3. galmijt n. snuitkever, larve
  4. loopmijt o. galmug, larve
  5. trips, larve p. galmug
  6. schuimbeestje q. vlieg
  7. schuimbeestje, larve r. vlinder
  8. trips s. rups
  9. bladluis t. bastaardrups
  10. bladvlo u. galwesp, larve
  11. bladvlo, larve v. bladwesp
  12. galwesp

 

En dan te bedenken dat dit van de meeste soorten de hoofdsoorten zijn en het alleen de dierlijke galverwekkers zijn.

We zijn begonnen met de knikkers aan een eik als prototype van een gal.
Dat is niet de enige soort die aan een eik zit.
Aan een eik kunnen 78 verschillende gallen zitten, waarvan 69 veroorzaakt door galwespen.
Dat betreft niet 69 soorten galwespen, want er zijn galwespen die een zomer- en wintergeneratie kennen. De wespen zien er dan verschillend uit en de gallen ook.
Er zijn 9 andere soorten die gallen aan eiken veroorzaken:
De Schildluis, 2 soorten bladluizen, 4 soorten galmuggen en 2 soorten vlinders.
De veroorzaakte gallen zijn wortel-, stam, tak-, knop-, vrucht-, meeldraad- en bladgallen.

Genoeg te ontdekken aan één enkele zomereik……

Knikkergal of Galnoot
Van de Knikkergalwesp
Andricus kollari.
Het prototype van een gal.

Larve van een Knikkergalwesp

Natuurlijk horen er verhalen bij deze mysterieuze galappel. Die staan niet in het boek van Doctors van Leeuwen, maar in mijn bomenbijbel waaruit ik al eerder geciteerd heb:
De galnoten hadden voorspellende waarde. Daarvoor moest je ze wel doormidden snijden. Vloog er een wespje uit, dan was er oorlog op komst. Zat er een larve in dan kwamen er benauwde tijden aan en een pop voorspelde de pest.
Ook het weer werd ermee voorspeld: als er op 29 september, St. Michielsdag, een pop in zat dan werd het niets met het weer. Een wespje gaf middelmatig weer; een larve zorgde voor goed weer, maar was er helemaal niets te vinden, dan werd het hele jaar slecht.
Al vanaf 300 n Chr. begon men met galappelinkt te schrijven en dat ging eeuwen door. Het fabriceren van de inkt ging gepaard met toevoeging van ijzervitriool, arabische gom en carbolzuur.
Zwarte haarverf maakte men door galnoten te koken in olie, azijn of water.
In de oude geneeskunde werd de galappel gebruikt tegen bloedingen. Krijgslieden gebruikten galnootpoeder om bloeding van wonden te stoppen. Ook werd er een papje van de galappel op zwellingen en puisten gedaan.

Boven: Gallen van de Bladgalwesp.

Beneden: Aardappelgal door de Aardappelgalwesp

Tot zover de galen die op een eik voorkomen.
Hierna enkele gallen op andere soorten.

Hieronder een Platte tonderzwam. Hij zit vol zogenaamde tepelgallen, veroorzaakt door een Breedvoetvlieg, die eitjes in het vruchtlichaam legt. De larven voeden zich daarmee en daardoor ontstaat de gal, het bolletje. Op enig moment boort de larve zich een gat naar buiten. Vandaar de naam tepelgal.

Onder de gal van de Tamme kastanje galwesp. Deze wesp is een exoot uit China en is zeer schadelijk. Sinds 2015 in ons land.

Beneden: Gal van de Iep grasluis op Iepenblad.

 

Grote gal op Iep, veroorzaakt door de galluis Eriosama lanuginosum.
De gal zit vol luizen. Meestal lijdt de Iep aan iepenziekte als er dit soort gallen op zitten:

Gal van de Distelboorvlieg:

Gal van een Beukengalmug:

Gal door de Frankia Galni, een bacterie. Leeft in symbiose met de Zwarte Els op de wortels:

Gal van de Rozenmosgalwesp:

Een als toegift een berk, vol met heksenbezems. Dit zijn dus geen gallen, maar celwoekeringen, veroorzaakt door een virus, die in de hele boom terug te vinden zijn.

En daar komen dan weer mooie zwammen op voor:

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 32

Van René

Mijn opa had ook een groentetuin en die lag, ongelukkig genoeg, naast een weiland. Hij was dus niet erg bevriend met deze diertjes. Opa kon bijna voorspellen hoe laat de mol naar boven kwam en stond dan ook met een schop “in de aanslag”.
Klopt het, Fred, dat ze b.v. om de vier uur naar boven komen ? Of toch in ieder geval in een zekere regelmaat ?
Hij liet dan altijd wat bloed van de mol in z’n handpalm druipen. Wij vonden dat maar eng, maar hij zei dat het goed hielp tegen de reuma !
En zo had hij ook altijd een wilde kastanje en een citroen op zak. Tegen de reuma; en hij zei dat hij er baat bij had. Werd zo wel 92 jaren oud ! Wie bewijst het tegendeel ?

Reactie Fred: Ik heb ook ergens gelezen dat ze met een zekere regelmaat boven komen. Maar of het ook echt zo is of “overlevering” weet ik niet.

Voor de aardigheid nog even een plaatje van mijn Chevrolet die in juli van dit jaar 90 wordt .

Van René

Een foto uit het West Brabants archief. Wie kan hier iets over vertellen?

 

De fotovraag van René in nummer 31:

Reactie Wim:
Ja René dit keer heb je het me toch wel erg moeilijk gemaakt. Uiteindelijk denk ik toch dat het een foto is uit 1969 toen we in Tsjechië waren. We hebben toen een keer een uitstapje gemaakt en een uitkijktoren bezocht. Ik denk dat de foto is gemaakt van de toren of van de trap van die toren.
Als het mis is zal het wel ergens in Duitsland zijn, maar bij welke reis zou ik niet weten. 

Reactie van Cees:
Over de foto van het chalet van René valt veel te vertellen maar laat ik me beperken tot een samengestelde foto van de reis naar Eberbach.
Maar eerst met een alleszeggende foto van de zeugridder oud lid en helaas overleden Jan Pals.

En dan de foto die waarschijnlijk iedereen herkent.

Het is een compilatie van drie foto’s.
De hoofd foto is de andere kant van het balkon van de foto van René en het is het  clubhuis van het MGV of wel het Männergesangverein “Concordia”uit Eberbach, met in de achter en voorgrond het dal.
De inzet rechtsboven is samenstelling van de lange weg die we moesten gaan naar deze uitspanning en hetgeen ons daar te wachten stond.
Ik herinner me ook nog een mooi lied dat boven op ’n tafel gezongen werd, vraag Ben hier eens naar, die weet daar  van.

Hier nog een foto van die geweldig leuk reis:

 

Van Wim

Jan Hendrickx     VENI  VIDI VICI

Hij kwam, hij zag en hij overwon

Ik herinner me nog heel goed wanneer Jan bij Fortissimo kwam. Het was vlak voor of vlak na het 12 en een half jarig bestaan dat we vierden in het voormalige Weeshuis in de Blauwehandstraat. Bij dat uitbundige feest kregen de jubilarissen een notenbalk met 12 hele en een halve noot. Er was toen ook een echte kruisweg en we maakten er kennis met “hotpants“! Ik weet niet of Jan aanwezig was maar ik betwijfel het anders had hij vast ingegrepen.

We hadden onze jaarvergadering in de pastorie op ’t Fort en kwamen aan het punt bestuursverkiezing. Er moest een nieuwe voorzitter komen maar er was geen lid bereid gevonden die taak te gaan vervullen. Wat nu! Het bestuur had echter goed voorwerk verricht en kwamen met een nieuw lid en een bereidwillige kandidaat voor het voorzitterschap: Jan Hendrickx , een man die uit Limburg kwam en in Bergen op Zoom een mannenkoor zocht. Wij keken wel even vreemd op maar waren blij met een nieuwe voorzitter. En Jan maakte het meteen waar hoor. Hij was vanaf het begin heel betrokken en werkte heel hard. Met zijn maat Frans Huismans runden ze het geweldig. Ik mag wel zeggen: Volendam heeft de 3 J’s maar wij hadden de 2 H’s en wat heeft die tandem een verschrikkelijke hoop werk voor ons koor verricht. Denk maar eens aan al die activiteiten die we in de 70-er jaren hebben gehad. Meedoen met de BBC zangwedstrijd “Let the people sing”, radio opnames, een TV opname in de grote Kerk in Haarlem voor de EO, deelnames aan IKF in het Kurhaus, optredens met het trio Louis van Dijk, LP opname in de Ark, reizen naar België, Duitsland en naar Nottingham in Engeland en deelname aan het internationaal bekende koorfestival Eisteddfod in Wales, waarbij velen van ons hun luchtdoop kregen. Het is eigenlijk teveel om op te noemen. Het was een zeer drukke tijd voor Jan en de andere bestuursleden maar hij deed het graag voor zijn koor. Ook zette hij zich in om overal waar dat kon subsidies los te krijgen bij gemeente, het rijk of het bedrijfsleven en organiseerde hij ook een grote loterij die een aardig bedrag opleverde en zo werd het voor de leden ook betaalbaar.

Hij durfde het ook aan om componisten te benaderen en nodigde hen uit naar B.o.Z. te komen en ontving ze bij hem thuis. Zijn vrouw Nelly, die door haar gastvrijheid al snel een warm plaatsje had gekregen in de groep van vrouwen van Fortissimo, steunde Jan onvoorwaardelijk.

Henk Badings, Vic Nees en Albert de Klerk vonden zo de weg naar Fortissimo. Hij wist zelfs de tekstschrijver van Polnischer Winter vanuit Hamburg naar hier te krijgen al moest hij later bekennen dat die laatste drie dagen bij hem in huis logeerde en nauwelijks van zijn kamer kwam! Maar Jan nam dat allemaal op zich zonder te mopperen. Petje af hoor !!

Hij ontmoette bij het AGEC concert in Den Haag zelfs samen met Wim Steenbak koningin Beatrix persoonlijk.

Toen Jan halverwege de tachtiger jaren aangaf het stokje te willen overdragen snapten we dat allemaal maar hij bleef zijn best doen voor zijn club en hij draagt ons nog altijd een warm hart toe en is onze grootste fan.

Ik weet dat ik een heleboel dingen niet heb opgeschreven maar ik hoop dat een aantal nieuwe leden misschien een beetje begrijpen wat Jan Hendrickx voor Fortissimo heeft betekend. Jan, we hopen je snel weer te zien! Nogmaals dank voor al je inspanningen voor Fortissimo.

Een fan van je

P.S. Ik ben maar een keer kwaad op je geweest en dat was in Huijbergen toen we een Ceciliafeest bij Nico Boere hadden gehad en de vrouwen en mannen op de slaapzalen van het internaat mochten blijven slapen. Wij, de mannen, wilden naar de vrouwenzaal om een nachtzoentje te brengen maar dat wilde jij beslist niet en hield ons met geweld tegen. Wat we ook probeerden, je was niet te vermurwen. Hoe kwaad we ook waren! Maar nu heb ik je vergeven hoor.

 

Van Ad

Stadsgids Jannie

Bergen op Zoom,  garnizoensstad

De oudere Bergenaren weten zich het vast nog wel de militaire lesauto’s te herinneren, die door de stad reden vanuit de Cort Heyligerskazerne. Een laatste stuiptrekking van een verleden als garnizoensstad.
Ons eigen volkslied, “Merck toch hoe sterck“,  herinnert ons aan de periode waarin de eerste soldaten in de stad gelegerd werden: de 80-jarige oorlog.  Bergen op Zoom werd meerdere malen belegerd door de Spanjaarden, maar met de hulp van de Staatse legers lukte het de Spanjaarden niet om de stad te veroveren.
En nog steeds zijn er veel gebouwen die aan een militair verleden herinneren.
De oudste militaire gebouwen zijn de blokstallen en het Groot- en Klein Arsenaal, nodig voor het stallen van de paarden, de opslag van wapens , kleding enz.
Je zou misschien verwachten, dat de oudste militaire gebouwen kazernes geweest zijn, maar soldaten werden  tot ver in de 18e eeuw ingekwartierd bij burgers. Toen er te veel soldaten in de stad waren om ze bij burgers thuis in te kwartieren, richtten die woonkazernes in. Een aardige bijverdienste!
De eerste (houten) kazernes werden in 1794 gebouwd; de periode dat de Republiek in oorlog was met Frankrijk. Er waren 6000 soldaten in de stad tegenover 5000 inwoners. Het stadsbestuur besloot kazernes te bouwen om de soldaten in onder te brengen. Later werden de soldaten gehuisvest in “echte” kazernes, zoals de Oranje Nassaukazerne op de Korenmarkt en de Wilhelminakazerne.
Ook het Markiezenhof heeft lang dienst gedaan als militair hospitaal en kazerne.

De Oranje Nassaukazerne

Een markant gebouw in de binnenstad is het Gouvernementsgebouw. Dit werd in 1770 gebouwd als woning voor de militaire opperbevelhebber, de Gouverneur en deed later o.a. dienst als militair hospitaal.
Waar veel militairen samen zijn, loopt het ook weleens uit de hand en dan werd de boosdoener naar de militaire gevangenis gebracht: het Provoosthuis. Het dankt zijn naam aan de Provoost Geweldiger, het hoofd van de militaire gevangenisstaf. Overigens is deze tijdelijk gevestigd geweest in de Geweldigerstraat. U weet nu waar de naam van deze straat vandaan komt!
Maar de militairen hebben meer sporen achtergelaten in onze stad. Om er een paar te noemen: de horeca profiteerde van de wekelijkse donderdagse stapavond van de militairen, een aantal sportclubs zijn ontstaan door de aanwezigheid van de militairen, het Concours hippique ontstond en floreerde door de aanwezigheid van de militairen.
Bergen op Zoom is een stad vol muzikale talenten. Natuurlijk is de invloed van de  kerkelijke muziek hierbij niet te onderschatten, maar ook de militaire kapellen hebben hun steentje bijgedragen aan de muzikale ontwikkeling van de Bergenaar. Mooi is het dan ook dat onze muziekschool, een van de grootste van ons land, gevestigd is in wat voorheen de Wilhelminakazerne was.
De militairen zijn verdwenen, maar de herinneringen zijn verankerd in onze stad!

 

Van Bas

MIJN MOLENWERELD, deel 5.

Mijn vorige verhaal ging over verfmolen De Kat. Het was nog net niet helemaal af. Ik gebruikte eigen foto’s en ik leende foto’s en er was een link naar een youtube filmpje. Maar ik vertelde dat ik in 2004 op de Zaansche Schans was met mijn toenmalige molen leerling èn met mijn buurman. Hij maakte foto’s en ook filmpjes. Een van die filmpjes wil ik, met grote dank aan Fred voor zijn medewerking, als toetje nog aan het vorige verhaal toevoegen.
Eerst nog 6 seconden een andere molen, maar de rest is De Kat. Het is kort, maar wij (= mijn leerling en ik) figureerden als “hoofdrolspelers”…..

https://mannenkoorfortissimo.nl/wp-content/uploads/2021/03/2004-09-11-a.-Verfmolen-De-Kat.mp4

Verder maar weer op onze molenreis.
Vandaag gaan we op bezoek bij de buurman van Verfmolen De Kat.
Dat is Oliemolen De Zoeker…………….

Het zal niet zo moeilijk zijn om te ontdekken dat in een oliemolen olie geproduceerd wordt. Heel bekend is lijnzaadolie of lijnolie. Deze olie wordt uit de zaden van vlas gehaald.

Vlas is voor heel veel zaken bruikbaar…… maar dat is misschien een leuk klusje voor Fred om dat aan ons uit te leggen?

De molenaar gaat de olie uit de zaden halen.
Dat is een lastig karwei, omdat de zaadjes behoorlijk hard zijn.
Daarom gaan ze eerst op het doodbed van de kollergang. De bedoeling is dat de zaadjes behoorlijk gekneusd worden door de rondgaande kantstenen. Jullie zagen eerder al in de verfmolen zo’n zelfde apparaat…

Ondertussen is er een kachel aangestoken met de naam “het vuister” . De molenaar gebruikt daar turf of hout voor. Hij moet reuze goed oppassen dat er geen vonken ontstaan, want die kunnen voor een houten molen zeer funest zijn. Omdat deze vuister geen kachelpijp heeft die rookgassen naar buiten afvoert…… we leven in molentermen gezien nog zo’n 200 of 300 jaar vroeger…. gaat alle rook gewoon de molen in en het hout van de bouw en alle raderen zijn dan ook met roet bedekt.

Het vuister is een gemetselde bak en is afgedekt met een ijzeren plaat die er aan één kant een beetje uitsteekt en in dat deeltje zitten 2 gaten.

Op de ijzeren plaat staat een vuisterpan of vuisterring (want er zit geen bodem in) en boven die pan hangt het roermes. De molenaar hangt 2 zakjes onder de hierboven genoemde gaten.
Nu gaat  “het werk” echt beginnen……..
…..er is voldoende gekneusd lijnzaad bij de kollergang,
…..de vuisterplaat is warm genoeg,
…..de molenaar vult de pan met gekneusd lijnzaad,
…..hij zet het roermes “in zijn werk” , op windkracht,
…..hij voelt voortdurend hoe warm de inhoud wordt,
…..voldoende warm?
…..dan schuift hij de pan naar de 2 zakken, die officieel “bulen” worden genoemd
…..elke buul wordt ingepakt in een “haar”

….de 2 “haren” gaan in een slagbank
….het persen kan beginnen

Op de schematische tekening hierboven zien jullie de (gele) slagbeitel en een (rode) losbeitel.
De molenaar hoort wanneer de slagbeitel muurvast zit en zijn werk gedaan heeft en maakt dan met de losbeitel alles weer los. Dan gaat het werk weer verder
…..de bulen worden uit de slagbank gehaald,
…..de haren worden uit de bulen gehaald,
…..de haren worden “gestroopt”  oftewel leeggehaald,
….dat overschot heet “lijnkoek”

….die worden weer fijngestampt en dat gaat een tweede maal het hele proces door. Iets warmer en er komt nog weer wat olie uit.
Jullie zullen het meteen snappen:
De eerste gang wordt voorslag genoemd en de olie eerste slag olie en de tweede de naslag.
De eerste olie is de beste en de duurste.
De lijnkoeken na de tweede persing zijn nu veekoeken geworden en gaan inderdaad naar het vee.
In 2004 was ik dus op deze molen en op dat moment werden er pinda’s verwerkt. Ook van dat bezoek heb ik een kort “filmpje-door-de-buurman”.  Hieronder de link, want Fred heeft er voor gezorgd dat jullie het kunnen zien:
https://mannenkoorfortissimo.nl/wp-content/uploads/2021/03/2004-09-11-b.-Oliemolen-De-Zoeker.mp4
In de eerste afleveringen van mijn molenverhaal hebben we het gehad over de “motor” van de molen. Hier was het dus de wind die alle energie leverde. We waren immers op De Zoeker en dat is een windmolen. Maar het kan ook anders.
Bijvoorbeeld in het Openluchtmuseum in Arnhem. Daar staat een oliemolen en daar heeft een paard de energie geleverd. Hier een rosmolen dus (en ik vertel er even stiekem bij, dat men de kollergang dmv een elektromotortje laat rondgaan. Bovenop is een projector gemonteerd en die projecteert een paard op de muur en omdat de kollergang rondgaat…. gaat het paard rond.)

…..nog een fraai voorbeeld

Er bestaan ook oliemolens die door waterkracht worden aangedreven.

Ik heb in een van mijn vorige bijdragen gesproken over de Kilsdonkse watervluchtmolen.
Ook daar is een oliegedeelte. En waar slaan zij de olie uit? Uit walnoten. Walnotenolie dus.
Ach in principe kan elk oliehoudend zaad benut worden.
Jullie hebben onze amateurfilmpjes van De Kat en De Zoeker kunnen zien.
Ik heb er ook een meer professionele versie van gevonden op Youtube.
Het filmpje vraagt veel van jullie tijd. Wel 11 minuten. Het eerste deel is wel erg interessant, maar vanaf het punt 6.40 min. is de werking echt goed te zien. Misschien sla je dan het eerste deel over.
Gebruik onderstaande link:
Oliemolen De Zoeker op Youtube: https://www.youtube.com/watch?v=GsxgOLPTPFQ

Dit was opnieuw “werken in de molen” . Machtig om te zien en mooi om mee te maken.
Volgende keer weer een andere molen, want onze verre voorouders waren zeer inventief.

 

Van Clemens

Fauré.

Lange tijd dacht ik, als niet-Bergenaar, dat de Faurestraat een verkeerd gespeld woord was: het zou Fauréstraat moeten zijn, vernoemd naar een bekende Franse componist. Maar het boek ‘Beknopte historie van de stad Bergen op Zoom, Johan Faure, een geschiedenisboek uit 1761’ leerde mij dat de naam Faure van de Faurestraat die van Johan Faure is. Hij was afkomstig uit het Franse Orange en vluchtte naar Bergen op Zoom als vervolgde Hugenoot. Hij was bij zijn overlijden in 1759 uiteindelijk raadsheer van de Markies van Bergen op Zoom. Probleem opgelost.

Nu naar Fauré. Er zijn een tweetal stukken van hem die wij als koor en een aantal van ons in samenwerking met een ander koor, hebben gezongen. Zo is de ‘Cantique de Jean Racine’ bij herhaling door ons, dikwijls samen met Mea Dulcea uitgevoerd en, ik meen in Kalmthout (B.), hebben enigen van ons medewerking verleend aan de uitvoering van het populaire ‘Requiem’ met de bekende aria ‘piu Jesu’ (vrome Jezus).

Ik wil in wat volgt jullie iets vertellen over de componist Fauré en wat meer stilstaan bij de ‘Cantique’.

Wikipedia biedt een uitgebreide beschrijving van het leven en de werken van Gabriel Urbain Fauré (1845-1924). Zonder een uitgebreide herhaling te geven van wat je in Wikipedia (wat een uitvinding!) kunt aantreffen geef ik hier wat saillante details.
Gabriel Fauré is op 12 mei 1845 geboren in het plaatsje Pamiers in het departement Ariège in Zuidwest-Frankrijk als de jongste van zes kinderen. Zijn vader was onderwijzer en later directeur van een kweekshool. In de eerste vier jaar van zijn leven zou hij bij een pleegmoeder hebben doorgebracht, daarna bij zijn eigen ouders. Het waarom van dit alles is niet bekend. Hij zou in latere jeugdjaren hebben gespeeld op een harmonium in een plaatselijke kapel. Een blind oud vrouwtje hoorde dit aan en vertelde Gabriels vader dat zijn zoon aanleg voor muziek had. Een lid van de Nationale Assemblé die Fauré hoorde spelen raadde de oude Fauré aan zijn zoon aan te melden voor een opleiding in de muziek. Zo belandde hij al op negenjarige leeftijd in de toen beroemde École Niedermeyer te Parijs. Hij is daar elf jaar gebleven, ondanks de troosteloze kamers, het matige eten en strenge regime. Niettemin was het muziekonderwijs uitstekend. Gabriel Fauré heeft verschillende prijzen in de wacht gesleept aldaar. Het door ons gezongen ‘Cantique de Jean Racine’ was z’n compositieprijs die Fauré won op 19-jarige leeftijd.

Fauré was een vrouwenjager. Ondanks zijn huwelijk en de geboorte van twee zoons (een werd een wereldberoemd bioloog en de jongste werd schrijver, onder meer van een biografie over zijn vader) had hij vele andere vrouwen. Er heeft in zijn latere jaren, toen hij een gezien componist en directeur van en conservatorium was, de roddel bestaan dat zijn (meest begaafde) leerlingen onechte kinderen van hem zouden zijn. Dit is echter nooit bewezen. Tijdgenoten beschrijven hem als een voor vrouwen uiterst aantrekkelijke man.

Hij heeft tot ongeveer zijn 45-jarige leeftijd, geld bij elkaar gesprokkeld door muzieklessen. Zijn composities brachten hem weinig inkomen op. Hij is in 1887 met zijn – later beroemde – Requiem begonnen en voltooide het in 1901, na allerlei revisies en uitbreidingen.
Zijn financiële positie verbeterde doordat hij vaste aanstellingen als onder meer vaste organist en uiteindelijk als hoofd van het Parijse Conservatorium kreeg. Ook werd hij steeds meer (ook internationaal) bekend als componist. Eigenlijk was Fauré in zijn leven meer met allerlei activiteiten bezig die hem geld konden opleveren dan met componeren. Het laatste deed hij tijdens vrije tijd en vakanties.
Zo rond de eeuwwisseling werd Fauré overvallen door ernstige gehoorstoornissen. Hoge en lage tonen klonken hem als vals in de oren.
Als ‘conservatoriumbaas’ haalde hij de bezem door het eigenlijk conservatieve instituut. Muziek uit de renaissance en van Debussy mochten ook worden behandeld. Een beroemde leerling van hem was Maurice Ravel.
Zijn laatste werk was een strijkkwartet, dat hij in 1924 afrondde. Hij overleed op 4 november 1924 op 79-jarige leeftijd in Parijs, ten gevolge van een longontsteking.
Er zijn binnen Spotify, Tidal en YouTube verschillende uitvoeringen van allerlei muziek van hem te vinden. Musicologen vinden dat hij veel bijgedragen heeft aan vooral de Franse liedkunst, die al vele jaren werd gedomineerd door Duitstalige componisten (o.m. Schubert, Schumann).

Tot slot nog iets over de ‘Cantique de Jean Racine’. Dit stuk is een jeugdwerk van Fauré (19 jaar!) waarmee hij een prijs won maar waarmee hij nauwelijks iets heeft verdiend. De tekst is afkomstig van een vertaling door Jean Racine (1639-1699) van een hymne uit een Rooms-katholiek brevier. Racine is een beroemde figuur uit de Franse literatuur, vooral bekend als toneelschrijver (o.m. ‘Phèdre’, ‘Andromaque’).
De oorspronkelijke tekst is Latijn, wij zingen de Franse vertaling. De muziek is vooral Romantisch, met een lichte vleug van ‘moderniteit’. Musicologen geven aan dat Fauré steeds zijn eigen stijl behouden heeft: in al zijn stukken zijn aanwijzingen van romantiek vermengd met (toen) nieuwe muzikale inzichten.
Ik hoorde onlangs een schitterende uitvoering van de ‘Cantique’ door Cappella Amsterdam, onder leiding van Daniel Reuss. Die is ook op hun website te beluisteren (www.cappellaamsterdam.nl).

 

Van Fred

Op het gevaar af dat er lezers zijn die nu afhaken:

Ik wil het deze keer hebben over spinnen.

Hoe zou het toch komen dat veel mensen bang zijn voor spinnen. Zeer waarschijnlijk zit dit in de genen van de mens en dat gaat waarschijnlijk terug tot de eerste homo sapiens en misschien nog wel verder. Er zijn proeven gedaan met baby’s aan wie foto’s werden getoond van allerlei beesten. Bij het zien van spinnen verwijdden de pupillen, terwijl dat bij alle andere soorten niet het geval was.
Enorme, meer dan handgrote spinnen zitten hier niet en spinnen zijn, althans in onze streken, niet gevaarlijk. Sterker nog, het zijn erg nuttige beesten die ons verlossen van heel veel, mogelijk, schadelijke insecten.
Er is sprake van een spinnenfobie als de angst het normale functioneren in de weg staat. Een dat komt vaak voor. Psychologen hebben er therapieën voor om je daarvan af te helpen. Veelal met succes.
Voor alle zekerheid plaats ik alle foto’s die bij dit verhaal horen helemaal aan het eind. Bij sommige mensen speelt de angst ook op als ze een afbeelding van een spin zien, vandaar.
Ik heb er zelf geen last van. Op mijn trektochten ga ik vaak dwars door het struikgewas en voel dan de spinnendraden in mijn gezicht en de spinnen op mijn hoofd. Een kam door het weinige haar en klaar is kees.
Spinnen in huis kunnen nuttig zijn, maar ik zet ze toch maar buiten. En, ik beken het maar, die hele grote zwarte huisspinnen, die je over de vloer kunt horen lopen, vang ik toch maar in een potje.

Zeker, spinnen zijn giftig, maar de hier voorkomende niet voor de mens als ze die al zouden bijten. Maar als het gebeurt komen ze over het algemeen niet door de huid heen en als dat wel het geval is, geeft dat niet meer dan het gevoel van een prik door een brandnetel.
Behalve…… de Zwarte Weduwe. Een Amerikaanse spin die in Nederland enkele keren is aangetroffen. Als die in het nauw gedreven wordt en toebijt ontstaan allergische reacties. In Amerika overlijden ieder jaar mensen aan zo’n beet.
Misschien zien spinnen er voor veel mensen wél angstaanjagend uit met de harige poten en vele ogen. Ook de jachtwijze, vaak met behulp van een web spreekt tot de verbeelding. En, maar dat weten de meeste mensen niet, vrouwtjes van sommige soorten eten na de paring het mannetje op. Dat hebben we bij andere soorten, die minder angst aanjagen, ook gezien. Sterker nog, de bidsprinkhaan begint het mannetje al tijdens de paring op te eten.

In West en Midden Europa komen meer dan 1000 verschillende spinnensoorten voor, in Nederland ongeveer 600. Ze behoren, net als de insecten, tot de geleedpotigen. Insecten hebben zes poten, de spin heeft er acht. Krabben behoren trouwens ook tot de geleedpotigen.
Spinnen zijn er in enorme aantallen. In een wei kunnen wel een half miljoen exemplaren per hectare zitten. Het schijnt dat het totale gewicht van alle insecten die door spinnen worden gegeten per jaar meer bedraagt dan het gezamenlijk gewicht van alle mensen in Nederland.
Spinnen hebben zes of acht enkelvoudige ogen. Dat wijkt nogal af van de facetogen van een insect. Het lichaam bestaat uit twee delen. Aan het voorste deel, het kopborststuk, zitten de poten, de tasters en de gifkaken. Het achterlijf bevat de interne organen en de spinklieren en -tepels.
De indeling van de soorten is gebaseerd op de stand van de gifkaken: recht vooruit of in de vorm van een tang. De meeste spinnen horen tot de laatstgenoemde.
Veel spinnen maken met hun spintepels een wielweb. Het prototype van een spinnenweb. Het web dient voor het vangen van voedsel. De Kruisspin is de meest bekende spin die een wielweb maakt. Dit is de spin waartoe ik mij voor een wat meer gedetailleerde beschrijving beperk. Hij komt in de meeste tuinen voor, is niet de meest voorkomende, maar wel de meest opvallende. Over elke soort spin is van alles te vertellen, het leest als een spannend jongensboek, maar we houden het maar even op de Kruisspin.

Je ziet hem keurig in het midden van het web zitten, maar als er een insect in het web vliegt is hij (of zij) er razendsnel bij om het te bijten en in te kapselen. Hij voelt aan zijn poten waar de prooi zich bevindt. Als het overdag te warm wordt verlaat de kruisspin het midden en verbergt zich ergens. Waar? Kijk naar het centrum van het web, volg de afwijkende draad -de signaaldraad- en je vindt de spin. Inderdaad signaaldraad, want zodra er een insect in het web terecht komt voelt de spin dat en rept zich langs die draad naar het midden van het web. Daar strekt hij zijn poten en voelt dan direct waar haar maaltje zit. Hij spoedt zich daarheen, bijt de prooi en spuit gif in, waardoor deze wordt gedood of verlamd. Daarna wikkelt hij de prooi in met kleefdraden die hij met zijn achterpoten uit de spintepels trekt. Daarna spuit hij verteringsenzymen in, zodat hij de prooi leeg kan zuigen. Handig, want spinnen kunnen niet kauwen.
De kruisspin eet zowat alle insecten, ongeacht het formaat. Zelfs een wesp of een libelle kan hij aan. Heel vreemd, een hooiwagen pruimt hij niet en ook de harlekijnvlinder staat niet op het menu.

Door het gedoe met een prooi of door de wind kan een web zwaar beschadigd raken. Geen nood, want een webspin maakt met gemak elke dag een nieuw web. Dat gaat erg ingenieus. Het begint met een draagkabel, daarna volgen “waslijnen” en spaken. Vervolgens vanuit het middelpunt een tijdelijke hulpspiraal ter versteviging. Daarna vanuit de buitenkant naar binnen het uiteindelijke vangweb van kleverig spinsel. Bij het maken daarvan wordt de hulpspiraal opgegeten. Dit alles kost de spin minder dan een uur tijd. Over het algemeen is de spin niet in staat om een web te repareren. Hij maakt gewoon een nieuwe.
Hoe hij dat moet doen zit bij het dier in de genen, het instinct. Hij heeft het niet kunnen afkijken van zijn ouder, want die heeft hij nooit gezien.

De voortplanting is een verhaal apart. Ik houd het weer even bij de Kruisspin. Het is een riskante onderneming. Het vrouwtje is veel groter dan het mannetje en als hij onaangekondigd haar web binnen zou gaan is hij reddeloos verloren. Dat doet hij dus niet. Hij spint een aantal draden, één waarop de paring moet plaatsvinden, één om te kunnen ontsnappen en één seindraad. Hij trekt aan de seindraad om zijn aanwezigheid te laten blijken. Hij zit dan klaar om zijn veiligheidsdraad te laten vallen als het vrouwtje hem wil aanvallen. En bij de eerste keer zal zij dit meestal doen. Pas na een aantal pogingen laat zij hem toe. Het mannetje neemt zijn sperma in het holle laatste kootje van een taster en brengt dat zo in bij het vrouwtje. Daarna maakt hij dat hij wegkomt.
Slachtoffers bij de mannetjes vallen pas laat in de herfst, als hij bijna aan het eind van zijn Latijn is. Letterlijk, want hij heeft dan met veel vrouwtjes gepaard. Door zich op te laten eten dient hij nog als voedsel voor de eieren die hij zelf heeft bevrucht.
De bevruchte vrouwtjes zijn in oktober aan het eind van hun leven. Ze verlaten hun web en leggen hun eieren in een coconspinsel dat zij ergens verstoppen.

Er zijn veel soorten webbouwende spinnen. Ze bouwen op evenzoveel verschillende manieren. Hoe de Kruisspin, een wielwebspin dat doet staat hierboven beschreven. Andere webbouwende maken trechters, hangmatten e.d. Vaak zie je in de herfst complete tapijten web over een veld liggen.
Het web is een vangmiddel, daarnaast maken veel spinnen struikeldraden. Er zijn er ook die vangdraden of netten over hun prooi gooien. Geavanceerde jachtmethoden om een groot oppervlak te bejagen en een prooi zonder gevaar te bemachtigen.
De meeste spinnen leggen druppels kleefstof op hun web. Andere een heel dun kleverig spinsel op de draden van het web. Komt daar een prooi in die zich gaat losworstellen, dan is het einde in zicht. Hij spint zichzelf in.
Er zijn niet veel soorten, behalve de mens, die vallen zetten om prooi te vangen.

De spinnen die geen web maken, hebben tóch spintepels. Ze gebruiken die o.a. als “reddingsdraad” die ze achter zich aan slepen en die ze ergens aan vast kunnen maken om zich te laten zakken. Weg van het gevaar. De spin trekt de spinseldraad zelf uit de spinseltepels en eet de draad ook weer op, als het zo uit komt. Met de draad laten ze zich vangen door de wind en zo meevoeren. Men heeft op 10km hoogte spinnen aangetroffen. Of ze terecht komen op een plek waar ze kunnen overleven? Niemand weet het.
Veel soorten maken dus geen web. We zijn dan bij de strek-, ren-, tril, krab- spring- en wolfspinnen aangeland. Het zijn allemaal uitstekende jagers, die de bodem of vegetatie afstropen. Ze herkennen hun prooi met de ogen of doen het op de tast. Er zijn spinnen die rondom kunnen kijken.
Ook over deze soorten zijn spannende verhalen te vertellen.
Verschillende krabspinnen bijvoorbeeld passen hun kleur aan de omgeving aan. De Krabspin-man bindt het vrouwtje vast voordat er gepaard wordt. Veiligheid vóór alles. Zouden sommige mensen dit hebben afgekeken van deze spin?
Springspinnen zijn echte jagers. Ze besluipen hun prooi en springen er bovenop wanneer ze dicht genoeg zijn genaderd. Springspinnen zitten veel in tuinen en komen regelmatig op tuintafels. Net alsof ze nieuwsgierig zijn.
Het mannetje van de Wolfspin vangt een insect en geeft dat aan het vrouwtje. Terwijl zij het maaltje verorbert maakt hij van de gelegenheid gebruik om met haar te paren. Het vrouwtje van de wolfspin draagt de eicocon een tijdlang met zich mee.

De laatste jaren wordt de Tijger- of Wespspin regelmatig aangetroffen. Deze soort kon ik voorheen alleen maar in Frankrijk vastleggen. En nu, in de zomer van 2020, in mijn achtertuin. Waarschijnlijk is de spin door klimaatverandering opgeschoven naar het noorden. Het is een grote spin, een webspin, met een bijzonder web. Er zit een soort ladder in geweven. Het beest heeft een prima afschrikwekkende kleur, die predatoren zal afschrikken, want het patroon doet inderdaad aan een wesp denken. Deze spin maakt ook een cocon voor de eieren. Een met prachtige kleuren.

Spinnen worden in hun voortbestaan bedreigd doordat hun leefgebied door mensen verstoord wordt. In een weiland waar geen insecten zitten (Engels raaigras) zullen we geen spinnen aantreffen. Spinnen zijn vleeseters, dus als er geen insecten zijn, zie je ook geen spinnen.
En gelukkig zijn spinnen op hun beurt voer voor vele vogelsoorten.

Insecten zijn onderwerp van onderzoek en staan door onderzoek, met name in Duitsland, volop in de belangstelling. Er wordt veel minder onderzoek gedaan naar spinnen, hoewel het nu langzaam op gang komt. Als insecten het moeilijk hebben, dan zal het bij de spinnen niet veel anders zijn.

Let op, hierna begint het fotoalbum.

Om te beginnen de Zwarte Weduwe. Een spin die enkele keren is aangetroffen en die, zoals alle spinnen, gift kan inspuiten.
Dit is de enige foto die ik niet zelf heb gemaakt:

De Bonte Springspin. Veel haar en veel ogen.
Dit is een jagende spin die zijn prooi tot dichtbij besluipt en er dan bovenop springt:

Kruisspin. Het prototype van een wielwebspin:

Draagkabels:

Eén van de andere webben.
Zoek de spin…

En nog een web:

Herfsthangmatspin vangt Rododendroncicade:

Een van de kogelspinnen, geen Nederlandse naam:

Tussendoor een stilleven in de winter:

Nog een Kruisspin. Een Hommel is geen probleem voor hem:

Een venstersectorspin:

Theridium ovatum. Geen Nederlandse naam. De vlieg wél. Dit was een vleesvlieg:

Een Kraamwebspin:

Een Kameleonspin is een krabspin, een jagende spin. Hij neemt de kleur van de omgeving aan:

Dit is ook een Kameleonspin:

Hieronder zie je hoe een Bont Zandoogje door een Krabspin wordt gepakt.
Let bij de eerst foto op de poot van de spin bij de kop. Ik ging voor de vlinder, niet voor de spin. Maar als je dit kunt vastleggen heb je geluk……

Een Moswolfspin:

Tenslotte de Tijger- of Wesspin. Typisch is de zigzag in het web:

Die kan gemakkelijk een libelle aan, zoals op deze foto is te zien:

En deze:

De poten voelen, zoals bij alle webspinnen, waar de prooi zich bevindt:

Onderkant met spintepel:

Cocon met eitjes:

Tenslotte, tenslotte.
Hier nog een paar foto’s van de cocon van een Lantaarnspin.
Dit vind ik echt erg mooi.
De eitjes zitten veilig bovenin. Als ze uitkomen vallen ze onderin en als ze eraan toe zijn bijten ze zich naar buiten en laten zich aan een zelfgesponnen draad meevoeren door de wind. Dát heb ik nog niet kunnen vastleggen. Geduld, geduld, en geluk.

 

 

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 31

 

 

Van Ben

Ja, ja we bloeien weer op…….

Gaat het allemaal wel goed met die voorzitter van ons? Is ’t ie een bietje van het padje? De vastenavond is al lang voorbij. Het is zondag al Halfvasten!
Ja, beste leden, dat laatste klopt, maar wat daarvoor allemaal gedacht werd is hopelijk toch niet waar!
Ik wil alleen maar zeggen dat er zelden een vastenavondmotto was dat ook na het feest zo’n impact heeft op de gehele samenleving.
Het deed het gehele bestuur dan ook goed dat er zo positief op de ledenraadpleging gereageerd is. Uit de reacties kon je immers ook lezen: ja, we willen en zullen weer opbloeien.
Kristin meldde ons dat er in België weer 8 mensen buiten bij elkaar mogen komen. Ik moest gelijk denken aan onze Welkomdag vorig jaar augustus: in groepjes van acht fietsen en zingen! Maar, ja, in ons land is 4 personen het maximum.

 

En toch, goede vrienden en vriendinnen moeten we dit beschouwen als een eerste aanzet tot “opbloeien”. Als bestuur zijn we de grond aan het omploegen en wordt er binnenkort gemest. Wat ons betreft kunnen de “Fleurs des Blés” dan weer gaan bloeien. Het zal nog wel een paar maanden duren, maar dat heeft nu  ook zijn voordelen. We zijn dan immers, gezien onze leeftijd, allemaal reeds een of tweemaal gevaccineerd.

Fortissimo bloeit dan weer op!
Hopelijk gaat het jullie allemaal goed met dat vooruitzicht.

 

Van René

Betreft puzzeltje vorige week :

Het is inderdaad in Colmar, een gebouw uit de 15e eeuw en later meermaals verbouwd. Het was vroeger een opslag- en bewaarplaats voor alle goederen die via Colmar verhandeld werden en waar belasting over werd geheven.
Het wordt daar Koifhus genoemd, ofwel Ancienne Douane (oude douane). Het is gelegen aan de Grand Rue en sinds ons bezoek en concert aan, zoals Cees het noemt : “Het Marktje van Colmar “ . Een leuke vertaling !
Ook Wim had het natuurlijk goed. Ik denk zomaar dat hij de initiatiefnemer is geweest om daar een mini-buiten-concert te verwezenlijken.
En met succes !. Het werd steeds drukker op de trap en steeds drukker op “het marktje “.
De sfeer was heel ontspannen en de nummers klonken geweldig. Het leverde zelfs verkeershinder op.

Waarschijnlijk is het idee geboren in de tegenovergelegen Ierse Pub ??!!

Interessant is nog te vermelden dat daar in april 1771 ene Jean Rapp is geboren. Uiteindelijk is hij generaal geworden in het keizerlijke leger van Napoleon.
Dat doet me dan onmiddellijk denken aan :
Jean Rapp et son copain, ofwel : Jan Rap en z’n maat :

 

 

 

 

 

 

Slag bij Austerlitz, het huidige Slavkov u Brna in Tsjechië.
Alwaar 75.000 Franse soldaten het moesten opnemen tegen 90.000 Oostenrijkse en Russische soldaten.
Maar de Fransen hebben wel gewonnen !
Het volgende puzzeltje is al heel wat langer geleden, maar ………………….
Wat was/is dit en wat weet je erover te vertellen?

 

Van Bas

MIJN MOLENWERELD, deel 4.

Met de volgende woorden sloot ik mijn vorige bijdrage aan KOORonaNIEUWS af:

“En tot nu toe hebben we nog steeds niet met de molen gewerkt.
Niet buiten en niet binnen.
Volgende keer dan maar.
Voor nu een prettige en fijne en gezonde vakantie.”

Ik moet jullie echt eerlijk bekennen, dat ik na die “prettige en fijne en gezonde vakantie” toch geen puf in mijn lijf had om weer verder te gaan met schrijven. En ik zou nog wel, tenminste dat was het plan, willen vertellen wat je met al die reeds beschreven spierkracht van mens en dier en de krachten van stromend water of die van de wind zou kunnen doen. Sorry, ik had geen goesting meer en toch gaat het er nu van komen….. want ik kreeg een aanwijzing. Door het programma “Het geheim van de meester” op de TV.

Misschien zeggen de meesten van jullie wel:
“Werken met de molen?
Dat is toch graan vermalen tot meel.”
Kijk maar in onze wijde omtrek…..allemaal korenmolens……bergmolen De Twee Vrienden op Borgvliet; de bergmolen Sancto Antonio in Halsteren; De Arend in Wouw;

 

enzovoorts, enzovoorts.

als hommage aan onze dirigente Kristin:
De Bakkersmolen….

Maar allemaal korenmolens !!!!!                                                                                           Oh ja, ook nog De Zwartenbergsemolen in Etten Leur…..maar (let op) die maalt geen graan….hij maalt water uit de polder….het is dus een poldermolen. …..ofschoon …voor eigen gerief had de molenaar een kleine maalstoel op een zolder ingebouwd….dus toch een klein beetje graanmolen.

Wat was nou de hint die ik kreeg van het TV programma?
Eèn van de presentatoren wilde enkele verf-pigmenten te pakken krijgen en…..ging op bezoek bij
Verfmolen De Kat

op het Museumcomplex De Zaansche Schans. Beroemd en indrukwekkend en druk bezocht complex in de Zaanstreek. Vroeger was de Zaanstreek een industriegebied bij uitstek.
En de motor was….. de molen.
Ik heb hier 2 plaatjes bijgevoegd die laten zien hoe druk het was met molens……
In Alkmaar bijvoorbeeld:

Dit is een beeld van Rotterdam in ongeveer 1784:

De Zaanstreek kende in zijn hoogtedagen ruim 600 industriemolens.
Vandaag in het zonnetje dus de verfmolen, waarvan er ongeveer 50 stonden.

Daar, in die schuur met daar bovenop een windmolen, gebeurt heel wat. Vanaf 1989 mocht ik al molenaar zijn op de korenmolen in Krabbendijke en had daar elke zaterdag hulp van twee enthousiaste knulletjes en in 1991 gingen Truus en ik met die jongens naar de Zaanstreek en in 2004 was ik er weer op bezoek. Samen met een molen leerling en mijn ook geïnteresseerde buurman, die gelukkig dol was op foto’s maken.
Verfmolen “De Kat”op Youtube:  https://www.youtube.com/watch?v=v0HKgoxdPoM

Kijk door uw oogwimpers naar de foto……..
er is wind…….
de molenaar heeft alle 4 de zeilen bijgezet…….
de wieken zullen draaien…….
de bijna horizontaal liggende molenas in de kap draait mee…….
de draaiende beweging wordt middels een bijna haakse hoek naar beneden gebracht tot in de schuur…..
daar staan diverse machines…..
die ook hun werk gaan doen…
als de molenaar ze tenminste inschakelt.

In deze molen zijn krijt en bepaalde houtsoorten de grondstoffen.
Bijvoorbeeld Brazielhout of pernambukhout. Het hout is oranje van kleur en verkleurt door blootstelling aan lucht en licht tot donkerrood. Als het in de molen helemaal tot poeder is verwerkt, is het een verfpigment.
Grote brokken krijt worden fijngemalen en dat wordt bijvoorbeeld gebruikt op sportvelden.

Deze brokken worden met de kruiwagen naar de kollergang gebracht. Een kollergang bestaat uit 2  zogenaamde kantstenen, die wel 3000 kilo per stuk kunnen wegen.
Hier staan mijn jeugdige enthousiaste knullen uit Krabbendijke bij de kollergang van De Kat.


deze kollergang werkt met als aandrijfkracht ….wind!!!!

het krijt wordt
geplet en
fijn gewreven

onder 2 foto’s die bij elkaar passen.
De bovenste foto op de verdieping en de onderste op de begane grond.
Op de bovenste foto de wentel-as mèt nokken en,
achter de as, de stampers.
Op de onderste foto zien jullie de stampers weer
en onderaan zijn beitels gemonteerd.

De 4 lijnen houden de stampers op dit moment “uit het werk”. Als de molenaar even de lijn pakt èn een beetje naar voren haalt is zo’n stamper vrij…….
maar wordt dan boven door een langskomende nok van de wentelas opgetild en weer losgelaten.
4 beitels….. op en neer en op en neer…. kedeng…..kedeng…..kedeng.    Alles op windkracht.

Aan de onderzijde van de kuip zit een tandkrans

……..met een pal (zie witte pijl) wordt steeds een beetje aan de krans getrokken, zodanig dat de kuip, waarin spaanders hout zitten, ronddraait en de 4 beitels steeds weer op een andere plaats vallen en op die manier alle materiaal fijn gehakt wordt, om later op weer een andere kollergang volledig tot poeder wordt gewreven en dat allemaal …..door de wind

Onder een foto die ik geleend heb van de site van deze molen.

Links op de foto zien jullie weer de bovenbeschreven kapperij, maar rechts is de stamperij te zien
De stamperij werd gebruikt voor het verpulveren van het zeer harde amaril. Dit amarilpoeder werd gebruikt voor het slijpen van messen. Ook deze stamperij werkt weer op windkracht.
Rechtsonder is nog net de kollergang voor het krijt te zien. Kruip door sluip door in de molen.

Verkoop vindt plaats in een nostalgisch winkeltje…….
Ook wij keken er rond en konden het niet laten om iets te kopen

 

MOGE U ’T PIJPKE SMAKEN,
EN’T LEVEN U GELUKKIG MAKEN.

Weet u nog? Het pijpenrek. Ik zal eerlijk bekennen dat ik enige tijd een pijproker was en….. ja hoor, ik kocht een stenen pijp in het winkeltje en heb er ook inderdaad uit gerookt.
Ook een 10 cm hoog kruikje met Zaanse Molen Bitter en dat terwijl ik, symbolisch, al mijn hele leven lid ben van AGOVV.                                                      Het kruikje is nog steeds  met rode lak verzegeld en staat te pronken naast mijn computerscherm.
Dit was “werken in de molen” . Machtig om te zien en mooi om mee te maken.
Volgende keer een andere molen.

 

Van Ad

Van stadsgids Willem

OME DAVID IN DE KOEVOETSTRAAT

Okee, het is er niet zo griezelig-spannend als in de Gevangenpoort, of statig-chique zoals in het Stadhuis. Ook is het geen ruimte waar wierook wolkt tussen hoge gewelven zoals in de Gertrudiskerk. Het is er stil en het lijkt of zonlicht bang is om er zomaar binnen te vallen: de Bergse Synagoge in de Koevoetstraat. Er is geen escape-room, maar er valt niet te ontkomen aan een niet al te ver verleden.

Bij binnenkomst passeer je de namen van hen die gedeporteerd zijn en nooit meer Bergen zouden terugzien.
Eén van hen was David van Loon, Ome David van Loon, hoewel hij geen familie was. Huisvriend van bij mijn moeder thuis in de Kettingstraat. Huisvriend én zilversmid, want hij vervaardigde voor mijn moeders verjaardag eigenhandig twee zilveren servetringen. “VOOR MARIEKE, VAN OME DAVID” staat er ingegraveerd. En het jaartal: 1941. Nauwelijks één jaar later zal hij op 11 november 1942 als een van de eersten met zijn koffer op het station staan, eindbestemming Auschwitz.

Nee, in de Synagoge geen barokke beelden, geen levensgrote patriciërs-portretten, maar kleine dingen van kleine burgers. Keppeltjes, kandelaars, een verschoten gebedskleed, een paar servetringen. En veel vergeelde foto`s van mensen die niet konden beseffen wat hen te wachten stond.
Gek genoeg is dat nog steeds niet te beseffen, zelfs na al die jaren niet. Daarom die vitrines vol zwijgende en tegelijk veelzeggende getuigen. En die namen bij de ingang. In steen gebeiteld en dus onvergetelijk.  Daarom is de Bergse Synagoge een monument, het is letterlijk een gedenk-teken.  Een andere wereld in de Koevoetstraat.

 

Van Fred

Dit verhaal gaat over de mol. Niet over “Wie is de mol” of over John de Mol, maar over de mol als zoogdier.
Eigenlijk ook wel over John de Mol, die ook wel een beetje zijn eigen mol is, want hij heeft iets met mediabedrijf Talpa. Talpa is de Latijnse naam voor mol. De Mol is ook de mol van persbureau ANP en, wie weet, ook van Permission Machine het bedrijf dat auteursrechten incasseert van nietsvermoedende bloggers.
Onze mol wordt hierdoor wel in een kwaad daglicht gesteld. Dit, terwijl de mol overwegend in duisternis leeft. Dit stuk zal van weinig foto’s worden voorzien, want ik heb er zelf geen en ik durf ze niet van internet te plukken, omdat ik dan met De Mol te maken krijg en dan bedoel ik niet de Talpa.

Dit gezegd hebbende, dan nu de mol.
De mol is dus een zoogdier. Exclusief de staart is hij tussen 13 en 17 cm lang en weegt tussen 70 en 120 gr. De vacht is voornamelijk blauwachtig zwart en heeft drie soorten haren. Dekharen, wolharen en nog iets er tussenin. De vacht is ondoordringbaar en de huid wordt nooit nat. De haren staan zodanig dat de mol zich in zijn gangen naar voor en achter kan bewegen.
De voorpoten zijn erg groot. Krachtige spieren en stevige sleutelbenen geven hem de kracht om zelfs in kleigrond gangen te graven. Heel apart is dat de sleutelbenen met een gewricht rechtstreeks aan de opperarmbotten verbonden zijn.
Een mol die zich ingraaft kun je bijna niet tegenhouden, zo sterk is ie.

In Zutphen woonde ons gezin aan de rand van de stad en als jochie was ik vaak in de akker- en weilanden. Op een dag vond ik een mol. Wat er met het beest aan de hand was weet ik niet, maar ik kon hem gewoon oppakken en mee naar huis nemen. Wat een prachtig beest! Mijn vader was in de tuin aan het werk en ik liet hem vol trots mijn vondst zien. Op het moment dat hij zei: “Dat is een mol” worstelde het dier zich uit mijn handen en vrijwel direct groef hij zich in de tuingrond. Dat ging supersnel, terwijl het toch echte rode IJsselklei was.
Voor mijn gevoel tot diep in de nacht, ik denk dat ik een jaar of 8 was, heb ik in de tuin zitten wachten tot hij boven zou komen, zodat ik hem een mep met een schep zou kunnen geven. Helaas, hij liet zich niet zien. Wel kwamen er steeds meer molshopen. Een wat oudere buurjongen nam de taak op zich om de mol te doden en aldus geschiedde. Na een paar dagen had hij hem. Op het moment dat de mol klei naar boven werkte schepte hij hem en sloeg hem dood.

Een prent van het Rijksmuseum. Boven de mol, onder spitsmuis.

Het reukorgaan is uitstekend, hij kan zowel bovengronds als in de grond heel goed zijn prooi vinden. De neusgaten kunnen worden afgesloten. De oren zijn klein, zonder oorschelpen en kunnen ook gesloten worden.

De mol kan niet goed zien. De ogen zijn in de vacht verborgen en puilen alleen uit als het dier schrikt. Ze hebben een zwak netvlies, zijn praktisch blind en ook kleurenblind.
Het is duidelijk dat de mol het van een tastorgaan moet hebben. De mol heeft een tastorgaan in de vorm van een slurfje aan zijn snuit; het wordt ondersteund door een kraakbeentje. Daarnaast zijn er nog snorharen en heel gevoelige tastharen aan de zijkant van de voorpoten.

De Talpa europaea komt vrijwel overal voor. Hij houdt niet van erg zure bodems, waardoor we hem in heidevelden zelden zullen vinden. Maar wel in bossen en vaak tot op grote hoogte in de bergen.

Toch zullen we de mol maar zelden zien, want hij brengt het grootste deel van leven ondergronds door. Af en toe komt hij naar boven om nestmateriaal te verzamelen. Als de grond te droog is en er weinig wormen en insecten(larven) zijn komt hij ook wel aan de oppervlakte. En als het erg droog is gaat hij op zoek naar water. De mol is een zoogdier en kan (dus) goed zwemmen. Jonge mollen, verplaatsen zich ook bovengronds. Ze zijn dan op zoek naar een eigen territorium.

Soms wordt gezegd: “Het is voorjaar, de mollen zijn actief”.
Een onjuiste observatie, want molen zijn het hele jaar actief. Ze houden geen winterslaap, zoals sommige andere zoogdieren. Ze graven zich dieper in, omdat de prooidieren ook dieper zitten.

De regenworm is het belangrijkste voedsel van de mol. Op de foto zijn de grote voorpoten goed te zien. Bij het eten van de worm haalt hij die tussen de nagels door en verwijdert daarmee de aanhangende aarde én drukt daardoor de met grond gevulde darm van de worm leeg.

Zoals gezegd, de mol houdt geen winterslaap, maar legt wél een wintervoorraad wormen aan. Hij verlamt de wormen met een beet in de kop en begraaft ze. Dat doet hij trouwens ook met exemplaren die hij niet op kan. Een wintervoorraad van 300 stuks is geen bijzonderheid.
De mol eet ook massa’s insectenlarven en slakken, die anders gewassen of gras zouden aantasten. Door het graafwerk brengen ze lucht in de bodem, wat vooral belangrijk is in veenachtige en vochtige bodems.

Waarom wordt de Mol dan toch gezien als een lastig, schadelijk dier?

De meeste gangen liggen vlak onder het oppervlak en bij het graven daarvan worden nogal eens wortels van planten beschadigd. Dat kan bij mooi aangelegde borders wel lastig zijn. In onze, vrij verwilderde, tuin is dat minder een probleem. Er zitten vrijwel elk jaar mollen en als ze een keer een plant beschadigen vergeven we ze dat onmiddellijk. Hier, aan de rand van het dorp, heeft bestrijden trouwens geen zin. Het territorium van de gevangen mol wordt binnen de kortste tijd ingenomen door een andere.

De mol graaft de gangen met zijn enorme voorpoten en drukt met zijn lichaam de grond opzij tegen de wand van de gang. De molshopen die wij zien, vertegenwoordigen dus niet alle grond van de gangen; waarschijnlijk alleen de grond die vrijkomt als een gang van lager naar hoger wordt gegraven. Hij doet dat met één voorpoot en met de andere poten en zijn lichaam zet hij zich af in de gang.

De mol kan zich, zoals gezegd, in de gang naar voren en achteren bewegen. Maar soms maakt hij een koprol in de gang om in de tegenovergestelde richting te gaan.
Elke mol heeft zijn eigen gangenstelsel, dat, afhankelijk van de hoeveelheid voedsel in de bodem, wel 200 m lang kan zijn. Maar als er meer mollen in de buurt zijn kan de totale gangenlengte per hectare wel 40 km zijn. Men heeft uitgerekend dat er per jaar 50m3 grond wordt verzet.

Mannetjes en vrouwtjes hebben hun eigen territorium van zo’n 3000m2. Vrouwtjes dulden alleen maar mannetjes in de paartijd. Als een ander mannetje in een bezet territorium komt wordt er flink gevochten. Buiten de paartijd houden mannetjes en vrouwtjes elkaar ook buiten hun territorium.

Het gangenstelsel ziet er uit als een soort spinnenweb en de mol raakt hierin nooit de weg kwijt. Er is een jachtgebied en een woongebied die met loopgangen met elkaar zijn verbonden. Het woongebied ligt ongeveer middenin, het moet droog blijven en ligt daarom het hoogst. De gangen in het jachtterrein worden elke dag met 10 tot 20 meter uitgebreid.

Proeven hebben uitgewezen dat de mol een uitstekend richtinggevoel heeft. Als er ergens voedsel ligt en men sluit een gang af, dan graaft de mol een nieuwe om op dezelfde plaats uit te komen.

De mol jaagt op regenwormen, insecten(larven) en slakken. Die vallen in de gang en worden door de mol verslonden. Een dat gaat hard, want hij eet elke dag minstens de helft van zijn lichaamsgewicht. Een koud ondergronds milieu veroorzaakt grote verbranding en dus grote behoefte aan voedsel.

Af en toe ligt de gang wel erg aan de oppervlakte, zoals op de foto hierboven. Dit is duidelijk een gang van een mannetje op zoek naar een vrouwtje. Ritten noemt men dit soort gangen.

De draagtijd van mollen is ongeveer 28 dagen.
Gewoonlijk worden 3 of 4 naakte jongen geboren. Ze zijn niet veel groter dan een boon, maar ze groeien heel hard. Het vrouwtje verzorgt de jongen en na 33 dagen verlaten ze het nest en na 2 maanden zijn ze zelfstandig.
Mollen worden maximaal 3 jaar oud. In het eerste levensjaar is al 40% overleden en 2% haalt de 3 jaar.

In de enorm uitgestrekte graslanden met Engels raaigras is het bodemleven verdwenen. Ik heb hierover al eerder geschreven. Weide- en andere vogels die het van het bodemleven moeten hebben zijn er niet meer te vinden. Dit geldt dus ook voor de mol.
Af en toe, komt de mol boven en kan dan het slachtoffer worden van een predator. Buizerd, bunzing, hermelijn, ooievaar, reiger en uil, ze lusten allemaal wel een hapje mol. Dit zijn de natuurlijke bedreigers.
Water is min of meer een natuurlijke bedreiging. Een mol kan weliswaar goed zwemmen, maar als zijn gangen plotseling vol water lopen, bijvoorbeeld in de uiterwaarden of door plotseling overvloedige regen kan de mol overvallen worden en verdrinken.

Op de Markerwadden, het nieuwe natuurgebied in het IJsselmeer, zijn een paar jaar geleden mollen gevonden. Die eilanden liggen toch een heel eind van het vasteland. Niemand weet of ze daarheen gezwommen zijn of dat ze zijn meegekomen met een werkschip of iets dergelijks.

Op het eiland Steenvliet in het Markiezaatsmeer zijn geen mollen. Wel woelratten en -muizen en soms een bruine rat. Die moeten óf zwemmend zijn overgestoken, óf ze zaten er al toen Steenvliet als werkeiland werd gebruikt bij de aanleg van de Markiezaatsdam.

Vroeger waren mollen beschermd, te beginnen met de mollen-, egels- en kikvorsenwet van 1917. Om ze te vangen had je een vergunning nodig van de Provincie. Daarna volgden er nog wat wetten, maar met het intreden van de Flora en Faunawet van 2005 is de mol geen beschermde soort meer.

Waar in vroeger tijden op het platteland mollenvangers met klemmen actief waren en die soms wel 1000 dieren in één seizoen vingen, worden ze nu meestal alleen nog maar door de boeren zelf opgeruimd. Een mollenvanger had een behoorlijke (bij)verdienste. Het vangen leverde geld op en het bont van de mol werd gebruikt voor o.a. het bekleden van hoge hoeden. Kassa!

Bij de boerenbond of op internet (Veelzeggend: “Alles tegen ongedierte”) kun je nog volop mollenklemmen kopen.

Op internet staat in ieder geval één professioneel mollenvangersbedrijf. Opdrachtgevers zouden gemeenten, waterschappen en bedrijven zijn. Het gaat om schade aan havens, dijken, sportvelden en andere recreatieterreinen. Ik weet niet hoe druk ze het hebben.

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 30

Van René

 Weer een puzzel (uit no. 29), door de meesten van ons op te lossen.Wederom : waar was dit en wat weet je er over te vertellen :

Reactie van Wim:

Ik doe een poging. De foto is volgens mij van een plein in Colmar waar we in 1998 enkele dagen doorbrachten op het lelietjes van Dalen feest begin mei. Hij is genomen vanaf een terras er tegenover. De trap aan de overkant is nu leeg maar was toen toch bezet door een aantal zangers van ons. Het was weer zo’n typische “ Fortissimo uitspatting“! We zien een kans om ergens spontaan eens even te zingen en grijpen die graag aan. Ik herinner me dat we met een man of twaalf begonnen en er druppelden steeds wat meer leden bij. Er ontstond zelfs een halve verkeersopstopping omdat mensen bleven staan om te luisteren. Wellicht was dit optreden een groter succes dan bij het bloemenfeest waar de mensen totaal geen belangstelling hadden voor onze zang. Toch hebben we er gezellige uurtjes doorgebracht met lange rijen lege flessen op tafel. Ook de uitstap naar het vogelshow was zeer bijzonder.

Reactie van Cees:

Als reactie op het puzzeltje van René:
De plaats van de foto is het martje in Colmar, alwaar een aantal Fortissimo leden  spontaan die trappen opliepen om een paar nummers te zingen.
Uit het hoofd. Het werd er ook steeds drukker.
Hierbij een paar foto’s waaronder ook die van de vraagsteller.

 

Van Clemens

Roddelen

In ons ‘blauwe boekje’ is er een ‘roddelliedje’ over een jaloerse man. In de muziekbibliotheek staat het vermeld als ‘Chanson’ van de componist Pierre Certon. Nu is ‘Chanson’ een wat onhandige titel, omdat alles wat wij zingen ‘Chanson’ (oftewel ‘lied’) genoemd kan worden. In teksten over Pierre Certon wordt het ‘roddellied’ vermeld als ‘La, la la, je ne l’ose dire… (oftewel la, la. La, ik durf het niet te zeggen…). Er wordt geroddeld over een man die erg jaloers is en zich door alles en iedereen bedrogen voelt. Wanneer hij met zijn vrouw naar de markt gaat ontloopt hij alles…
Een grappige tekst met een speelse melodie.

Over Pierre Certon is niet heel veel bekend. Waarschijnlijk is hij zo rond 1515 geboren te Melun (F.) een plaats op ongeveer 50 km ten zuidoosten van Parijs. Tijdens zijn leven zou hij voornamelijk in Parijs zijn geweest. Zijn sterfdatum is 23 februari 1572.
De vroegste aanwijzing van zijn bestaan dateert uit 1527 toen hij in dienst was van van de Franse koning (Frans I van Angoulême). Hij zou toen voor het veevoer (ik denk paardenvoer) hebben gezorgd. Vanaf 1529 was hij een soort ‘ochtendhulp’ in de Notre Dame. In 1530 werd hij in staat van beschuldiging gesteld omdat hij op het plein voor de Notre Dame met een bal zou hebben gespeeld tijdens een mis die hij had moeten bijwonen. Het zou hem bijna gevangenisstraf hebben bezorgd maar wegens zijn jeugdige leeftijd (ongeveer 15 jaar) zou alles hem zijn vergeven.
Vanaf 1532 werd hij een soort ‘ochtendhulp’ (kaarsen aansteken e.d.?) in de Sainte-Chapelle te Parijs, nog steeds een bekend (architectonisch) monument en toeristische trekpleister in Prijs als privékapel van vroegere Franse koningen.
Vanaf 1563 kwam hij aan het hoofd te staan van de koorzangers aldaar, een positie die hij tot aan zijn dood zou hebben bekleed. Hij heeft gediend onder de – eerder genoemde – Frans I en daarna onder Hendrik II, Frans II en Karel IX.
Een goede vriend van hem was de componist Claudin de Sermisy. Toen deze in 1562 overleed componeerde Certon een ‘deploration’ een schitterend muziekstuk naar aanleiding van dit sterven. Hierbij zou hij de componist Josquin hebben nagevolgd die eerder een ‘Deploration’ maakte bij het overlijden van Okeghem. YouTube en Spotify bieden een goede opname van dit werk.
Certon componeerde veel religieuze muziek waaronder missen, motetten en allerlei liederen. Zijn grootste hoeveelheid composities was toch een 285-tal liederen, waaronder het ons bekende ‘la…la…la…. Daarvan zouden er een 100-tal in twee boeken (‘Les Meslanges’ uit 1570, ik vermoed dat je het kunt vertalen in iets als ‘mengelwerk’) zijn gepubliceerd en de rest in verzamelbundels, ofwel muzikale bloemlezingen.
Tijdens zijn carrière heeft Pierre Certon koninklijke eretitels gekregen. Zo staat op de titelpagina van ‘Les Melanges’ vermeld dat hij ‘Compositeur de musique de la chapelle de Roy’ (muziekcomponist van de kapel van de koning) is. Eerder, in 1567, zou hij de titel ‘chantre de la chapelle de Roy’ (zanger van de kapel van de koning) hebben gekregen.

Pierre Certon was een tijdgenoot van – in een vorig nummer van KOORonaNIEUWS besproken – De Kerle. Ik weet niet of beiden elkaar hebben gekend, maar er zijn veel muzikale parallellen. De ‘Deploration’ klinkt als Gregoriaans met schitterende polyfone uitwerkingen. Zijn liederen doen denken aan wat primitieve madrigalen. Certon’s liederen zijn dikwijls op muziek gezette gevatte teksten op grond van (roddel-)gesprekken uit het dagelijks leven.

We zouden misschien wat meer van hem kunnen zingen in de toekomst?We zouden misschien wat meer van hem kunnen zingen in de toekomst in de toekomst…?

 

Van Fred

Vandaag wil ik iets vertellen over roofvogels en uilen. Uilen noem ik even apart omdat ze niet verwant zijn aan dagroofvogels. Gelukkig kunnen we nog genoeg van deze dieren waarnemen. Ze worden natuurlijk volop bedreigd als gevolg van verdwijnen van de habitat door de schaalvergroting in de landbouw, het verdwijnen van broedgelegenheid, het gebruik van bestrijdingsmiddelen, het gebrek aan voedsel. Bovendien door het intensieve verkeer waardoor ze verkeerslachtoffer worden. Verder vliegen ze zich te pletter tegen hoogspanningsleidingen, windmolens, hoge gebouwen, prikkeldraad en treinen. Niet in de laatste plaats: de jacht.
Roofvogels worden nog steeds gezien als een bedreiging voor de dieren die door mensen bejaagd mogen worden. Zo worden nog regelmatig buizerds vergiftigd. Zo, nu hebben we de bedreigingen maar gehad, hoeven we het daar niet meer over te hebben. Tenminste…..

Mijn hobby is niet het fotograferen van vogels. De plaatjes in dit stuk maakte ik voor een presentatie voor Brabants Landschap en IVN. Prachtig was het, al zeg ik het zelf. Achter elk plaatje zat informatie, bijvoorbeeld de zang van de vogel. In het beeld hiernaast staat een lijst van de verschillende groepen roofvogels. Eigenlijk ontbreken hier de gieren, die ook af en toe gesignaleerd worden.
Roofvogels zijn nogal variabel qua grootte, vorm, levenswijze, verspreiding en aantallen.

Ze eten van alles, van de kleinste insecten tot grote vogels en zoogdieren, maar vissen, reptielen, slachtafval en vuilnis staan ook het menu. Gieren foerageren op aas.
Alle roofvogels en uilen hebben een haaksnavel, die ze gebruiken om hun prooi te verscheuren, want de meeste doden hun prooi met sterke poten. Een sperwer bijvoorbeeld drijft zijn achterste teennagel in zijn prooi, die dan geen schijn van kans heeft.
Roofvogels hebben erg goede ogen. Veel beter dan die van de mens. Hun ogen staan recht naar voren. Ze zien in parallax en dus in diepte. Een sperwer ziet een duif op minstens twee kilometer afstand. Oók als die stil in een boom zit.

Veel roofvogels zijn supersnel. Een slechtvalk kan met 350 km per uur op zijn prooi duiken. Ik heb dat gezien. Op enorme hoogte kwam een slechtvalk overvliegen. In het veld vóór mij zat een duif. De slechtvalk vloog eerst zwalkend een eindje verder en dook daarna met een enorme snelheid naar beneden. De duif kwam nog geen halve meter van de grond en werd gegrepen. Dat is mooi om mee te maken. Je kunt het je bijna niet voorstellen: 350 km per uur vliegen en dan binnen een paar meter tot stilstand komen.

Roofvogels zijn soms ook erg wendbaar en driest. Vooral de sperwer. Er zit er regelmatig een bij mij in de tuin. Als je ziet hoe die achter een koolmees aan gaat! Van links naar rechts, dwars door bomen en struiken en nauwelijks te volgen.

Uilen zie je niet zo vaak. Dat is geen wonder, want het zijn nachtdieren. Ze vervullen wél dezelfde rol als andere roofvogels, maar dan in de ochtend- en avondschemering en in de nacht. De steenuil, onze kleinste uil, kun je overdag wel zien. Hij zit meestal op een paaltje of in een knotwilg, maar jaagt dan niet.
De ogen van uilen zijn nog beter dan die van andere roofvogels. Geen enkel dier kan zien in volslagen duisternis; een uil heeft maar heel weinig licht nodig. Hij heeft in zijn ogen heel grote lichtreceptoren.  Bovendien heeft een uil een uitstekend gehoor. Hij kan zelfs muizen die onder de sneeuw bewegen horen.

Eén van de filmpjes die ik tijdens de presentatie laat zien,  gaat over een kerkuil die in een pikdonkere ruimte is geplaatst. Een eindje onder hem zit een muis. De uil concentreert zich op de muis en pakt de muis feilloos.
De uil heeft niet alleen goede oren, maar ze staan ook nog eens vreemd in zijn kop. De een staat meer naar achter dan de ander en ook niet op dezelfde hoogte. De uil kan doordat het geluid niet op exact hetzelfde moment binnenkomt precies bepalen waar zijn prooi zich bevindt.

Als je uilen observeert kun je ze zien, niet horen vliegen. Uilen hebben aan de voorkant van de vleugel over de hele lengte daarvan haartjes en donsjes die ervoor zorgen dat hij geluidloos kan vliegen. Om rond te kijken hoeft hij zich ook nauwelijks te bewegen. Zijn ogen kan hij niet bewegen, maar hij kan zijn kop 270 graden draaien en ook nog ondersteboven bewegen.

Uilen zie je overdag bijna niet. Je kunt het beste op zoek gaan naar braakballen. Die liggen onder de rustplaats van uilen. Als we een uilenballenmiddag voor kinderen organiseren, gaan we ze eerst zoeken (de uilenballen hè, die kinderen komen vanzelf). De ballen worden ingevroren en later door de kids uitgeplozen om uit te zoeken welke prooi het beest gegeten heeft. De onverteerbare botjes zitten in de braakballen. Met een zoekkaart wordt vastgesteld welke prooi het betreft en daarna kun je vaststellen van welke uil hij afkomstig is.

De ransuil is de kleine uil met de oortjes. Die waren er vroeger meer dan tegenwoordig want de ransuil is verdreven door de robuustere bosuil. Die kun je in de parken van steden en dorpen ’s nachts wel horen roepen. Zelfs of juist in Huijbergen. Prachtig!
De velduil broedt in open terrein, zoals heidevelden. Dat is ook zijn jachtgebied.
De kerkuil broedt graag in schuren op het platteland. Dát hebben wij gemerkt. Wij woonden eens drie weken in een gîte met als buurlieden een koppel kerkuilen in een schuur. Kerkuilen maken een schreeuwend (baltsroep), voor sommigen angstaanjagend, geluid. Daarnaast kunnen ze een blazend geluid maken, tsjirpen, tongklikken en sissen. Daar hebben wij 21 nachten van “genoten”. Maar je went er wel aan!

Op het plaatje hiernaast zie je een schedel van de kerkuil. In werkelijkheid een animatie die je alle kanten op kunt draaien en ook van binnen kunt bekijken. Een prachtig werk van de universiteit in Leiden.

De kerkuil jaagt vaak langs wegen waar in de bermen veel muizen zitten. Daarom is de kerkuil van alle uilen het vaakst verkeersslachtoffer.
De kerkuil schijnt ook met zijn schedel te kunnen “horen”. Deze uil is wel de mooiste in onze streken. Hoewel de enorme Oehoe wel tot de verbeelding spreekt.
De Oehoe broedt inmiddels ook in onze omgeving, maar zelfs ik weet niet precies waar. Wel ongeveer, maar ik vertel het lekker niet……

Dat uilen een steuntje in de rug nodig hebben is wel duidelijk, gezien de inleiding waarmee ik begon.
Gelukkig zijn er bevlogen vrijwilligers die zich hiervoor inzetten. Zij werken onder de paraplu van Brabants Landschap om de kenmerkende soorten van het agrarisch cultuurlandschap, de steenuil en de kerkuil, te ondersteunen. Zij zorgen voor verbetering van de biotoop en nestgelegenheid. Hier komen ook speciale nestkasten aan te pas. De vrijwilligers controleren de nestkasten op broedgevallen. Ze tellen de uilen en het aantal broedgevallen.
Sinds 2004 daalt het aantal vrije broedgevallen en stijgt het aantal broedgevallen per nestkast. Per saldo is het aantal broedgevallen door de activiteiten van de vrijwilligers flink gestegen.
Ook de kerkuil doet het redelijk goed. Van 269 geregistreerde broedgevallen in 2004 is dit inmiddels boven 400. Met de steenuilen en kerkuilen gaat het dus redelijk, maar dat wil niet zeggen dat we tevreden kunnen zijn. Hun aantallen zijn nog steeds veel kleiner dat pakweg 50 jaar geleden.

In het boek “Tussen en hemel en aarde” van Theo Schildkamp staan mooie verzamelde volksverhalen over vogels:

“Van oudsher is de uil de vogel van dood, onheil en duivelskunst. Daarom kan hij het daglicht niet verdragen, maar zo gauw de schemer over de velden en door de bossen sluipt, slaat hij zijn geruisloze vlerken uit om als een schim in het rond te spoken. Niets dan verderf en verdoemenis brengt hij de mensen. Zijn huiveringwekkend gekras en gekrijs bij nacht en ontij voorspelt ramspoed en tegenslag. En het huis waarop of waarbij hij neerstrijkt, zal binnen afzienbare tijd een dode herbergen”. 

“Heel vroeger was al bekend dat de uil de heraut van de dood was. Aan het sterven van grote Romeinse keizers zou een sinister uilengekras vooraf zijn gegaan”. 

“Arabieren dachten dat uilen zielen waren van vermoorde mensen”. 

“Van Dzjenghis Khan gaat het verhaal dat hij zich eens moest verbergen voor zijn vijanden. Ze hadden hem bijna te pakken, toen er een grote uil vlakbij zijn schuilplaats neerstreek. Waar een uil zit zal geen mens zich verstoppen meenden zijn achtervolgers en gaven hun paarden de sporen”. 

“De uil voelt zich thuis tussen heidenen en misdadigers en ook met de duivel kan hij het goed vinden. Satan neemt zelfs met genoegen zijn gedaante aan. Heksen zijn dol op het gekras van uilen”. 

“Zelfs Grimm schreef een sprookje over de uil. Een vreselijk verhaal, zoek het maar eens op. Het heet “De Uil””. 

“Men heeft zich in de loop der tijden het hoofd gebroken over de vraag waarom de uil alleen ’s nachts rondvliegt. De oorzaak daarvan schijnt gelegen te hebben in de nasleep van de befaamde koningsstrijd, eens tussen de vogels uitgevochten. Het winterkoninkje wist door een list koning te worden, maar anderen namen dat niet en sloten het beestje op in een muizenholletje. De uil moest op wacht staan. Maar hij viel in slaap en het vogeltje ontsnapte. De vogels waren erg kwaad op de domme uil, maar toen ze hem wilden straffen ging hij er snel vandoor en heeft zich sindsdien nooit meer bij daglicht buiten durven vertonen. Pas wanneer het duister is komt hij wrokkig uit zijn schuilplaats om verbeten op muizen te jagen, die immers van die ellendige holletjes maken waaruit winterkoninkjes kunnen ontsnappen”. 

“Sommigen beweren dat je een uil gemakkelijk kunt doden door eenvoudig een paar keer rond de boom te lopen, waar hij zit. Omdat hij je blijft aankijken, draait hij zichzelf op die manier onverbiddelijk de nek om”. 

“In geen enkele toverdrank mogen ingrediënten ontbreken, die van een uil afkomstig zijn.

Blindheid is te genezen door een uilenhart of uilenogen te eten en uileneieren helpen een donkaard van de drank af. Uilenpoten verjagen slangen en het hart van een uil, gelegd op de borst van een slapende vrouw doet haar zielsgeheimen verklappen”. 

“Tegenover dit alles staat dat de uil vanouds het zinnebeeld is van de wijsheid. Waarschijnlijk ligt dat aan de bouw van zijn kop, waarin de ogen naast elkaar geplaatst zijn en naar voren kijken, zoals mensenogen. Zijn gezicht heeft iets herkenbaars, menselijks, verstandigs.
Grote geleerdheid gaat, zoals bekend, dikwijls hand in hand met wereldvreemdheid en domme onhandigheid: het karikatuur van de verstrooide professor.
Zo is de uil óók het symbool geworden van de zotheid, het schijnbare gelijk van de betweter, de hooghartige arrogantie van de quasi-geleerde en de huiskamerfilosoof”. 

“Toch wantrouwde men de uil, omdat dood en ongeluk hem omringden. Om de boze geesten af te schrikken had men de gewoonte een uil tegen staldeur, hek of schutting te spijkeren”.

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 29

 

Van René

 

  1. mijn puzzeltje.
    Is inderdaad die “rot”- bocht vlak voor Boscastle.
    We hadden een bijna gloednieuwe, met de modernste elektronische snufjes uitgeruste, gelede bus.
    Op de mijn foto van vorige week kun je als je goed kijkt links een stuk rots zien uitsteken.
    Omdat Toon Verdult (want zo heette de chauffeur, Wim) moest gaan steken om die bocht naar beneden te nemen, kwam hij te dicht bij dat rotsblok. Hij raakte het niet !
    Maar zoals ik al zei, met de modernste snufjes. Jazeker : afstand-sensoren.
    Door te dicht te naderen schakelde de computer de motor uit. Toon opnieuw gestart en nog eens voorzichtig geprobeerd en jawel, weer viel de motor stil.
    “En”, zei Toon, “bij de derde keer krijg ik hem niet meer gestart en moet er een takelwagen komen. “
    Dus klaar met steken en maar gewoon achteruit, bergop terug naar boven. Het was ongeveer 1 kilometer, maar dat is op die manier een hele toer ! Te weten dat die weg toch al niet te breed was en er zaten ook nog enkele vervelende bochten in.
    Het was niet zijn gelukkigste dag maar hij kreeg het, samen met zo’n 15 Fortissimo-verkeersregelaars toch mooi voor elkaar.
    Toon is naderhand ook nog met ons naar Colmar en omstreken gereisd. Hij was een geweldige chauffeur en toonde altijd belangstelling voor het gezelschap. Hij was zelf een fervent lid van de harmonie Kolpingszonen, De Sjefkes, en dat stak hij niet onder stoelen of banken. Hij had de nodige videobanden bij zich en die mochten we allemaal zien. Toon was slagwerker meen ik. Soms ontmoet ik hem nog wel eens in de supermarkt. Hij rijdt geen bussen meer. De leeftijd en de lichamelijke conditie laten het niet meer toe.

Ook Daniël heeft zijn huiswerk goed gedaan; hij had het eveneens goed geraden.

  1. Het verhaal over de vogeltrek is zeer interessant. Nooit geweten dat zulke grote afstanden werden afgelegd. Wat die ooievaar doet (7000 km), daar doe ik met de fiets een heel jaar over.
    Maar misschien ben ik té opgevet !?
    Ik heb eens een documentaire gezien over de vogeltrek van de spreeuwen. Ze trokken de Noordzee over naar Engeland en maakten onderweg een tussenstop op een lichtschip dat toen halverwege de Noordzee lag.
    Dat schip kende je de andere ochtend niet meer terug. Eén grote hoop vogelstront !
  1. Wim had het nog over en concert dat we samen met het Liskeard Choir, dameskoor hebben gegeven.
    Dat was in een schitterende kerk in St. Neot (begin van de bouw rond 1425) :

Daar zongen we onder andere The Balad of little Musgrave, op de piano begeleid door een Engelse pianiste.

  1. Grapje, moet kunnen :
    de koolmees :

  1. Weer een puzzel, door de meesten van ons op te lossen.
    Wederom : waar was dit en wat weet je er over te vertellen :
    Van ClemensIn deze korte bijdrage wil ik René Buijs bedanken voor zijn speurwerk naar aanleiding van mijn vragen over ‘Turba exultantium’ van Arnold Kempkens (zie KOORonaNIEUWS nr. 27). Ik kwam het Latijnse woord ‘parabulum’ tegen waarvan ik geen vertaling kon vinden. René raadpleegde een deskundige collega (classicus) die opmerkte dat ‘parabulum’ zeer waarschijnlijk een ‘verlatijnst’ Grieks woord is. Het was immers mode bij de Romeinen om leentjebuur te spelen bij de Grieken wat hun cultuur en taal betrof. Het Griekse ‘parabulum’ betekent gewoon ‘gelijkenis’ een voor ons bekend begrip. Dit ‘leentjebuur spelen’ kennen wij nu ook, zeker al we kijken naar al die Amerikaanse en Engelse woorden die onze taal zijn binnengeslopen!
    Tacitus en Tacitus Remigius zijn inderdaad  twee verschillende personen. Het is onwaarschijnlijk dat Tacitus (een Romeins historicus) parabels heeft geschreven. Over Tacitus Remigius is mij niets bekend.Inmiddels ben ik bezig aan een essay met als titel ‘Het spook van de reactiviteit’, oftewel hoe we omgaan met rampen als de huidige Covid-19-pandemie. Ik heb erover getwijfeld of ik het in KOORonaNIEUWS zou plaatsen maar besloten daarvan af te zien omdat het verhaal toch een heel andere strekking heeft dan wat zoal in KOORonaNIEUWS wordt opgenomen. Waarschijnlijk zal ik het verhaal op mijn website (www.cjanzing.nl) zetten. Mochten er onder jullie zijn die toch belangstelling hebben laat het mij weten (cjanzing@planet.nl) en ik mail het stuk aan je door.De vaccinatie komt dichterbij. Ik hoop dat we in maart/april een eerste spuit kunnen krijgen. Wanneer alle leden van Fortissimo zijn gevaccineerd moeten we toch weer eens bij elkaar kunnen komen en de repetities weer opstarten? Ik hoop dat we in september/oktober zo ver zijn. Ik kijk ernaar uit!En voor jullie allemaal: tot ziens en blijf gezond!

Van Fred

Korstmossen

Vandaag schrijf ik een stukje over korstmossen.
De meeste mensen weten wel wat Rendiermos is. Als we een kerstukje zien met van dat wittige mos, is dit Rendiermos. Meestal klopt dat wel, maar we kennen in Nederland Gebogen- Sierlijk- en Open- Rendiermos, dus met alleen Rendiermos zijn we er niet…. en er zijn bovendien nog andere korstmossen die in bloemstukken verwerkt worden, ze worden daarvoor zelfs uit Brazilië geïmporteerd.

In Nederland komen meer dan 650 korstmossen voor. Er zijn veel mensen die hun ziel en zaligheid leggen in het determineren van kostmossen, wat op zijn minst net zo moeilijk is als het op naam brengen van paddenstoelen. Vaak komt er, net als bij paddenstoelen, een microscoop aan te pas.

Daar is ie weer: Korstmos is eigenlijk een verkeerde naam. Mossen en korstmossen worden vaak in één adem genoemd, maar ze zijn helemaal niet verwant aan elkaar. Pas aan het eind van de 19e eeuw werd ontdekt dat korstmossen bestaan uit een alg én een schimmel. Deze leven nauw verstrengeld met elkaar. Zo’n samenlevingsverband hebben we eerder gezien waar het ging om paddenstoelen die vaak in symbiose leven met bijvoorbeeld een boom. Het korstmos heeft een eigen vorm, waar zowel de alg als de schimmel in zitten.

De alg is een plant, zij het een zeer eenvoudige, en kan dus suikers aanmaken door fotosynthese, de schimmel zorgt voor bescherming tegen uitdroging en maakt gebruik van de suikers.

Gewone mossen zien eruit als miniatuurplantjes, korstmossen hebben geen blaadjes en wortels. Ze dus zijn goed van elkaar te onderscheiden. Het verschil tussen vrijlevende algen en korstmossen is vaak wat moeilijker te zien. Hetzelfde geldt voor het verschil tussen vrijlevende schimmels en korstmossen. De schimmels kunnen trouwens ook zonder de alg leven. Voer voor onderzoekers!
Veel korstmossen zijn grijs van kleur, maar oranje, geel bruin, zwart en rood komt ook voor.
Om het nog ingewikkelder te maken: de (Latijnse) naamgeving van de soort korstmos hangt af van de schimmelcomponent. Dat maakt het vreselijk moeilijk, want dit betekent dat als je verschillende soorten bekertjes ziet, deze niet tot de dezelfde familie hoeven te horen. Een platte op een muur kan dus van dezelfde familie zijn als een bekertje op een boomstronk en andersom.

Korstmossen worden in Nederland maar zeer beperkt economisch gebruikt. Een Nederlandse uitvinding was de lakmoesproef. Blauwe en rode kleurstoffen van korstmossen werden gemengd met urine en gebruikt om een zuurgraad vast te stellen. Verder zijn er soorten die werden gebruikt om wol te verven. Met keelpastilles op basis van IJslands mos en rendiermos in kerststukjes houdt het wel zo’n beetje op.

Tegenwoordig zijn korstmossen vooral belangrijk als gevoelig meetinstrument voor luchtverontreiniging, waarover later meer.
Zoals gezegd, korstmossen zijn geen planten. We zien geen bladeren en wortels en in feite zitten ze heel ingewikkeld in elkaar, zowel qua bouw, groeivorm als manier van voortplanten. Ik ga er hier niet gedetailleerd op in, maar het is wel erg interessant.

Korstmossen zijn over het algemeen trage groeiers, waardoor ze op voedselrijke plaatsen niet kunnen concurreren met hogere planten of gewone mossen. Ze zijn aangewezen op plaatsen waar planten niet goed gedijen, bijvoorbeeld stuifzand, steen en hout. Maar ook op asbest, plastic, ijzer en zelfs verf. Korstmossen halen vrijwel geen voedingsstoffen uit het substraat waarop ze zitten, maar wel uit de lucht.
Waar we bepaalde soorten kunnen aantreffen is van veel factoren afhankelijk. Sommige soorten zijn erg kieskeurig en komen voor op één bepaalde boomsoort of één soort steen en soms alleen aan de kust of alleen bij zoet water. En er zijn nog veel meer factoren: kalk in de bodem, humus of kaal zand enz.

Overal zijn korstmossen, ook in onze leefomgeving. Op de dakpannen van huizen zitten altijd korstmossen, op platte daken trouwens ook, zelfs op EPDM. Er zijn mensen die dat ontsierend vinden. Er zijn slimme jongens die dat in de gaten hebben of dat mensen aanpraten. Met een hogedrukspuit en vaak met chemische middelen worden de korstmossen verwijderd. Ik hoef je niet te vertellen wat ik daarvan vind…… De toplaag van de dakpannen wordt weggeblazen en om dit te herstellen wordt dan weer een impregneermiddel à raison van ik weet niet hoeveel geld geadviseerd.

Korstmossen komen veel voor in heidegebied, zoals de Kalmthoutse heide. Elk stadium in ontwikkeling van de natuur daar levert weer andere korstmossen op.
Ik ben een paar keer op pad geweest met Hans Vermeulen, educatief medewerker van Natuurpunt (evenknie van Natuurmonumenten in België). Een wandelende encyclopedie op het gebied van paddenstoelen en korstmossen. De keer, toen het ging over korstmossen, staat mij nog goed bij. Ik had mij voorbereid op een fikse wandeling: stevige schoenen. We vertrokken vanaf de Vroente en liepen 500 meter de hei in. En dat was het. De hele dag hebben we doorgebracht op een stuk van hooguit 100×100 m. En aan het eind van die dag hadden we nog lang niet alles gezien. Die Hans determineert ze waar je bij staat en je hangt aan zijn lippen als hij je iets uitlegt.

Ik heb veel foto’s gemaakt van korstmossen. Dat is vaak, wat ik noem, laag-bij-de-gronds-werk. Plat op de buik precies de scherptediepte bepalen én de plek die je perse scherp wil hebben.
Daar kan ik wel een tijdje mee bezig zijn. Dan ben ik ook regelmatig letterlijk van het padje af.
Overigens heb ik op de foto hierna niet mijn favoriete kleding aan. Het was bloedheet en ik moest en zou hier iets op de foto zetten. De runderen hadden ook zo hun bedenkingen. Gelukkig waren er geen anderen dan dierbaren in de buurt.

Enkele jaren geleden was ik alleen op pad. Het rood bekermos zat vol rode sporen en dat moest natuurlijk (weer) vastgelegd worden.
Ik was duidelijk van het padje af en lag plat op mijn buik in de hei. Plotseling hoorde ik geritsel achter me. Ik keek heel langzaam voorzichtig om: was het een ree? en vos?, dat zou mooi zijn. Voordat ik de mensen zag hoorde ik de vrouw roepen: “Dattem nog lééft, dattem nog lééft! Man en vrouw waren hevig aangedaan, ze dachten echt dat ze een lijk gevonden hadden.

Niet zo laag-bij-de-gronds is het fotograferen van kostmossen op muren. Ik vertoef regelmatig in en bij de molen van Huijbergen. En, ik kan het niet nalaten, ga daar wel eens op zoek naar bijzondere planten, paddenstoelen en korstmossen. De Johanna is gebouwd in 1862. De molen en de belt zijn van metselwerk. Alles is nog origineel en, voor zover bekend, nog nooit schoongemaakt. Ik vind op de stenen en voegen allerlei “gewone” mossen en korstmossen. Op de voegen van de belt vond ik een zwart “ding”. Erg klein en het deed me denken aan een zwarte trilzwam, maar die groeit niet op steen of cement. Het blijkt het zeldzame Dik Geleimos te zijn; een korstmos. Deze soort heeft de eigenschap op te zwellen bij vochtig weer.

 

 

 

 

 

 

Bedreiging

Nu even naar de bedreiging voor de korstmossen. Korstmossen zijn al heel vroeg na het ontstaan van de aarde verschenen. Miljarden jaren voor het ontstaan van de dieren.
De mens is er de oorzaak van dat veel soorten uitsterven, zoals insecten, vogels en ook veel korstmossen.
Korstmossen zijn gevoelig voor zwaveldioxide (SO2). Al in de 19e eeuw was er in de buurt van fabriekssteden een sterke achteruitgang van het aantal kostmossen. Van de 650 soorten die hier nog voorkomen is 46% bedreigd.
In Nederland zijn korstmossen vogelvrij, maar er zijn landen, bijvoorbeeld Spanje, waar de aanwezigheid van bepaalde korstmossen bepalend is voor het al of niet verlenen van een omgevingsvergunning. Het gaat hierbij om de uitstoot van zwaveldioxide.
In Nederland kwamen blijkens een onderzoek in 1958 rond de grote industriële concentraties en steden in de Randstad, Twente en Limburg nog maar nauwelijks korstmossen voor. Verbetering kwam door het verdwijnen van kolenkachels en rookgasontzwaveling in industrie en kolencentrales.
De uitstoot van zwaveldioxide is nog maar een fractie van die in de jaren 70.
Maar nog steeds zijn de verschillen groot: het zuiden is soortenarm, het noorden soortenrijker evenals de duinen.
Dat neemt niet weg dat de lucht in Nederland voor grote aantallen uitgestorven en zeer zeldzame soorten nog steeds veel te vuil is. Dat is goed te zien als je op vakantie gaat in Bretagne of Ierland. Daar groeien veel meer soorten in veel grotere aantallen.

Maar…… het is niet zo dat als we meer korstmossen zien het probleem verholpen is.
De ammoniakuitstoot door de intensieve veehouderij zorgt voor uitbreiding van de stikstofminnende korstmossen ten kosten van de meer kritische zuurminnende soorten. Dus als we korstmossen zien betekent dit niet dat het goed gaat. Nu zijn korstmossen moeilijk te determineren, maar als je veel gele korstmossen ziet is het niet best. Dat zijn veelal de soorten die van ammoniak houden.
Groot dooiermos is er zo een.

In Nederland meten provincies tegenwoordig dan ook vaak het ammoniakprobleem met behulp van korstmossen.
Al in 1993 kwam men tot de ontdekking dat klimaatverandering een rol speelt. Er doken overal soorten op die in zuidelijker streken bekend waren, dat proces is volop gaande. Dat lijkt leuk, maar dat is het niet, want tegelijkertijd verdwijnen er noordelijke soorten.
Klimaatverandering en luchtverontreiniging zijn de veroorzakers van het komen en gaan van korstmossen. Aangezien een soort maar zelden op één factor tegelijk reageert, is het statistisch hard aantonen van klimaatverandering of luchtverontreiniging als oorzakelijke factor lastig.
Duidelijk is dat er grote veranderingen meetbaar zijn door verminderde luchtverontreiniging met zwaveldioxide, door de toename van de effecten van ammoniak en het warmer worden van het klimaat.
In andere landen zijn leerstoelen voor korstmossen, in Nederland niet. Hoe is dit mogelijk, terwijl er in Nederland wel 10 soorten voorkomen waarvan 75% van de wereldpopulatie zich in Nederland bevindt.

Korstmossen hebben soms prachtige Nederlandse namen gekregen.
Ik noem er hier per letter van het alfabet één:

Aspirinekorst, Betoncitroenkorst, Cementkorst, Dijkstrontjesmos, Ezelpootje, Fijne kalkstippelkorst, Girafje, Hunebedvlekje, IJsselmeerkorst, Iepenzonnetje, Kauwgommos, Lichtvlekje, Muggenstrontjesmos, Nieuwe knoopjeskorst, Obscure wadkorst, Patatzakbekermos, Rottend houtvlekje, Saucijs-baardmos, Tandpastakorst, UV-mos, Varkenspootje, Wrattige tandpastakorst, Zomersneeuw. De X en de Y ontbreken, te weinig fantasie?

En als toegift nog wat foto’s:

Bruin bekermos

Fijn bekermos

Girafje

Patatzakbekermos

Oranje dooiermos

Kopjesbekermos

Fijn bekermos

Rood bekermos

 

 

 

 

 

 

Op eigen EPDM plat dak: Stoeprandvingermos

Op malus in eigen tuin: Melige schotelkostzwam

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 28

Van René

Hier een puzzeltje voor iedereen  van René en de reacties van leden:

Het heeft te maken met een van onze koorreizen.
Wie weet waar dit is en kan daar meer over vertellen?

Van Robert:
De achtergrond van de foto van Rene staat me nog helder voor de geest. Het tafereel speelt zich af in Zuid-Engeland, tijdens één van onze koorreizen.  In mijn grenzeloos enthousiasme om de gelede bus zo dicht mogelijk bij de bestemming te krijgen stuurde ik de bus een weg in die blijkbaar als laatste bocht een meer dan haakse bocht maakte. Blijkbaar met overtuiging. Ik was van de organisatie. Ik kende immers de weg, Het ging prima.  ik was daar namelijk een keer geweest, maar… had niet meer op mijn netvlies staan dat mijn Toyota 1000 aanmerkelijk kleiner was dan een gelede bus van 18 meter. Een Toyota 1000 stuurt wat makkelijker door de bocht van een gelede bus. Het resultaat is bekend. De bus liep vast in de bocht, iedereen moest uitstappen en de bus heeft aan aantal kilometers achteruit bergop moeten rijden. Volgens mij was de chauffeur er niet echt gelukkig mee. Ondanks het wat miezerige weer was het toch een mooi bezoek aan het pittoreske dorpje aan zee.

Van Wim:
Even een reactie op de foto van René. Ik herinner me deze bocht nog wel. Het is de laatste scherpe bocht voordat je het stadje Boscastle binnenrijdt. Juist in die bocht kwam de grote harmonica- bus die ons naar Looe en Tintagel had gebracht vast te zitten. De vrouwen zijn te voet doorgelopen naar Boscastle en de mannen hielpen de chauffeur om enkele kilometers achteruit de helling optie rijden tegen alle verkeer in. Het was een knap staaltje stuurmanskunst van onze chauffeur. Zijn naam ben ik vergeten. Het was ook de reis met het concert van de vrouwen van het Liskeard Choir waarvan Piet niet zo lang geleden wat filmpjes heeft opgestuurd. Rinus Musters zong in het concert in de kerk daar de solo van de spiritual “ Ride the Chariot “.  Tijdens die reis bezochten we ook Jamaica Inn! Het was ook de reis waarin Ben en ik het Coast Path ontdekten waar we de zomer daarna over wandelden.

Van Daniël:
In antwoord van de vraag van René . Ik heb vorig jaar een film gezien van de reis naar Engeland van Piet Coppens waarin de bus vast zat in een bocht  zou dat deze bocht kunnen zijn. 

 

 

Van Clemens

 De Kerle

In 2008 vierde Fortissimo haar 50-jarig bestaan. In het kader van een koorreis voor die gelegenheid maakten we een bustocht door het Vlaamse land met een slotconcert in het Zeeuws-Vlaamse Aardenburg, We zongen op een oorlogskerkhof met slachtoffers uit WOI.

Een belangrijk evenement was het opluisteren van een mis in de St. Gilliskerk te Brugge. Daar zongen wij de mis ‘Regina Coeli’ (koningin van de hemel) van Jacobus de Kerle (1531- 1591). Ik heb helaas geen portret van hem kunnen vinden.

Dit werk hoort bij muziek uit de Frans-Vlaamse school. Andere musicologen spreken liever over de Nederlandse school of Vlaamse school. Dit alles lijkt afhankelijk van waar zij wonen. De muziek van De Kerle heeft invloeden van Josquin des Prez, Adriaen Willaert, Palestrina allemaal tijdgenoten van hem en belangrijke componisten uit de renaissancetijd.

Tijdens mijn vroegere geschiedenislessen werd mij geleerd dat de ‘Renaissance’ een afgebakende periode in de (kunst)geschiedenis is, van ongeveer 1400 – 1600 A.D. Tegenwoordig stellen historici dat wat tot de renaissance wordt gerekend (zoals onder meer centraal stellen van het individu, ideeën over het heelal) al jaren eerder, in wat wij de middeleeuwen noemen, aanwezig was. Op veel vlakken is de zogenaamde renaissanceperiode gewoon een voortzetting van wat er al eerder borrelde. Ik durf te stellen dat wat er nu zoal wordt geschreven op onder meer natuurkundig of filosofisch vlak wortels heeft in de renaissancetijd en soms in de oudheid (denk aan de deeltjesleer van Democritus en Epicurus).

Verder is het zo dat maatschappelijke factoren het mogelijk maakten te werken en experimenteren met allerlei kunstvormen. Italië bestond rond 1400 uit losse staatjes en steden die door rijke families werden bestuurd. Naast al de oorlogen en oorlogjes die werden gevoerd waren er perioden van vrede en economische bloei. Veel rijke families ondersteunden – ook als statussymbool – allerlei kunstenaars (met name schilders en beeldhouwers) bij de uitoefening van hun ambacht en gaven ruime honoraria voor geleverd werk. In landen buiten Italië, waar keizers en koningen de scepter zwaaiden, was dat anders. Mensen, dus ook kunstenaars, leefden daar in een strakker korset.

Een andere belangrijke werkgever voor kunstenaars was de kerk. Dit was in jaren daarvoor ook al het geval maar toch is het van belang is het volgende te vermelden. Kunstenaars in middeleeuwse perioden werkten niet aan persoonsgebonden ‘naambekendheid’ – immers men werkte in dienst van God – terwijl dat in perioden later wél het geval was, kunst was er voor de mensen en de kunstenaar verlangde bewondering en respect. Zo werden bijvoorbeeld schilderijen gesigneerd wat in de middeleeuwen niet of nauwelijks voorkwam. Dit betekent niet dat religieuze kunst daarmee ophield te bestaan, integendeel zelfs. De meeste kunstenaars werkten op ‘geestelijke’ en ‘wereldlijke’ vlakken tegelijk. Ik zal in dit stuk niet ingaan op beeldende kunst en literatuur, wel op muziek.

Waar in de beeldende kunst en literatuur een min of meer duidelijk onderscheid kan worden aangegeven tussen iets uit de middeleeuwen of uit de renaissanceperiode is dat voor muziek niet het geval. Voor zover bekend was middeleeuwse muziek vooral religieus (Gregoriaans) en homofoon (éénstemmig) en volks (al of niet begeleid door een instrument, luit, doedelzak of iets dergelijks).

Er werd vooral gezongen en soms werd die zang begeleid (meestal onder meer een snaarinstrument, trommel, blaasinstrument). Over de vroege middeleeuwen (v.a. 500 tot 900 A.D.) is weinig bekend. Vanaf ongeveer 500 A.D. werd het Gregoriaans de standaard van de toenmalige kerkmuziek. Parallel aan dit alles vonden ontwikkelingen in de muzieknotatie plaats. Deze Gregoriaanse muziek werd later ook meerstemmig ( het zogenaamde ‘organum’ ) gezongen en vormde daarmee de aanzet tot de latere polyfonie (verder ontwikkelde meerstemmigheid met af en toe onafhankelijke melodielijnen). Beluister eens een opname van het vrouwenensemble Whishful Singing op YouTube! Die polyfonie werd een belangrijk kenmerk van de Franco-Vlaamse school.

Jacobus de Kerle maakte volgens musicologen deel uit van de vijfde generatie (circa 1560-1600) van die school. Zijn composities – waarvan veel verloren is gegaan – zijn overwegend polyfoon van karakter.

Om zijn soort muziek te begrijpen even nog iets over de meerstemmige Gregoriaanse muziek. Daar werd rond een hoofdmelodie (de ‘cantus firmus’) op een andere toon meegezongen. De polyfonie die Jacobus de Kerle hanteerde gaat uit van de onafhankelijkheid van stemmen. De mis ‘Regina Coeli’ die wij zongen is daar een voorbeeld van: elk deel is een web van onafhankelijke in elkaar vloeiende melodieën. Het is geen ‘lekkere luistermuziek’ maar voelt eigenlijk heel modern, eigentijds aan. Een echte uitdaging voor Fortissimo!

Nu iets over Jacobus de Kerle. Bronnen vermelden dat hij in 1531 (of 1532) werd geboren te Ieper (B.). Over zijn ouders, (vroege) jeugd heb ik niets kunnen vinden. Hij zou opgeleid zijn in het St. Martin klooster te Ieper (B.).

Hij was (koor-)zanger in Cambrai en werd koorleider in Orvieto (It.) waar hij ook als organist en carillonspeler figureerde.

Na zijn priesterwijding werd zijn muziek gedrukt en verspreid. Daaronder vallen een verzameling psalmen en een Magnificat die hij in Wenen (1561) had gecomponeerd. Voor het Concilie van Trente (1545 – 1563) waar bisschoppen en kardinalen een antwoord formuleerden op de reformatie, componeerde hij muziek voor de speciale gebeden voor het welslagen van het concilie (de zogenaamde ‘Preces Speciales Primum Responsorium Pro Concilio’). Deze muziek zouden de beraadslagingen aldaar over ‘gewijde muziek’ gunstig hebben beïnvloed. In 1565 werd hij benoemd tot kapelmeester van de kathedraal te Ieper (B.). Echter op 30 maart 1567 zou hij na een conflict met een andere priester (wat, waarover?) zijn geëxcommuniceerd uit de R.-K. Kerk. Nadat hij aan de opgelegde ‘penitenties’ in Rome had voldaan werd hij weer in zijn ambt hersteld. Vervolgens heeft hij in Augsburg (D.) gewerkt als organist en een soort assistent- koorleider van 1568 tot 1574. Hij vertrok daar toen hij werd gepasseerd voor de opengevallen functie van kapelmeester. Vanaf 1575 was hij prebende in Cambrai. Hij heeft in latere jaren gewerkt in Bergen (B.), Keulen (D.), Augsburg (D.), Wenen (O.) en Praag (Tsj.) In 1583 is hij in Praag overleden.
Tot zijn composities horen een aantal Magnificats, missen, motetten, psalmen. Veel van zijn ‘geestelijke’ muziek is bewaard gebleven, van zijn ‘wereldlijke’ muziek is veel verdwenen. Slechts één madrigaal is overgebleven uit de twee bundels die hij in Venetië heeft gepubliceerd.

Er is nog veel meer te vertellen over muziek uit deze periode. Ik luister graag naar madrigalen van Monteverdi of Gesualdo, weliswaar van latere datum dan de muziek van De Kerle. Toch valt op hoe ‘eigentijds’ die muziek klinkt. Met name de gezangen van Gesualdo, met de prachtige chromatische ‘loopjes’ zijn een lust voor het oor!
Maar voor ons toch wel te hoog gegrepen…

 

Van Ad

Verhaal van stadsgids Wilma

Wintermijmering anno 2022

Het was in de eerste dagen van februari. De tocht naar de Grote Markt was lastig met al die voren in de gepekelde en vastgevroren sneeuw. De wandeling had er bijna toe geleid dat mijn tocht naar warmte en gezelschap mij in alle eenzaamheid op de koude grond had doen belanden. Al glibberend en glijdend had ik de tocht toch volbracht. Toen ik de deur van mijn stamkroeg opende sloeg de gezelligheid me met alle kracht tegen de oren. Ik was er weer. Gelukkig. Ik snoof de geur diep in.

Wat was het wat mij het besef gaf deze poel van warmte en joligheid op te zoeken? Het gemis van even zorgeloos zijn. Onderweg had de pekel een edele poging gedaan om de sneeuw te doen smelten maar de hevige vorst had de strijd gewonnen en zorgde voor Siberische toestanden. Ik had dan ook tijd en gelegenheid genoeg om meer dan regelmatig even stil te houden en de stad met andere ogen te bezien. Als een camera nam ik de omgeving in me op. Overal serpentines, maskers en rode zakdoeken in de etalages. Aan de muren van huizen groteske koppen met waanzinnige gelaatstrekken. Confetti tussen de stoeptegels.

Ik sloot de deur achter me. Ik struikelde haast het café binnen. Samen met totaal onbekenden van een pilsje genieten en een hoop onzin uitkramen. Al sinds 1967 is dit een traditie verdeeld over twee café locaties, maar nog steeds een avond waar ik elk jaar naar uitkeek. Ik was vroeg dit jaar. Ik wist dat het druk zou worden, zeker na vorig jaar, dus was ik er vroeg om een goed plekje te bemachtigen. En dat lukt me wonderwel, in een hoekje tussen bar en muur, helemaal achterin vlak bij de wc. Ik kon gewoonweg niet omvallen, de hoeveelheid alcohol of de vermoeidheid die me om de oren slaat, ik bleef gewoonweg hangen in de rook van gezelligheid. Ik rook de wijn en het bier en ik hoor binnen in mij woorden die dansen in een alcoholrijk lied, melodietjes uit een ver verleden.

Ik nam nog een glaasje, want de herinnering aan 2021 kwam in alle hevigheid terug. Geen feestgedruis in de straten vanwege een avondklok, wel veel rumoer, maar anders dan andere jaren. Geen vrolijke maskers en lachende gezichten, maar mondkapjes, donkere mutsen en een grimmige sfeer. Dichtgespijkerde etalageruiten.
Een confettikanon knalde en ik stond in een regen van serpentines. Ik draaide wat in het rond en de wereld draaide vrolijk mee. Geen enkel zinnig woord kon mij vangen omdat eigenlijk niets mijn aandacht kon vangen. Het was vast de betovering van het gerstenat dat mijn geest vertroebelde. De wereld was weer normaal. Ik kon weer ongegeneerd gek doen. Hossen, dansen en springen. Beregge op z’n best laten zien.

 

 

Van Fred

Vogeltrek

Dan de koe maar gelijk bij de horens vatten. In de vorige aflevering van de Nieuwsbrief heb ik gesuggereerd dat ik misschien eens een stuk over de vogeltrek zou schrijven. Dat ga ik nu doen.

Vogeltrek is een van de meest fascinerende natuurverschijnselen die er bestaan. Miljarden vogels trekken elk jaar duizenden kilometers. Hierbij trotseren ze woestijnen, bergen, zeeën en stormen. Ze verbinden landen en continenten tot hun leefgebied. De prestaties gaan ons voorstellingsvermogen te boven. Vogels van slechts enkele grammen, die van de Europese bossen naar de tropische wouden in Afrika vliegen.

Juist de Lage landen spelen een centrale rol voor de vogels die zich door het Europese luchtruim verplaatsen. De grote rivieren, het IJsselmeer, de Zeeuwse Delta, inclusief en vooral ook het Markiezaatsgebied, de Oostvaardersplassen en de Waddenzee vormen een eldorado voor de trekvogels. De waterrijke gebieden leveren de vogels voedsel en rust voor hun overwintering of om bij te tanken op hun reis naar het warme zuiden. Sommige vogels vinden hier voldoende voedsel om hier de hele winter te blijven (wintergasten), andere zien Nederland als een tijdelijk tussenstation (doortrekkers). Langs de gehele vogeltrekroute van Siberië tot Zuid-Afrika zijn dergelijke tank- en ruststations van levensbelang.

Vogeltrek kunnen we omschrijven als een gerichte verplaatsing over grotere afstand van vogels tussen het gebied waar ze broeden en waar ze overwinteren en omgekeerd, als gevolg van voedselgebrek.
Daar hebben we het al eerder over gehad. Alles in de natuur is op voedsel en voortplanting gericht. En we weten inmiddels dat veel organismen samenwerken om te overleden.

Waarom vogeltrek
Waarom zou je wegtrekken van je broedgebied, veilige slaapplaatsen en een enorme reis maken om te overwinteren. Het antwoord is: voedselgebrek. Niet de kou is de reden om weg te trekken, maar het voedsel. Ze gaan naar streken waar wél voldoende voedsel is. Insecten, spinnen en wormen kruipen in onze streken diep weg; grassen en zaden kunnen onder een dik pak sneeuw liggen.

Vogeltrek is ook deels genetisch bepaald. Dat stamt al uit de periode na de laatste ijstijd. Er zijn vogels die reageren op veranderingen in daglengte of veranderingen in de weersomstandigheden. Elke vogelsoort reageert anders.

Niet alleen vogeltrek
Ook bij allerlei andere diersoorten zien we trekgedrag. Het gaat altijd om voortplanting en voedsel.
De meest bekende soorten: Paling, pad, walvis, zalm, vlinder, trekmieren, treksprinkhaan, krab, vleermuis, veldmuis, zebra, gnoe, gazelle en zelfs de regenworm. Nu moet je je daarvan soms niet al te veel voorstellen. Als voorbeeld noem ik de regenworm. Die trekt verticaal, hooguit enkele decimeters.
“De Grote Trek” van Robin Baker en Midas Dekkers is een interessant boek als je hier mee over wil weten.

Wetenschap
Aristoteles schreef in 500 v Chr al over vogeltrek en vogeltrek komt ook voor in de Bijbel (300 n Chr).
Al die wetenschap raakte in de vergetelheid.
Maar men was wél altijd met natuurverschijnselen bezig, al kende men er geen verklaring voor. Dat zwaluwen plotseling verdwenen was wel helder.

In 1555 verordonneerde een aartsbisschop nog dat zwaluwen de winter doorbrachten in het water. Als een bal opgerold zouden ze zich laten vallen. Dit bleef tot 1735 de verklaring voor de verdwijning. Zelfs Linneaus zag dit nog als de verklaring van het verdwijnen van zwaluwen. Er zijn zelfs afbeeldingen van visnetten met zwaluwen erin. In 1767 dacht een geleerde dat vogeltrek bestond, maar dat er ook vogels waren die winterslaap hielden. Inmiddels weten we dat vogels geen winterslaap houden. In de 19e eeuw was er veel onderzoek en er werden proeven gedaan. De resultaten waren soms even dwaas als de vroegere gedachten.

Trekken alle vogels weg?
In Nederland komen ongeveer 400 vogelsoorten voor.
Je kunt het hele jaar door vogels zien, dus we hebben een indeling nodig om het een beetje duidelijk te krijgen., zodat je niet in de zomer op zoek gaat naar een zaagbek en in de winter naar een huiszwaluw.

Standvogels: broeden hier en zijn het hele jaar te zien. Maar er is wel trek. Vaak zijn het exemplaren uit het noorden die we hier in de winter zien. Blauwe reiger, spreeuw, wilde eend, kraai, kuifmees, steenuil, havik, fazant, roodborst, zwarte lijster, grote bonte specht, huismus, ekster, enz.

Zomervogels: broeden hier en trekken weg. Wielewaal, fitis, koekoek, rietzanger, grutto, karekiet, boomvalk, lepelaar, huiszwaluw, nachtegaal, tjiftjaf, boompieper e.v.a.

Jaargasten: broeden hier niet of incidenteel. Bonte strandloper, zwarte zee-eend.

Wintergasten: broeden hier niet of nauwelijks. Bonte kraai, keep, rietgans, zaagbekken, pestvogel, smient, kraanvogel, notenkraker, wilde zwaan, kleine zwaan e.v.a.

Doortrekkers: broeden hier niet. Zijn hier in echte wintermaanden. Bosruiter, beflijster.

Onregelmatige gast: broeden hier niet. Toeval. Grote trap, kuifaalscholver, ibis.

Dwaalgast: Nog meer toeval. Witkopeend, havikarend, steppenhoen.

 

Je zult begrijpen dat de vogelaars over wie ik het in de vorige aflevering had, vaak op zoek zijn naar de laatste drie categorieën. Daar staat tegenover dat er veel “trektellers” zijn, die uren op altijd weer dezelfde plekken trekvogels tellen. Vaak in kuststreken, maar ik ken ook iemand die je middenin de Kalmthoutse heide kunt vinden op de top van een zandduin. Enkel en alleen om overtrekkende roofvogels te tellen.

Lange afstandstrekkers
Dit zijn de vogels die vele duizenden kilometers weg trekken. Naar Zuid Afrika, zelfs Australië.
Deze vogels reageren voornamelijk op daglengte. En natuurlijk gebrek aan voedsel.

Korte afstandstrekkers
Blijven zo’n beetje op de vorstgrens hangen of gaan naar Zuid Frankrijk, Spanje. Deze vogels reageren vooral op weersomstandigheden; gebrek aan voedsel.

Opvetten
Vogels hebben veel energie nodig om ver te vliegen. Het eetgedrag verandert. Organen veranderen hierdoor. Het hart, borstspieren en geslachtsorganen worden bv kleiner. Maag, lever, nieren en darmen dijen uit. De vogel wordt 2x zo zwaar.
Kort voor de trek verandert dit weer. De borstspier en het hart worden weer groter. De maag kleiner.
Een aantal vogels tankt onderweg bij. Met name voor de oversteek van de Sahara, dan zien we hetzelfde proces van opvetten.
Nachtvliegers hebben het voordeel dat er overdag gegeten kan worden.

Navigatie
Bij trekvogels is het deels genetisch bepaald dat ze wegtrekken. Sterker nog, de vogel weet ook waar hij naartoe moet. Het navigatiesysteem zit in de vogel ingebouwd.
Vogels navigeren op de zon, de sterren (Poolster) en op aardmagnetisme (kompas) en op wat ze in het veld zien. Ze maken ook gebruik van reuk en gehoor.
Dat is knap, want navigeren op de zon is moeilijk: iedere dag staat de zon anders.
Navigeren op sterren? De sterrenhemel verandert ook.
Navigeren op kompas? Vogels kennen de geheimen van een kompas. Ze kennen inclinatie, de hoek die de kompasnaald met het horizontale vlak maakt. En ook declinatie, het verschil tussen magnetisch en geografisch noorden.
Vogels kennen dus de relatie tussen zon, kompas, sterren, aardmagnetisme én tijd.

Genetisch bepaald? Zelfs koekoeken, die zoals bekend in een ander nest opgroeien, weten hoe ze bij het overwinterings-gebied van de ouders moeten komen. Ze trekken onafhankelijk van de ouders en dat niet alleen, ze zijn ook al weken eerder weg.
Er is al veel onderzoek gedaan naar hoe vogels navigeren, maar veel is nog niet bekend.
Zo heeft men eens een aantal spreeuwen vanuit Den Haag naar Zwitserland gebracht en daar losgelaten. Daarbij bleek dat afstand ook een rol speelt. Want spreeuwen die in Barcelona werden losgelaten vlogen naar Zuid-Spanje en die in Zwitserland waren losgelaten naar Zuid-Frankrijk.
De plaats waar opgevet kan worden en navigatie hangen ook nog samen. Een nachtegaal die over Duitsland vliegt vet op in Egypte om de Sahara over te kunnen steken, dat staat vast. In Duitsland werd een nachtegaal in een kooi gezet en men maakte daar het magnetisme van die plek in Egypte. Het dier begon als een razende te eten. Hoe het met het beestje is afgelopen weet ik niet, want hij was tenslotte al opgevet.

Dag en nachtvliegers
Sommige vogels vliegen alleen ‘s nachts, andere alleen overdag en er zijn ook dag- en nachtvliegers.
Waarschijnlijk heeft dit met de soort navigatie te maken zon/sterren) of predatiekans.

Routes
Bekende trekroutes lopen vanaf het noorden langs de kust, IJsselmeer en de Zeeuwse Delta.
Vaak gaat het richting Calais voor de oversteek naar Zuid-Engeland en Ierland.
Veelal veel verder naar het zuiden, naar Afrika via Gibraltar. Gibraltar is dus zo’n trekpleister voor vogelaars. Miljoenen vogels steken daar over.
Andere routes gaan via het oosten: Via Duitsland, de Bosporus naar Afrika.
Vogels houden er kennelijk niet van om lang over zee te vliegen. Ze zoeken smalle zeestraten. Hotspots zijn Falsterbo (Zuid Zweden), Gibraltar, Bosporus.
Ze volgen vaak bergketens, kustlijnen en rivieren.

Formatie
Vogels vliegen vaak in V-formatie, zo verspillen ze de minste energie. Door de luchtstroom van de voorste vogels hebben die daarachter het gemakkelijker. Regelmatig wordt er gewisseld van plek.
Vaak wordt in grote groepen gevlogen, dat verhoogt de weerbaarheid tegen vijanden.

Vlieghoogte
Vogels vliegen op verschillende hoogtes. Dit is ook afhankelijk van de sterkte van de wind en de windrichting.
Roofvogels en ooievaars maken gebruik van thermiek. Stijgen eerst tot zeer grote hoogte en laten zich daarna afglijden. Duizenden komen over bij Gibraltar.
Records: Indische gans over Himalaya: 9000m,Wilde zwaan 8000m, wilde eend 6400m, rosse grutto 6000m, ooievaar 4800m, kievit 3900m, gierzwaluw 2000m.

 

Afstanden
Ooievaar 7000km, grutto 4000-5000km, kwartelkoning 4000-10000km.
Record: noordse stern 18000km, enkele reis. Gaat van noordpoolzeeën naar zuidpoolzeeën v.v. Een in Finland geringde visdief werd op 26000km afstand in Australië teruggevonden.
Bij elkaar tussen 30000 en 40000km per jaar. Nog niet duidelijk is of dit een incident is.
De Fitis weegt maar een paar gram, en vliegt 8000km. Gewicht naar mens omgerekend is dit een afstand van 10x de afstand van de aarde naar de maan. Tapuiten zijn wel 8 maanden per jaar onderweg.
De afstanden zijn na de ijstijd groter geworden. Het broedgebied breidde uit naar het noorden, maar ook naar het oosten en westen.

Topafstanden:
De Noordse Stern:
18.000 km

Fitis: 8.000 km. In verhouding to gewicht van de mens 10x de afstand van de aarde naar de maan.

Bedreigingen
Op hun route naar het zuiden zijn veel gevaren: In zuidelijke landen wordt nog volop gejaagd op vogels die wij op allerlei manieren proberen te beschermen (hoewel?). De Sahara is voor veel vogels een groot obstakel. Slecht weer maakt veel slachtoffers en als er onderweg op de plekken waar ze weer moeten opvetten onvoldoende eten, is gebeurt hetzelfde. En dan hebben we natuurlijk veel hoogspanningskabels en ook steeds meer windturbines. Kortom, het is een wonder dat er elk jaar toch weer vogels terugkeren, al zijn het er veel minder dan die weg zijn getrokken. Er overlijden natuurlijk ook gewoon vogels, voordat ze hier weer aan broeden toe zijn.

Trek door het jaar heen
Voor en najaarstrek is natuurlijk het meest bekend. Maar het hele jaar door is er vogeltrek. Dit heeft te maken met het (soort) voedsel en ook met het weer.
Sommige zomervogels komen al in februari (grutto), andere pas in april-mei (paapje).

Globaal overzicht:

Januari:
Volop beweging. Soms al een zanglijster en een veldleeuwerik. Afhankelijk van vorst komen en gaan vogels. Koperwieken, notenkrakers komen en gaan. Zangers vluchten voor sneeuw.

Februari:
Zanglijster, veldleeuwerik, bontbekplevier, kievit, grutto.

Maart:
Vink, spreeuw, kievit, kemphaan, grutto, tjiftjaf, tapuit, fitis, boerenzwaluw.

April:
Tjiftjaf, fitis, zwartkop, braamsluiper, fluiter, grasmus.

Mei:
Laatste zomervogels tot eind mei. En de kievit vertoont al herfsttrek.

Juni:
Kruisbek uit Noord en Oost, spreeuw.

Juli:
Noordelijke vogels die hier ruien en later verder gaan. Zomertortel en wielewaal vertrekken.

Augustus:
Zomertaling vertrekt, terwijl wintertaling komt.

September:
Eenden, steltlopers, zangvogels.

Juli, augustus en september zijn de maanden van de grote (nacht)trek van veel vogels.

Oktober:
Grote trekmaand van de dagtrek.

November:
Grauwe gans weg. Vervangen door kol- en rietganzen. Kieviten vertrekken bij vorst.

December:
Afhankelijk van vorst en sneeuw.

Juist voordat de sneeuw kwam liep ik in het noordelijke deel van de Kalmthoutse heide. Daar zaten, inmiddels vrij zeldzame, veldleeuweriken. Ze vertoonden volop baltsgedrag, maar normaliter zingen ze dan nog niet hoog in de lucht. Als ik dat geluid hoor, meestal in maart, begint voor mij de lente. Maar ineens hoorde en zag ik hem. Hoog in de lucht! Op 4 februari brak het voorjaar aan! Daarna kwam de sneeuw en de vogels zijn weer weggetrokken. Maar ze komen terug, dat weet ik zeker.
Nog een mooi moment: Eind maart – begin april komt de tjiftjaf aan. Hij maakt een onmiskenbaar geluid; hij roept zijn eigen naam.  

Is er meer tussen hemel en aarde?
VPRO-fans hebben vast in 1993 gekeken naar het programma van Wim Kayzer: “Een schitterend ongeluk”. Kayzer interviewde een aantal topwetenschappers onder wie de bekende Oliver Sacks. De gedachtegang van een aantal van hen kon ik althans, soms niet volgen.
Maar bij Rupert Sheldrake zat ik op het puntje van mijn stoel. Hij had zijn leven gewijd aan de theorie van de morfische velden. Daar heeft hij minstens zeven boeken over geschreven. Eén van zijn boeken heet “Het zevende zintuig”.

Het komt er op neer dat communicatie niet alleen maar verloopt via de gebruikelijke kanalen. Op zich niet zo vreemd, want de parapsychologie is daar ook een voorbeeld van. En wat denk je van de huidige ontwikkelingen op het gebied van kwantum fysica.

Afijn, waarom zat ik op het puntje van mijn stoel?
Sheldrake vertelde over communicatie, eigenlijk van hersens naar hersens, zonder tussenkomst van de zintuigen die wij kennen. Dat vond en vind ik, in het kader van de vogeltrek, donders interessant. Er is nog veel onduidelijk op dat gebied. Ik roep het gedrag van de Koekoek maar even in herinnering.

Sheldrake verhaalde over gedrag van dieren. Dieren die honderden kilometers van elkaar verwijderd zijn en plotseling hetzelfde gedrag gaan vertonen.
Zo had hij proeven gedaan met duiven. Duivenmelkers weten dat de mannen altijd terug komen naar het hok, “op de klep vallen”. Je kunt ze in Barcelona loslaten; ze vliegen in één streep terug naar bijvoorbeeld St. Willebrord. Maar wat nu als het hok er ineens niet meer staat? Sheldrake verplaatste het hok een flink aantal kilometers. De duiven vlogen gewoon naar het hok. Daarna zette hij het hok op een boot en voer daarmee de zee op. Wat denk je?
Kayzer interviewde de wetenschappers afzonderlijk en zette ze later bij elkaar voor een afsluitende sessie, waar Sheldrake zijn theorie verdedigde. Met hem werd rigoureus de vloer aangeveegd. Termen als “pseudo wetenschap” en “niet falsificeerbaar” kwamen over tafel.

Ik weet nog dat ik daar erg teleurgesteld over was. Uiteraard heb ik de naam van Sacks onthouden, maar zeker ook die van Sheldrake. Want ik ben ervan overtuigd dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij weten. Geen domme man overigens die Sheldrake: Hij studeerde biologie en filosofie en promoveerde op biochemie. Hij doceerde naast biochemie ook celbiologie. 

Bronnen:
Informatie over vogeltrek gebruik ik tijdens het gidsen.
Inmiddels is het een flinke map geworden, waaruit ik geput heb voor het verhaal hierboven.
De informatie in de map komt van diverse websites, bijvoorbeeld die van de Vogelbescherming. Ook uit boeken die bij mij in de kast staan en tijdschriften die in de loop der tijd voorbij zijn gekomen.
Teveel om op te noemen en ik weet het ook niet meer…….

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 27

Van René

Hier een puzzeltje voor iedereen :

Het heeft te maken met een van onze koorreizen.
Wie weet waar dit is en kan daar meer over vertellen?

Groeten,

René

 

Van Cees

Ik zou zo gére nog ’n kirke

Jaren geleden ,onze Piet zou 50 worden.
Het was ’n traditie in de familie dat op die zo’n belangrijke dag een liedje zou worden gezongen ter ere van de jarige. Het was dus ook aan mij om voor mijn jongere broertje een liedje te maken.
Ik ben geen schrijver en al zeker geen tekstschrijver dus was ik al meer dan een half jaar daarvoor mezelf suf aan het piekeren over een melodie en het belangrijkste: een tekst.
Tot op een dag, ik was in de auto onderweg naar een klant die weer eens een probleem had met zijn copieer machine ,maar dat ter zijde, dat ik een liedje hoorde op radio Brabant en dat ik dacht dat is best leuk.

S ’avonds thuis onder het eten zei Joke ineens: “ik heb vandaag ’n liedje gehoord op radio Brabant en dat lijkt mij wel leuk”, ik zei: “ ik ook”, dus ik neuriede de melodie zo’n beetje en het bleek hetzelfde te zijn .
Het liedje was getiteld “ik zou zo gére nog ’n kirke “

Dus naar de redactie van radio Brabant met de vraag wie dat nummer zong en waar dat het vandaan kwam.Na een paar keer heen en weer bellen waren we er achter, het was het “Boekels kwartierke” uit Boekel. Gebeld naar een platenzaak in Boekel en jawel die kende de band en ook het nummer.
Ze konden het voor mij bestellen maar ik moest er wel zelf om komen.
Dus Joke en ik op een zaterdag naar Boekel om dat plaatje op te halen en met een toeristische route waren we daar een hele dag mee zoet.

Nu de tekst nog. Na best wel lang nadenken kwam ik op het idee om een liedje te maken over onze tijd als misdienaar in het klooster van de nonnen in de Bernadettestraat. Ik heb het gezongen op Piet z’n vijftigste verjaardag in vol ornaat. Een wierookvat geleend van Jan de Boer, kooltjes, wierook, toog en superplie van broeder Nico. Heel het huis stond blauw van de rook en de lucht van wierook. De reactie van Piet was: “het heeft niets van doen met 50 jaar of Abraham maar het is een stik leuk liedje”. Jaren later, in 2006, hebben we dat samen gezongen tussen de schuifdeuren. Ik was het eigenlijk al vergeten tot ik twee weken geleden een stukje terug zag bij de herhaling van 33 jaar schuifdeuren

Ik werd toen een beetje emotioneel en dacht toen gelijk aan ons koor Fortissimo:

Ik zou zo gére nog ’n kirke

 

Van Ad (Tekst van een stadsgids)

Stadjesgids

Lege straten en pleinen, gesloten kroegen, geen muziekkapel en monumenten met een dichte deur.
Alles staat al bijna een jaar lang haaks op wat we eigenlijk zo graag zien maar mijn optimistische aard zegt dat het allemaal wel goed zal komen: ‘MILLE PERICULIS SUPERSUM’ is en blijft het credo.

Zo’n lege, verlaten en zelfs wat desolate stad biedt dan wel de gelegenheid eens op een andere manier te kijken en mezelf af te vragen of ‘stad’ wel het juiste woord is. Zou de verkleinvorm ‘stadje’ eigenlijk niet veel passender zijn? De Grote Markt is qua afmetingen relatief groot en de gebouwen die het omringen ogen na eeuwen nog altijd imposant en voornaam, maar staand op het midden van de Grote Markt voel ik geen afstand maar juist iets intiem en beslotens. Een oostenwind die venijnig door het spinnenweb van smalle straatjes haar koude winterlucht naar het plein jaagt wordt altijd weer gecompenseerd door de warmte die wordt uitgestraald door het stadhuis, De Draak, De Maagd en de kroegen, zelfs als deze allemaal gesloten zijn. Een dorpsgevoel in de stad…
Dit gevoel wordt versterkt door de voelbare en zichtbare aanwezigheid van de Vastenavendperiode, zelfs in deze tijden van een ongrijpbaar lijkend virus. Het oude en bourgondische volksfeest dat zo diep in het DNA van de oude garnizoensplaats zit geworteld laat zien dat het sterker is dan het virus. Ook deze strijd heeft het garnizoen gewonnen al betreft het hier een ander soort vijand. Vastenavend zal worden gevierd! Desnoods op aangepaste wijze! Een veilig en onschendbaar gevoel van een hechte gemeenschap…

De dagelijkse bezigheden van het gemeentebestuur waar iedereen een mening over lijkt te hebben, zeker in tijden van financiële crisis, zou volgens elke rechtgeaarde Bergenaar de opening van het NOS-journaal moeten zijn. Het zegt iets over de betrokkenheid van de inwoners. Hoe ander is het 15 km verderop? Waar nooit iets gezegd of geschreven wordt over het gemeentebestuur om de simpele reden dat geen mens iets interesseert wat er gebeurt. Een gevoel van harmonie en betrokkenheid…

En als we dan hopelijk komende zomer alles weer langzamerhand bij het oude kunnen oppakken vertellen we weer de verhalen van weleer. Verhalen die gevoel van het dorpse, veiligheid en onschendbaarheid en harmonie vertellen, vertaald in zaken die zich in andere periodes hebben afgespeeld. Staand op de Peperbus

laten we de bezoekers het lieve en aandoenlijke gekronkel van de smalle straatjes zien, het ingestrate stadswapen op de markt dat zich laat omringen door het geroezemoes van de volle terrassen. Dan mogen de gidsen van SBM hun geliefde bezigheid weer oppakken en zijn we weer stadjesgids !

Gids van het stadje Bergen op Zoom !!

 

Van Fred

Voor deze aflevering gaan we wat verder van huis. Pakweg 410 km naar het zuiden, het Lac du Der-Chantecoq.
In mijn verhaal over de beuk heb ik het bos met treurbeuken van Vitry genoemd. Dat ligt op de route naar van het Lac du Der. En zo relatief dicht bij huis zijn er tal van mooie steden en dorpen in het noorden van Frankrijk. Ideaal voor een weekje weg.
Als je naar het Lac du Der wil, kun je dat wat mij betreft het beste eind februari/begin maart of oktober/november doen.

Ik ga nooit ergens kijken als er ergens een bijzondere vogel of ander beest gesignaleerd wordt. Er zijn mensen die alle apps in de gaten houden en op pad gaan als er iets bijzonders te zien valt.
Vorig jaar was dit het geval in de Noordpolder van Ossendrecht. Er was daar een zeer zeldzame Kleinst Waterhoen (zo heet hij) gezien. Op een plek waar je normaal geen kip ziet, stonden nu tientallen auto’s en nog veel meer mensen. Mensen met telescopen en camera’s met enorme telelenzen. Brrrr… de mensen met de langste lens gaan gewoon voor je neus staan als je een kortere hebt.

Afijn, in 2011 had ik zoveel verhalen over het Lac du Der gehoord dat wij afreisden om het wonder te aanschouwen en een te horen.
Het wonder is de Kraanvogel.

Eerst even iets over het Lac du Der-Chantecoq. “Der” is het Keltische woord voor Eik. In de omgeving zijn volop bossen met zomereiken, die hier van oudsher zijn geplant voor de bouw van vakwerkgebouwen. Niet alleen huizen, ook bijvoorbeeld kerken.

Chantecoq staat voor een dorp dat er niet meer is. Het meer is namelijk een stuwmeer dat het water van de Marne opvangt. Door de aanleg van het meer zijn, naast Chantecoq nóg twee dorpen verdwenen. En een heleboel bossen en landbouwgrond, maar daar maken ze in Frankrijk niet al te veel woorden over vuil. Zelfs in de jaren 70 van de vorige eeuw niet, want in 1974 was het stuwmeer klaar. Een stuwmeer van 4800 ha! Drinkwatervoorziening? Elektriciteitscentrales? Niet in de eerste plaats. De Marne komt uit in de Seine en de Seine stroomt door Parijs. Bijna elke winter stonden daar de kades, waar veel wegen op liggen, onder water. Dit ontregelde het verkeer zodanig dat werd besloten het meer aan te leggen. Hierdoor kan de hoeveelheid water in de Seine gereguleerd worden.
Deze winter zien we dat dit niet altijd overstromingen voorkomt.

Zo’n enorme plas water trekt natuurlijk honderdduizenden vogels en wel 200 verschillende soorten. Ook de Kraanvogel heeft dit meer ontdekt. Niet om te broeden, maar om te foerageren tijdens de vogeltrek.

De Kraanvogels broeden in uitgestrekte moerasbossen en hoogvenen, vooral in Noord Europa en Rusland. Hij heeft wel ruimte en rust nodig en daarom was de kraanvogel in Nederland geen broedvogel meer. Maar in 2001, na eeuwen afwezigheid is hij terug in Nederland, namelijk in het Fochteloërveen, waar wij hem deze zomer gehoord hebben. Er zijn nog een paar broedplaatsen in Nederland. De populatie breidt zich uit in westelijke richting vanuit Duitsland.
Kraanvogels overwinteren in Zuid-Spanje en noordelijk Afrika.

In Nederland foerageren ze ook wel. Boven het Markiezaatsmeer worden ze regelmatig waargenomen en ze zullen daar ook wel ergens landen. In ieder geval ook in de Peel en het Dwingelderveld. Ik heb ze zelf boven het Markiezaat gezien en één in de Maatjes onder Achtmaal. Hun geluid is onmiskenbaar: een trompetterend geluid. Dus als je dit coronajaar tijdens vastenavond een trompetterend geluid hoort is het geen feestganger, maar een Kraanvogel.
Kraanvogels zijn grote vogels, een stuk groter nog dan een zilverreiger. Ze zijn blauwgrijs van kleur, hebben wit en zwart aan de kop en een rode naakte huid bovenop de kop.
Hij vliegt met gestrekte hals. De balts is een lust voor het oog. De vogels dansen en maken sprongen.
Kraanvogels zijn omnivoren. Ze eten plantaardig materiaal en vooral in het broedseizoen ook insecten.
De doortrekkende kraanvogels broeden in Scandinavië. De voorjaarstrek is eind februari/begin maart, de najaarstrek oktober/november.

Dán moeten we dus naar het Lac du Der. Wij waren er in maart, eigenlijk aan de late kant.
Een volle week, waarin we de hele omgeving hebben verkend én uiteraard bij het Lac du Der zijn geweest.
De eerste avond dat wij bij het meer waren was het kraakhelder. In de lucht zagen wij duizenden kraanvogels die langzaam cirkelend naar beneden kwamen en op de ondiepe delen van het meer landden. Wat een belevenis.

De volgende ochtend in het donker, zijn we weer naar het meer gegaan. We stonden te wachten en wat men ons voorspeld had, gebeurde ook. Op een gegeven moment hoorden we trompetteren. Het zwol aan en toen het licht begon te worden kwamen de vogels op de wieken en vlogen over ons heen. Duizenden trompetters.

De vogels vliegen deels weg om verder te trekken en deels om te gaan foerageren op de omliggende velden.

Vogelaars tellen soms wel 40.000 vogels op één ochtend. In de wijde omgeving kun je kraanvogels op de akkers zien.

Er werd natuurlijk, in de ogen van de boeren, veel schade aangericht. Nu zijn er flinke lappen grond door de overheid aangekocht en veel boeren krijgen subsidie.
Er is een vereniging die zich inzet voor de bescherming van de biotoop en de vogels. En er zijn natuurlijk mensen die dankbaar gebruik maken va de situatie. Die verhuren hun (arbeiders) woninkje in het veld aan vogelaars, vlakbij een akker waar de vogels gegarandeerd op landen. Je zou ze vanuit bed kunnen fotograferen. Dat scheelt een hoop koude.

En dan gebeurt er iets aparts. Wij zijn op een avond niet naar het meer gegaan en hebben geen vogels binnen zien komen. De volgende ochtend in alle vroegte waren wij weer bij het meer. We wachtten tot het licht werd en zoals altijd: dat werd het. Terwijl wij de eerste keer een oorverdovend getrompetter hoorden en duizenden vogels opvlogen, was er nu doodse stil en geen enkele vogel vloog op. Op de akkers in de omgeving: geen enkele Kraanvogel.
Navraag leerde dat dit wonder zich twee keer per jaar voltrekt.

Een mooi fenomeen, vogeltrek. Misschien dat ik daar een volgende keer eens iets over schrijf.

 

 

Van Clemens

Kwakzalverij

Toen ik in 2005 lid werd van Fortissimo – het was als de dag van gisteren – studeerden we het nummer ‘Turba exultantium’ van Arnold Kempkens in. Met dit nummer behaalden we succes tijdens een korenfestival in Loosbroek. Ik herinner mij een gezellige bustocht, heen en weer, met veel gezang en plezier.
De gezongen tekst zou van Tacitus zijn, althans volgens onze partituur, een stuk uit een parabel over de ontmaskering van een kwakzalver en de daarop volgende volkswoede. Helaas is dit werk in onze vergetelheid geraakt. Ik vond het boeiende koormuziek met een heel eigen karakter en muzikale expressie. Maar ja, smaken verschillen nu eenmaal…

Voor KOORonaNIEUWS ben ik me wat gaan verdiepen in Arnold Kempkens en ik kan jullie zeggen: dat wat niet eenvoudig. Er is binnen internet weinig over hem te vinden en nog minder over zijn – toch niet onaanzienlijke – lijst composities. Maar ik kwam problemen tegen die ik graag met jullie wil delen en mogelijk kunnen jullie – of bekenden van jullie – oplossingen geven.

De problemen hebben vooral met de tekst te maken. Zo zou ‘Turba exultantium’ deel uitmaken van drie werken die ‘Parabulum’ heten. In mijn Latijns woordenboek komt dit woord niet voor en wanneer ik woordenboeken op internet raadpleeg krijg ik steeds het antwoord dat dit woord niet kan worden vertaald in het Nederlands. Bij een afbeelding van een platenhoes voor een grammofoonplaat met werk van Kempkens wordt ‘parabulum’ vertaald als ‘parabels’. Maar ook wanneer ik probeer “parabel’ (gelijkenis) in het Latijn te vertalen krijg ik nul op het rekest. Wie lost dit raadsel voor mij op?

Een tweede probleem is de auteur van de tekst. In onze partituur wordt Tacitus genoemd. Bij afbeeldingen van platenhoezen en verwijzingen naar bladmuziek wordt de auteur Tacitus Remigius genoemd. Hij zou in ongeveer 76 A.D. geleefd hebben. Wanneer ik werk van Tacitus (ca. 56 – 117 A.D.) de bekende Romeinse historicus, onderzoek kom ik nergens parabels tegen. Ik kan niet anders concluderen dat Tacitus en Tacitus Remigius verschillende personen zijn. Maar ik heb niets kunnen vinden over Tacitus Remigius. Mogelijk kan iemand van jullie, of bekenden van jullie, licht op deze zaak werpen.
Over Arnold Kempkens heb ik wat meer kunnen vinden, met name uit herdenkingen na zijn overlijden. Hij is geboren op 4 december 1923 in Duisburg (D.) en hij overleed in Mühlheim (D.) op 10 januari 2001, 77 jaar oud. Hij zou opgeleid zijn aan de ‘Staatliche Hochschule für Musik’ in Keulen (D.) Over zijn (vroege) jeugd en privéleven heb ik niets kunnen vinden. Ook niet over zijn leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij zou in 1940 toch 17 jaar zijn geweest en op de een of andere manier bij Duitse oorlogshandelingen betrokken. Er wordt daar in zijn ‘in memoriam’ niets over vermeld. Wel dat hij ná 1945 als dirigent in Braunsweig (D.) werkzaam was.
In 1956 zou hij zijn studie dirigeren en componeren hebben afgerond. Van 1960 tot 1980 was hij als docent verbonden aan de ‘Staatliche Hochschule für Musik Rheinland’ te Düsseldorf (D.)
Zijn compositie-oeuvre omvat twee balletten, een symfonie, elf muziekstukken voor orkest, één vijfdelige mis en meer dan vijftig liederen/koorwerken. Kempkens was een bekend en gevierd koordirigent. Hij gaf leiding aan concertkoren te Essen (D.), Solingen (D.) en Oberhausen (D.).
Bij zijn 25-jarig jubileum als koordirigent ontving hij de Zilveren Speld van het Duitse Zangersverbond. In 1990 ontving hij de Gouden Speld bij zijn 40-jarig jubileum!
Arnold Kempkens maakte met zijn concertkoren reizen naar Canada, U.K., Oostenrijk, Zuid-Afrika, Finland, Polen, Italië en Tsjechië.
Voor zijn werk ontving hij in 1978 het ‘Bundesverdienstkreuz am Bande’.

Ik heb en paar koorwerken van hem beluisterd . De streamingsdienst Spotify biedt geen werken van hem, Tidal een drietal. YouTube biedt vele uitvoeringen van allerlei (voornamelijk Duitse) mannenkoren. In het algemeen vond ik de muziek weinig indrukwekkend, hier en daar een beetje ‘gemakkelijk’ met een licht romantische inslag. Wat een contrast met ‘turba exultantium’ (overigens niet te vinden op YouTube!?) dat toch een heel onorthodox, expressief koorwerk is! Maar goed, dit zijn mijn woorden, jullie kunnen er natuurlijk heel anders over denken en nogmaals: smaken verschillen…

 

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 26

 

Van Ben

Deel 2: ’n Stuk of a krabbe die kenne zinge……

 Terwijl ik dit stukje ga schrijven weet ik nog niet of er al gereageerd is op deel 1 van vorige week. Je weet het, ik zou het leuk vinden als jullie in de vorm van een kort bericht mijn verhaal zouden aanvullen. Maar dat zien we wel.

In 1992 is de laatste uitvoering van “Tusse de schuifdeure”. (Het evenement werd in 1985 opgestart door de Stichting.) Enkele jaren later pakken Wim van Vliet en Rens van Tilborg het opnieuw op, onder de naam ”Tusse de schuifdeure voor ouwere”. Maar in die laatste in 1992 traden wij wederom op met het beroemde lied met dezelfde naam, op tekst van Cees Schillemans en melodie “De Dorpsherberg”:

Ier tusse de deure kreddut al éél gauw, kriebels ier, kriebels dèr in oe lijf.

Me staan nie alleen want de rest eddut ok, gif mekaar dèrom ok mar de vijf

En dagge ier mag staan is ommers un gunst

Mar eenmaal op ut podium is ’t gin kunst….

TUSSE DE SCHUIFDEURE…….KUNSTENAARS ZIJN WE NOU,

TUSSE DE SCHUIFDEURE……AU, DA DOE ZEER, AU, AU

 

Eind 1993 loop op een donderdagavond tijdens de repetitie enkele leden van dweilband d ‘Ánsjovinisten binnen. Zij nodigen ons uit mee te doen met een evenement op vrijdagavond op de binnenplaats van het Markiezenhof. Het is de avond waarin de Stichting met de prins en de partners samen de start van de Vastenavend al vieren, de zgn ‘Of-avend’. Het initiatief waar wij voor gevraagd werden zou je kunnen zien als een alternatief van deze avond voor de “gewone” krabben. Ik weet nog goed dat toenmalig lid Johan v.d. Heijden met de naam ‘Asofavend’ op de proppen kwam.

We vonden het een prachtige naam! Begin januari ging er al een brief naar de redactie van de Vastenavendkrant met de vraag om aandacht in die krant aan het festijn te geven. Het evenement vond plaats op 11 februari. We vertrokken met de hele club van af “Club 2000”naar het Markiezenhof. Ik weet echt niet meer wat wij toen gezongen hebben, maar het zal wel een deel van de liedjes zijn geweest die we in de jaren daarvoor al hadden gebruikt. Het sloeg geweldig aan met een volle binnenplaats van het Markiezenhof.

De volgende jaargangen van deze feestavonden kregen allemaal een motto. In 1995 was dat “Familiedag”, eigenlijk meer een kerkelijke familieviering, met, naast d’Ansjovinisten , medewerking van: Vocalgroup “Praise ’t Fort”, Kees den doper, d ‘Ouderlinge van Staevenisse, Klap en Jute, Latente Talente en Lianda. Er verscheen een mooi programma met de liedjes. Ons optreden werd wel genoemd, maar zonder de liedjes. Wel zongen we uit volle borst mee met de samenzang: “Dank U voor deze Vastenavend….”. Het programma eindigde met een bekende medley met o.a. “Want er gaat niks boven Berrege”, Ei, lekkere dweil oe ist? En Nou zitte de boeren vandaag op een sleeke.
Er waren geweldige optredens van de Ouderlienken Vermeule en Kost’n (karrekegemurmel).
In 1996 hadden we een “Swaree Musicale” waar wij optraden als “Les Clochards de jardin d‘escaut”. Ofwel de clochards van de Scheldetuin. Verschillenden van ons gingen na het optreden nog dweilen in de stad en lieten het daar goed zien dat ze clochards waren. Elke vuilnisbak werd bestudeerd, totdat zelfs de politie eens kwam kijken wat die viezerik allemaal flikte. We hebben ontzettend veel gelachen.
Elke jaar was er wel een optreden van Jacqueline Aertssen. Dat waren prachtige acts! Ik ben ook bij haar om verdere informatie geweest over de As’Ofavenden. Ik kreeg enkele mooie plakboeken mee. Daarin vond ik dat we zo’n vijf keer hebben meegedaan. Hieronder nog enkele foto’s.


Om het niet te lang te maken heb ik het nu nog over de resterende jaren, waarin door Stichting Vastenavond onze medewerking werd gevraagd.
1998: Het motto luidde “Krabbegat Ávestad!?”
In de gedempte haven werd een paar decimeter water gepompt waardoor het echt leek alsof er weer sprake was van een echte haven. De Blauwe Schuit werd er in gelegd en de prins met heel zijn gevolg was hierbij aanwezig Er waren ontzettend veel toeschouwers. Wij werden gevraagd om onze medley van De Nieuwe ‘Ave daar te zingen. Hierna een foto uit de krant en nog een andere.

Onze laatste, overigens passieve medewerking verleenden we tijdens het jubileum van 66 jaar Vastenavend. Dit was een groots opgezette ‘Ofavend in een grote loods van Meeus. We waren daarbij uitgenodigd onder het motto Dèèr mot op gezonge worden. Een bomvolle enorme hal, prachtig versierd, waarin iedereen een plaatsje op een tribune kreeg. Het was een waardig feest met veel samenzang, waarna we nog lekker daarbinnen gedweild hebben.

Dit was het, wat mij betreft! Nogmaals: aanvullingen stellen we erg op prijs.

AGGE MAR LEUT ET!

 

Van Clemens

Het kleine brave meisje

Een aantal malen zongen we koorwerk van Francis Poulenc (1899-1963). Zo staan de ‘Quatre Petites Prières de Saint François d’Assise’ (Vier kleine gebeden van St. Franciscis van Assisië) uit 1948 en de ‘Petites Voix, Cinq choers facile a capella pour 3 voix d’énfants sur les poésies de Madeleine LEY’ (Kleine stemmen, vijf gemakkelijke koorliedjes, a cappella, voor 3- stemmig kinderkoor naar de gedichten van Madeleine Ley) uit 1936 op ons repertoire. Enkele van die kinderliedjes zijn ‘La Petite Fille Sage’(Het kleine brave meisje) en ‘Le petit garçon malade’ (De kleine zieke jongen).

Ik herinner mij dat we deze muziek zouden uitvoeren in een najaarsconcert in 2011, het jaar waarin Theeuw Ambagts overleed. Toen hadden René Buijs en ik de ondankbare taak bezoekers aan De Ontmoetingskerk van de afgelasting van dat concert, naar aanleiding van dit tragisch overlijden, op de hoogte te stellen. Een van de bezoekers, zo herinner ik mij, was van heinde en verre gekomen om onze uitvoering van koorwerken van Poulenc te kunnen beluisteren. Hij moest helaas, teleurgesteld, terugkeren…In elk geval werd mij duidelijk dat Fortissimo toch ook heel bijzondere muziek zong!

Francis Poulenc was een internationaal beroemd componist. Hij is op 7 januari 1899 geboren in Parijs en overleed aldaar, door een fatale hartaanval, op 30 januari 1963, uiteindelijk 64 jaar geworden. Hij was de enige zoon en enig kind van een diep religieuze vader en een meer wereldse artistieke moeder. Vader runde een fabriek voor geneesmiddelen. Moeder was een niet onverdienstelijk pianiste. Poulenc werd ook pianist, begon met lessen vanaf zijn vijfde jaar. Vader had bezwaren tegen een conservatoriumopleiding, Francis Poulenc moest gewoon naar de middelbare school (Lycée Condorcet). Moeder overleed toen hij 16 jaar oud was en twee jaar later stierf zijn vader. Francis Poulenc werd onder de hoede genomen door zijn leraar Viñes. De rest van zijn leven heeft in dienst gestaan van musiceren en componeren.

Vanaf 1920 werd hij meer en meer bekend. Hij ontmoette bekende componisten uit die tijd (Alban Berg, Anton Webern, Schönberg) maar nam niets over van hun compositiestijl (het zogenaamde twaalftoonssysteem; ik vind die muziek, ondanks de vele moeite die ik heb gedaan, niet om aan te horen…) Poulenc was wars van allerlei wetten en systemen die het componeren zouden moeten dicteren. Hij pleitte juist voor het maken van muziek op grond van eigen gevoel en inspiratie.

De muziek van Poulenc heeft twee kanten: enerzijds licht, frivool, speels, ‘behapbare’ melodieën; anderzijds diepreligieus, ernstig soms wat zwaarmoedig. Poulenc heeft van alles gecomponeerd: (korte) muziekstukken, concerten voor piano (bijvoorbeeld een concert voor twee piano’s, prachtig uitgevoerd door onder meer de gebroeders Jussen en op Spotify of Tidal te beluisteren), kamermuziek, symfonieën, missen, opera’s. Poulenc zei hierover dat hij het ernstige, religieuze van zijn vader had en het speelse, frivole van zijn moeder.
Er zijn nog andere mogelijke verbanden. Francis Poulenc was homoseksueel, heeft daarmee geworsteld en in zijn leven zijn drie relaties geweest die zijn uitgemond in levenslange vriendschappen. Ook heeft hij een kortstondige heteroseksuele relatie gehad (in 1946) met ene Fréderiqe Lebedeff waaruit een dochter voortkwam. Het kind is opgevoed zonder te weten wie haar vader was. Niettemin heeft Poulenc zijn bezittingen na zijn overlijden aan haar nagelaten. Poulenc was dikwijls langdurig depressief en is een keer, in 1954, wegens een ernstige ‘zenuwinzinking’ opgenomen geweest.
Een keerpunt in zijn leven dat aanleiding was voor zijn diepreligieuze gerichtheid was het jaar 1936. In dat jaar verongelukte zijn collega Pierre-Octave Ferroud bij een ernstig auto-ongeluk, het slachtoffer is daarbij zelfs onthoofd. Daarnaast bezocht Francis Poulenc het plaatsje Rocamadour in de Dordogne. Naast een mooi toeristisch dorp tegen een bergwand was het een bedevaartplaats. Daar kreeg hij inspiratie voor de compositie ‘Litanies à la Vierge noire’ (Klaagzangen voor de bedroefde Maagd) voor vrouwenstemmen en orgel.

Poulenc was in militaire dienst tijdens WO I en WO II. Tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, na ontwapend te zijn door de Duitsers, is Poulenc blijven musiceren (hij was pianist en gaf veel recitals met zang) en componeren. In de gebruikte teksten liet hij hier en daar anti-Duitse geluiden horen.
Na de oorlog, tot zijn overlijden in 1963, is hij blijven componeren (onder meer de opera Dialogues des Carmélites (gebaseerd op een verhaal van Gertrud von Le Fort over de martelaren van Compiègne, nonnen die tijdens de Franse revolutie werden onthoofd) en gaf concerten in Engeland en de Verenigde Staten.

Er is nog veel meer over Poulenc te vertellen. Ik laat het hierbij. Wikipedia en YouTube bieden veel extra informatie.
De muziek van Poulenc is toegankelijk, goed te beluisteren, rijk aan instrumentatie en origineel wat de melodieën betreft. Poulenc heeft nogal wat kritiek te verduren gehad op de ‘gemakkelijkheid, simpelheid en soms romantische inslag’ van zijn muziek. Ik persoonlijk ben het helemaal eens met zijn opvatting dat componeren uit je eigen invallen, inspiratie moet komen en niet kan worden gedicteerd door voorschriften en regels. Ik noemde al het strakke kader van het twaalftoonssysteem.
Volgens mij is het eerste deel van de suite ‘Les Biches’ (de schatjes), uit 1923, het meest bekend. Andere bekende werken zijn het Orgel concert (uit 1938) de opera Dialogues de Carmélites (uit 1957).
Zijn componeerstijl zou vooral diatonisch zijn, simpel gezegd: uitgaande van de tonen van een toonladder met vermijding van halve tonen. Zouden die wel ‘meetellen’ dat zouden er veel chromatische toonreeksen in zijn muziek te vinden moeten zijn. De keuze voor diatonisch componeren levert relatief eenvoudige thema’s op. Maar de, op het eerste gezicht, eenvoud van melodie brengt hier en daar veel diepte en veel gevoel met zich mee.

De koorwerken die wij zingen zijn eenvoudig qua melodieuze opzet, maar met veel diepgang (bijvoorbeeld de Quatre Petites Prières). Ik heb niet alle koorwerken beluisterd maar mogelijk zijn er koorwerken in opera’s en/of andere vocale werken te vinden die zingbaar zijn voor ons al of niet samen met Mea Dulcea. Iets voor de muziekcommissie om later eens over te buigen?

Ik sluit af met een dromerige regel uit ‘La petite fille sage’:

…elle va s’ásseoir sur la pierre usée pour voir l’etoile du soir…

…zij gaat op de versleten steen zitten om naar de avondster te kijken…

..elle va s’ásseoir sur la pierre usée pour voir l’etoile du soir……n steen zitten om naar de avondster te kijken…

 

Van Fred

Het is nu februari. Als we even niet opletten is het alweer maart. In maart beginnen sommige amfibieën zich alweer te roeren. Daarom ga ik er nu een stukje over schrijven.
We gaan het hebben over kikkers en padden. En, daar gaan we weer, niet alle beestjes die “pad” in de naam hebben, zijn familie van elkaar.

Gewone pad

Eerst vertel ik iets over kikkers en padden in zijn algemeenheid. De salamanders laat ik even voor wat ze zijn.
De huid van amfibieën, dus ook van kikkers en padden, is erg dun. Water kan er gemakkelijk doorheen dringen. Daarom droogt een amfibie in een droge omgeving snel uit.
Water kan door de huid naar binnen en ook naar buiten. Het is waarschijnlijk dat amfibieën niet drinken. Een kikker die je in uitgedroogde toestand vindt en in het water zet, neemt in een uur meer dan 50 gram in gewicht toe.
De huid is voorzien van een groot aantal kliertjes die slijm produceren; soms is dit slijm giftig. Niet voor de mens, of in te kleine hoeveelheden. Anders zouden er al heel wat kinderen aan kikker- of paddenvergiftiging gestorven zijn!
In de huid liggen ook kleurstofcellen, die verschillende kleuren bevatten. Amfibieën kunnen van kleur veranderen, zich qua kleur aanpassen aan de omgeving. Maar ook temperatuur en geslachtelijke opwinding, waarover later meer, kunnen de kleur beïnvloeden. Hoe die kleurverandering tot stand komt, voert hier te ver.
Voor de ademhaling is de huid van grote betekenis. Er stroomt veel bloed door de dunne huid. Zuurstof uit het water of uit de lucht wordt direct via de huid opgenomen. Maar de beestjes hebben óók longen.
Veel soorten kruipen in de modder om te overwinteren; ze houden winterslaap. Dan werken de longen niet en geschiedt ademhaling alleen door de huid.

 

Meerkikker. Deze kwam te vroeg uit de winterslaap 

In het voorjaar, als de stofwisseling weer op gang komt voldoet ademhaling door de huid niet meer en moet het dier van tijd tot tijd boven komen om lucht te happen.
Hij hoeft dat niet vaak te doen, want in tegenstelling tot wat bij de mens het geval is, kan een amfibie zijn zuurstof nagenoeg geheel opgebruiken alvorens er weer ademgehaald moet worden.
De ademhaling op zich verloopt ook bijzonder. Heel kort: het beest ademt door de neus door de mondholte te vergroten. De neus sluit daarna af als een ventiel en door een slikbeweging gaat de lucht naar de longen.
De nieren van amfibieën zijn erg goed ontwikkeld. Het beest heeft zout nodig. En omdat er in zoet water weinig zout zit worden er enorme hoeveelheden water door het dier opgenomen en via de nieren weer uitgescheiden. Als de nieren niet goed werken zwellen de dieren op en gaan ze dood.
De zintuigen zijn geen van alle echt goed ontwikkeld. Amfibieën kunnen onder water ruiken. Kikkers hebben een redelijk gehoororgaan. Als er één begint te kwaken vallen de andere dadelijk in. Alléén de mannetjes kwaken. Ze lokken daarmee de wijfjes, vandaar dat de concerten in de paartijd plaats hebben. De wijfjes horen de mannen wel 20m ver en ze horen ook uit welke richting het geluid komt.
Het is moeilijk om kikkers op de oever te verrassen. ze springen al voordat je ze ziet in het water. Het is nog onduidelijk of ze je aan horen komen, of komt het door het trillen van de grond? Het staat in ieder geval vast dat kwaken niet als waarschuwingssignaal dient.

De ogen zijn redelijk goed ontwikkeld. Toch reageren ze bijna nooit op niet-bewegende voorwerpen.

En ze zien ook niet goed waar ze naar happen, ze reageren op alles wat beweegt en niet te groot is.Amfibieën hebben ook een geheugen. In een doolhof duurt het wel honderd keer voordat ze de juiste route hebben onthouden. Maar dan onthouden ze de route goed, want na een maand loopt hij feilloos de goede.
Misschien ga ik het in een volgende aflevering eens over de voortplanting van amfibieën hebben. Heel erg interessant, maar minstens een paar A4tjes waard.

We gaan nu verder met de zogenaamde “echte” kikkers. Dus niet de boomkikkers, padden en salamanders.
Vroeger hield men het op de groene kikker, de bruine kikker en de heikikker. Tegenwoordig zijn groene kikkers onderverdeeld in Poelkikker of Kleine Groene kikker, De Middelste Groene kikker en de Meerkikker. De Meerkikker is de grootste met 18 cm.
Groene kikkers hebben wijd uit elkaar staande ogen met een donkere vlek erachter. De Heikikker lijkt wel wat op de Bruine kikker, maar onderscheidt zich door een brede lichte rugstreep.

Poelkikker

Waarschijnlijk is de Middelste Groene Kikker een kruising tussen de Poelkikker en de Meerkikker en een soort in wording.

Ik ga nu verder over de Heikikker, want die begint zich in maart voort te planten.

De Heikikker                                                                           

In de paartijd is het verschil tussen de Bruine Kikker en de Heikikker, althans waar het de mannen betreft, overduidelijk. Ze worden blauw. Niet van de kou, maar door de pigmentcellen met blauwe kleurstof in de huid die door de paringsdrift de grootste hoeveelheid kleurstof afscheiden.
De naam zegt het al: je moet dus begin maart in de hei zijn om ze te zien. Ze zitten in de vennen en leggen eieren (dril) in ondiepe plassen. Je kunt de dril heel goed zien. Maar voordat het zover is, moeten ze paren.

De Bruine kikker

De mannetjes van de Heikikker produceren een totaal afwijkend geluid. Het is moeilijk te omschrijven, maar als je het eenmaal hebt gehoord is het onmiskenbaar.  Als ze eenmaal een vrouwtje hebben gevonden om mee te paren kruipen de mannen, zoals alle kikkers en padden op de rug van het vrouwtje en houden dat behoorlijk lang vol.

In De Nol zitten duizenden Heikikkers en ook in het Stappersven, de Putse Moer en de Kortenhoeff kun je ze aantreffen.
Maar voor mijn fotorondes door het Grenspark, waar ik al eerder over geschreven heb, ga ik in het voorjaar dwars door De Nol. Heel voorzichtig, niet alleen omdat het daar erg nat is en er adders zitten, maar ook om de kikkers te horen. Als ik ze hoor stop ik en ga zitten, want als ze de aanwezigheid van een mens bespeuren houdt het geluid plotseling op. Maar als ik geluk heb, is het volop genieten. Al die kikkers brengen een kakofonisch geluid voort, vergelijkbaar met een bubbelbad. Als je daar wel eens in gezeten hebt en je hoofd tot aan je oren onder water hebt gehouden: dát geluid, maar dan 100 keer mooier.
Het fotograferen van kikkers is niet gemakkelijk. Ze zijn al lang weg of houden zich gedeisd als ze mensen horen, zien of voelen.
Poelkikkers in je eigen vijver zijn het makkelijkst te benaderen en als je heel voorzichtig bent en steeds iets dichterbij komt kun je ze ook van dichtbij fotograferen. Als je eenmaal in die positie bent gaan ze ook niet snel meer weg.
De Bruine kikker is wat simpeler te benaderen, want die zie je regelmatig rondspringen. Je kunt ze dan ook wel pakken.
De Heikikker is een stuk moeilijker. Je kunt hem alleen in maart goed herkennen aan geluid en kleur, maar je moet geluk hebben wil je ze horen én er ook nog dicht genoeg bij kunnen komen om een foto te maken.

Geen winterslaap
En geen schaatsenrijder….

 

Van Bas

Gelukkig , KOORonaNIEUWS viel weer op de mat.

Het verhaal van Fred met als titel “De Schaatsenrijder” bracht mijn eigen schaatsenrijder in mijn gedachten naar boven. Ik pikte er meteen de volgende zin van Fred uit:

      “Dus wat let ons om het vandaag eens over de schaatsenrijder te hebben.     Grapje natuurlijk, want ik ga het niet hebben over mensen die zich op wonderlijke wijze, op nog wonderlijker ijzers, over gestold water bewegen.”

Ik proef, maar ik kan het mis hebben natuurlijk, dat Fred geen schaatsenrijder is. Ik hoor het wel als ik hem onderschat. Maar het was wel even echt winter zeg, afgelopen weekend. Beetje vriezen en ijs van wel 20 millimeter dik!! En ja hoor, de mensen die wel op wonderlijke wijze en op nog wonderlijker ijzers wel over gestold water willen bewegen, kwamen uit hun holletje gekropen. De ANP fotograaf Anton Kappers maakte er foto’s van en die stonden vanochtend, 1 februari 2021, in de krant. En ik? Ik werd daardoor op het spoor gezet van …. Ik, als schaatsenrijder. En nog wat meer!

In mijn gedachten ging ik weer terug naar de eerste jaren na de oorlog. Een heel eind buiten de stad en zeker ver weg van ’t Fort, was er tijdens die oorlog een tankgracht oftewel “de tankval” gegraven. Na een flinke vorstperiode nam ons vader mijn broer Kees en mij mee naar die tankval. Waarschijnlijk te voet, denk ik.
Lourdesplein…….. Prins Bernhardlaan…… Antwerpsestraatweg….. bij slagerij van de Borgt rechtsaf de Klassiestraat (sorry, de Glacisstraat) in ….. en over het koolaspad naar d’n overweg bij Wachtpost 13.
De heuvel op naar de Balsebaan.
Langs de parfumeriefabriek van Kleinkramer
en aan de overkant
het woonwagenkamp …………………….…

(tekening Fons Gieles uit 1950)

en zo waren we al de stad uit.
Daar lag de ijsvlakte.
Midden in de landerijen van toen.

Een paar jaar later zag dat er vanuit de lucht zo uit.

Voor de puzzelaars onder ons…dit is een foto van ongeveer 1967 èn als kleine aanwijzing: helemaal rechts onderin ligt, jawel, de tankval

Mijn schaatsen hingen aan de veters rond m’n nek.

Op een rauwe en koude berg zand gezeten, heb ik de schaatsen ondergebonden.

Dat heeft er waarschijnlijk heel anders uitgezien dan het onderstaande plaatje van bovengenoemde Anton Kappers uit de krant van 1 februari j.l.

Ik stapte het gestolde water op…….
liep op wonderlijke wijze 5 of 6 passen……
de schaatsen zaten naast mijn schoenen….
de moed zakte in mijn schoenen….
Ik heb nooit meer geschaatst.

Dit is ook de tankval, maar toen al als “Vijverberg” in de wijk opgenomen. Waarschijnlijk al jaren 70, want op de achtergrond staan al 3 Wilmaflats.                                                                     

                                                                           

De fotograaf stond bij de Wouwsestraatweg en ziet voor zich enkele personen die “op wonderlijke wijze enz. enz. enz. ….”
Ik herken niemand, maar ik sta er zeker niet bij.

Als er heden ten dage op deze plaats een foto gemaakt zou worden, zou het appartementencomplex waarin wij wonen er ook op staan. Dikwijls sta ik voor het raam of op het balkon en zie dan soms hele fraaie wolkenluchten. Een enkele keer stuurde ik al eens zo’n bijzonder plaatje naar jullie en als afsluiting van mijn “schaatsenrijders” bijdrage een paar toepasselijke plaatjes.
Midden in mijn beeld staat de kerncentrale van Doel. Als de Belgen hun friture aanzetten, hebben zij stroom nodig en Doel levert. Dan gaan de koeltorens hun stoom afblazen.

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 2 Nummer 25

 

Van Ben

 Beste leden,

Het eerste nummer van de nieuwe jaargang van KOORonaNIEUWS zie je hier op je scherm. Een tweede jaargang waar we helemaal niet op zaten te wachten! Het zou immers veel fijner zijn geweest dat we hij niet meer nodig was omdat we liever de donderdagavond gebruiken om te zingen en nieuwtjes aan elkaar uit te wisselen! Want het vermelden van nieuwtjes gaat blijkbaar mondeling soepeler dan op schrift.

Ik ben natuurlijk weer hartstikke blij met de hervatting van KOORonaNIEUWS nu het nog steeds niet mogelijk is op een andere wijze, “lijfelijk”, met elkaar te converseren. Het is super dat Fred weer de draad op wilde pakken. Het moet me echter wel van het hart dat we telkens weer twijfelen of jullie er ook blij mee zijn. De reacties op het contactblad zijn minimaal. Zelfs de aankondiging van Fred dat we weer gingen starten leverde geen positieve reacties op! Dit blad is ontstaan als noodmiddel om met elkaar in contact te blijven. Buiten die enkelen die de redactie wél blij maken met kopie, waarvoor we hen heel dankbaar zijn, wordt er door niemand gebruik gemaakt om zijn opmerkingen of nieuwtjes te melden. We verwachten echt niet dat je even grote verhalen schrijft zoals Fred, Ad en Clemens kunnen, maar een kort bericht zou al prettig zijn. Ik stel dan ook voor om een KORTE BERICHTEN-pagina te openen. LAAT EENS WAT VAN JE HOREN!

Je vindt verderop een artikel over onze vastenavondactiviteiten in het verleden. Bij de voorbereiding ervan waren er een hoop zaken die ons niet meer helder voor de geest stonden. Vul ze a.u.b. aan als je er nog wat meer van weet!

Beste mensen, bij het wegbrengen van de kerstmandjes hebben de bestuursleden jullie allemaal even ontmoet. We begrepen dat het qua gezondheid niet slecht ging. Dat was fijn. We hopen dat die gezondheid zo blijft. En Jac wensen we natuurlijk ook de nodige beterschap. Felicitaties nog voor Piet C., Peter, Jac, Mart en René   ivm. hun verjaardag.

Ben

 

Van Fred

 

Het is winter, tenminste, deze tijd van het jaar heet winter.
Echt strenge winters hebben we al lang niet meer gehad. Maar wie weet, wetenschappers verkondigen dat er bewegingen boven de noordpool zijn die er op duiden dat eind februari een zeer koude periode aanbreekt.

Dus wat let ons om het vandaag eens over de schaatsenrijder te hebben. Grapje natuurlijk, want ik ga het niet hebben over mensen die zich op wonderlijke wijze, op nog wonderlijker ijzers, over gestold water bewegen.

Ik ga vertellen over een insect, want ik houd mij graag bij “normale” natuurverschijnselen.

De Schaatsenrijder

De Schaatsenrijder is een wants. Een ondersoort van insecten. In Nederland leven wel 600 verschillende soorten waartoe de negen soorten schaatsenrijders behoren.
Alle wantsen hebben een steek-/zuigsnuit, waarmee ze hun prooi leegzuigen. Die snuit zit onder zijn lijf gevouwen en een uitklapmechanisme zorgt er voor dat deze ver voor het lichaam uitsteekt om de prooi aan te prikken. Veel wantsen leven van planten, maar er zijn ook veel roofwantsen die leven van bijvoorbeeld andere insecten.

Een mooi voorbeeld hiervan is de bovenstaande foto. Ik zag “iets” op pijpenstro. Ik bewoog mij in de richting van dat “iets” en zag dit tafereel. Dat ik in de buurt was hadden ze op een gegeven moment wel door. Het hele spul begon te bewegen naar de hoger gelegen delen van de grasstengel. De rups was aan beide kanten gestoken. De bovenste wants liep achteruit omhoog en de andere kwamen er achteraan, waardoor de rups een golfbeweging maakte zoals rupsen vaak doen. Maar deze was al dood. Wantsen paren met de achterlijven tegen elkaar. De onderste twee zijn daar vrolijk mee bezig en gingen in de beweging mee. Seks hebben tijdens de maaltijd? Nooit uitgeprobeerd!

Er zijn insecten die rigoureuzer zijn. Zoals het vrouwtje van de bidsprinkhaan die het mannetje tijdens de gemeenschap begint op te eten. Of zij van tevoren heeft laten weten dat hij “om op te vreten is” weet ik niet.
O ja, ik wilde het over de Schaatsenrijder hebben. Goed, we gaan nu verder over deze bijzondere wants.
Wantsen kunnen vliegen en de Schaatsenrijder ruikt geschikt water van kilometers afstand.
Er zijn niet veel dieren die zich op de oppervlaktespanning van water kunnen voortbewegen, de schaatsenrijder is er één van. De naam Schaatsenrijder klopt dus niet; de Schaatsenrijder kan zich niet op ijs voortbewegen. Hij zal zich trouwens niet laten zien op het ijs.
Hij loopt als het ware over het water, aan zijn poten zitten microscopisch kleine haartjes die het draagvlak verhogen. Een wonderlijk beest….

Iedereen heeft wel eens een Schaatsenrijder gezien. Het valt op dat ze ogenschijnlijk maar vier poten hebben. In dat geval zou het geen insect zijn. Wat je ziet zijn de vier lange dunne poten. Het voorste en derde paar poten is tot vangwerktuigen vervormd. Met de vier looppoten loopt en springt hij over het water. Het water wordt door de druk van de pootjes wat ingedeukt en werkt dan als een lens, die lichtstralen verstrooit.

De Schaatsenrijder is een geweldige rover en elk insect dat in het water valt verslindt hij. Zelfs wespen durft hij aan als ze in het water liggen. Probeert de wesp op een blad te klimmen dan klimt de schaatsenrijder er ook op en stoot de prooi net zo lang terug in het water tot de wesp verdrinkt, of dat hij deze in het water kan doden.
Voor de volgende bijzondere waarneming hoefde ik niet ver van huis. Er zitten altijd schaatsenrijders op mijn vijvertje in de tuin.

Ik zag plotseling veel beweging. Een wesp was in het water terecht gekomen en een Schaatsenrijder was er als de kippen bij om hem aan te prikken. Direct daarna zag ik van alle kanten Schaatsenrijders naar de prooi “schaatsen”. Een gecoördineerde aanvalsactie? Waarschijnlijk niet. Ze komen gewoon op de beweging af en nemen deel aan de maaltijd. Gezellig samen een wesp leegslurpen.
Op bovenstaande foto zie je nog een oog en een vleugel van de wesp.
En op de volgende foto zijn er al een paar gasten bij aan tafel gekomen. Ik wist niet dat ik zoveel Schaatsenrijders op mijn vijvertje had.

Om zich voort te planten bespringt het mannetje van een Schaatsenrijder een argeloos vrouwtje, dat daardoor een beetje onder water gedrukt wordt. Het vrouwtje biedt verzet en het mannetje trappelt met zijn achterpoten in het water, waarna het vrouwtje toegeeft. Het getrappel zou maar vissen aantrekken die schaatsenrijders eten.

 

Van Ben

Zang: ‘n stuk of wa Krabbe, die kenne zinge

Het wordt weer vastenavond. Nou, ja, niet bepaald de vastenavond waarvan je droomt. We zullen het moeten doen met films en programma’s van jaren hiervoor, die op een geweldige wijze door de Stichting Vastenavond o.a. via ZuidWest-tv worden uitgezonden. Afgelopen zondag zag ik al een eerste uitzending waarin uitgebreid werd ingegaan op “Tusse de Schuifdeure” van jaren terug. De medewerking van “kerkkoor Fortissimo”(!) werd er nog genoemd, maar we kwamen niet in beeld. Twee fouten: ten eerste zijn we nooit kerkkoor geweest en… we hebben de naam Fortissimo ook nooit gebruikt bij onze vastenavond- activiteiten. kijk maar naar de titel van dit stuk. Zo stond op de achterkant van de platenhoes onze medewerking genoteerd. En… die plaat “krabbegatse brouwsels” was ook gelijk de eerste vastenavondactiviteit waaraan wij in ons lange bestaan hebben meegedaan.

Voor ik het vergeet te zeggen, toen ik op het idee kwam om dit artikel te schrijven heb ik gelijk vriend en medezanger Wim gevraagd om nog eens mee te denken over deze “concerten”. Hij was ook vaak degene die zeer actief erbij betrokken was, zelf liedjes maakte en de mensen mee liet zingen. Maar daar komen we later nog op terug.

In de loop van 1983 werden wij gevraagd om mee te werken aan een plaat waarop al dan niet carnavaleske Bergse liedjes moesten komen. Niet iedereen had daar zin in, maar er waren zo’n 12 leden die enthousiast waren en ja zeiden. Dat was toch nog wel even extra repeteren op “Dèèr ángde ne pekelèring aan”, “Platte, edde gij ’n oedje n’op”, “O, van Damme” en nog vele andere. Op een middag gingen we met een klein busje, vergezeld van leden van de Stichting, naar Hilversum voor de opnamen. We werden niet begeleid door een Bergse vastenavondband maar door beroepsmuzikanten. En dat leverde soms, door ons enthousiaste zingen, problemen op bij de begeleiding. Zo wist Wim nog te vertellen dat we “Moeder onze Kraai is dòòd” wel acht keer moesten herhalen voor de opname omdat de muzikanten maar niet konden wennen aan de door ons gebruikte rusten tussen de regels, die niet op hun muziekpapier stonden.

In november van dat jaar kwam de plaat uit en werden we uitgenodigd bij de officiële presentatie in de Korenbeurs, oftewel bij Coppenolle. Daarna liepen we op die zaterdagmiddag met zijn allen achter de Stichting en een dweilband door de stad om de plaat te promoten.

Enkele jaren later, maar we wisten niet precies meer wanneer (misschien zijn er nog leden die dat wel weten. Laat het ons dan horen) zijn we door harmonie EMM uitgenodigd om medewerking te verlenen aan een vastenavondconcert in het toenmalige Luxortheater. Hieronder, misschien niet zo duidelijk omdat het een krantenfoto is, een prent van ons. Zoals je kunt lezen , kondigden we ons toen voor de eerste keer aan als “De Nuuwe n’ave zangers”. We hadden immers toen al zes melodieën waarop we het oude vastenavondliedje “Me n’ebbe nou un nieuwe n’ave” zongen. In latere jaren zijn er daar nog zeker vier bij gekomen. Ik weet nog goed dat René daar erg me bezig was. Hij kwam telkens weer met een nieuwe melodie uit ons serieuze repertoire aan.

Wat ik me niet meer wist te herinneren maar Wim wel, was weer enkele jaren later een vastenavondconcert van de dweilband Toeteroet in De Hollandse Tuin. Misschien dat een aantal van jullie daar nog iets over kunnen vertellen. Ik weet nog wel dat we verschillende keren met Toeteroet op pad zijn geweest om al dweilend naar het Dweilbandfestival te gaan. Maar daar kom ik volgende keer op terug evenals op de geweldige As’Ofavende en nog andere festiviteiten.

Schroom niet om mijn verhaal aan te vullen.
Tot volgende week

Ben

 

Van Ad
Een verhaal afkomstig van één van “zijn” stadsgidsen.

NET ALS IN DE FILM……..

 Toegegeven: ik deed het om die Mars-reep. En voor dat papieren vlaggetje ook wel eigenlijk.

Een week daarvoor had er namelijk een klein artikeltje in het BRABANTS NIEUWSBLAD gestaan: FIGURANTEN GEZOCHT voor filmopnames op het Beurspleintje vóór het MARKIEZENHOF.

En daar ging ik als tienjarige op af, belust op een gratis MARS en zo`n vlaggetje natuurlijk.

In datzelfde bericht werd de toekomstige Bergse filmsterren verzocht om in “sjofele kledij” te komen, want de film speelde zogenaamd in 1944, nét na de Bevrijding van Brabant. Pas veel later zou ik te weten komen dat het ging over “ALS TWEE DRUPPELS WATER”, een film van Fons Rademakers, die in 1962 deels in het toen leegstaande MARKIEZENHOF opgenomen werd.

Alle aankomende acteurs moesten zich melden in het Achterom. Daar stond over de volle breedte van de straat een legertruck vol Marsen! En vlaggetjes! In een rij liepen we langs die groene vrachtwagen om onze rekwisieten op te halen. En daarna meteen door naar de “set” op het BEURSPLEIN om “menigte” te gaan spelen. Dat ging mij redelijk goed af, kan ik u zeggen. Karakterrollen hebben mij altijd wel gelegen, geloof ik. Alleen het WILHELMUS zingen met een mondvol Mars viel tegen. Bij het “…ben ick van Duytschen bloet…” spetterde per ongeluk de melkchocolade tegen de sjofele beige regenjas van een mede-figurant vóór mij. Toch een soort van kleine verzetsdaad, vond ik. En een bewijs dat ik “in mijn rol zat”.
Vervolgens struikelde ik met vlaggetje en al over een soort van treinspoortje. Dat bleken de rails te zijn waarover de camera, achteruit rijdend, de hoofdpersoon in close-up filmde. Dat spoorlijntje gaf mij vrij baan om vooraan te kunnen staan.
Daar stond ik dan, op de voorste rij, met vlaggetje en Marsmond. Het leek of de regisseur op mij gewacht had, want ineens klonk het sein tot: “JUICHEN!!” Dat deden we, uit volle vaderlandse borst. Ik hoorde een man achter mij zeggen dat die zwarte auto, die daar zo statig bij de Mariahoek kwam aanrijden, zogenaamd KONINGIN WILHEMINA vervoerde. Ons gejuich kletterde tegen de gevels van Jan metten Lippe. De euforie kolkte om mij heen, ik zat nu echt in mijn rol, ik voelde het tot in mijn vezels.

Toen kreeg ik die duw. Zeg maar STOMP in mijn rug. In een flits schoot de ster van de film, als verpleegster verkleed, langs mij heen om vervolgens te verdwijnen onder de poort van het MARKIEZENHOF, nét voor “de KONINGIN”.
Hier eindigde abrupt mijn filmcarrière die zo veelbelovend was begonnen in de Moeregrebstraat. Ik hield er een gescheurd papieren driekleurtje aan over. En een blauwe plek, maar die is in zo`n zwart-wit film gelukkig niet te zien…

 

 

Van Clemens

Liedjes uit Karad.

 

Een van de merkwaardigste stukken die wij zingen is ‘Songs from Karad’ van Zoltán Kodály.

Toen ik de tekst vertaalde (uit het Engels) bleek het een onsamenhangend allegaartje te zijn. Later werd mij duidelijk dat het muziekstuk eigenlijk een compilatie van Hongaarse volksmuziek is. Je vindt er teksten over onder meer een hongerige en dorstige bezoeker aan een herberg en een schuldbewuste veedief. Ik vind het stuk een prachtig muzikaal werkje, met veel contrasten en opvallende ritmes. Even terzijde: Karad is momenteel een toeristisch plaatsje waar je leuke huisjes kunt huren, kunt kamperen en het ligt ten zuiden en niet zover van het Balatonmeer.

Ik wil iets vertellen over Zoltán Kodály. In Hongarije is hij een beroemdheid. Hij is geboren op 16 december 1882 in Kecskemét in het voormalige Oostenrijk-Hongarije. Het plaatsje ligt in Midden-Hongarije. Over zijn vroege jeugd heb ik niet veel kunnen vinden. Zo weet ik niet of hij broers en/of zussen had. Hij heeft als kind gewoond in Galánta en Nagyszombat (nu Trnava). Trnava is nu een stad in Slowakije maar hoorde rond het begin van de 20e eeuw bij het Hongaarse koninkrijk.   Kodály overleed op 6 maart 1967 in Boedapest.

Zijn vader was een verdienstelijk amateurmusicus die Zoltán vioolles gaf. Zijn moeder was pianiste. Vader was ook zanger in een kerkkoor. Tijdens zijn gymnasiumjaren componeerde hij enige orkestwerkjes die ook zijn uitgevoerd. Zoltán Kodály is naar de universiteit van Boedapest gegaan en de Franz Liszt Muziekacademie. Hij is uiteindelijk gepromoveerd op een proefschrift over Hongaarse volksmuziek.
Aan de muziekacademie studeerde hij onder Hans Koessler die ook de beroemde Béla Bartók onder zijn hoede had. In 1905 zou hij Bartók hebben ontmoet.
Er is toen een samenwerking met hem begonnen bij het verzamelen van Hongaarse volksmuziek in de streek Galanta. Dit heeft hij tot 1914 gedaan.

Zijn belangstelling was ook breder dan alleen voor volksmuziek. Hij heeft gereisd naar Bayreuth, Salzburg, Berlijn en Parijs. In 1907 werd hij leraar muziektheorie aan de genoemde Franz Liszt Academie. Hij neemt het werk van zijn leermeester Koessler in 1908 over, wanneer hij compositie gaat onderwijzen. Dit heeft hij tot 1911 gedaan. In andere bronnen vind ik aanwijzingen dat Kodály tot 1941 aan de Academie was verbonden. Ook zou hij korte tijd in Parijs compositie hebben gestudeerd bij Charles Widor, echter de jaartallen worden in mijn bronnen niet vermeld.

De muziekstukken van Kodály zijn vooral romantisch van aard. Je zou er elementen in kunnen terugvinden van Hongaarse volksmuziek, (toen) hedendaagse Franse muziek en religieuze muziek uit de Renaissance. Zijn toch dikwijls uitgevoerde werk omvatte onder meer kamermuziek, orkestwerken, religieuze werken (een mis en kerkelijke gezangen). Ik heb het gevoel dat in deze tijd we (te) weinig werk van Kodály horen. Ik vind zijn muziek vrij toegankelijk. Vooral de werken voor een kleine bezetting (cellosonates, strijkkwartetten) zijn hier en daar muzikale juweeltjes.

In Hongarije is Kodály ook bekend als kenner van de Hongaarse volksmuziek. Hij heeft hierover veel artikelen geschreven voor etnografische (volkenkundige) en muziektijdschriften. Zijn, ook met Bartók tot stand gebrachte , verzameling Hongaarse volksliedjes werd de basis van het verzamelwerk Corpus Musicae Popularis Hungariae (Verzameling van Hongaarse Volksmuziek) uit 1951.

Naast al deze op muziek of het componeren van muziek gerichte activiteiten, was Kodály ook muziekpedagoog. Hij vond het muziekonderwijs in Hongarije (rond 1925) abominabel slecht en ontwikkelde een methode om het muziekonderwijs te verbeteren. Deze methode heeft later bekendheid gekregen in andere landen (o.m. Nederland) en heeft zelfs de status van Immaterieel Cultureel Erfgoed bij de UNESCO gekregen (2016).

Ik zal in grote lijnen iets over de zogenaamde Kodálymethode bij muziekonderwijs vertellen.
Met een collega, Jenó Ádám, begon hij in 1935, aan een hervormingsproject van het muziekonderwijs in de lagere en middelbare scholen in Hongarije. Het gegeven dat Hongarije na 1945 onder de invloed van de Sovjet-Unie viel en een centralistisch bestuur had, maakte het project gemakkelijker: in alle openbare scholen kon de methode Kodály worden doorgevoerd.
Eigenlijk is de methode die Kodály ontwikkelde een samenraapsel van reeds bestaande methoden in verschillende landen, maar gekozen om de effectiviteit en het uiteindekijk resultaat. Zijn benadering ging voornamelijk uit van het ontwikkelingsniveau van het kind. Zo worden (kleine) kinderen bekend gemaakt met muziek en muzikale begrippen door luisteren, zingen en bewegen. Ik herinner mij dat ik als kleuter op een Montessorischool regelmatig dansjes maakte op muziek van Tsjaikowki (Capriccio Italien) en zo een eerste gevoel kreeg voor ritme en klank. De betekenis noten werd geleerd door bijvoorbeeld een kwartnoot uit te spreken als ‘ta’ en een achtste als ‘ti’. Ook de handgebaren die samengaan met toonladders maakten deel uit van de Kodálymethode. Er zijn nog meer elementen te vermelden, maar dat voert hier te ver. Veel van wat Kristin met ons doet wanneer een nieuw stuk wordt ingestudeerd is van de Kodálymethode afkomstig. Bijvoorbeeld het ritmisch handenklappen of het ritmisch zeggen van de tekst om de toonlengte ‘erin’ te krijgen. Ik vermoed dat menig koorlid die ooit onderwijzer was iets van de Kodálymethode tijdens de kweekschooljaren heeft meegekregen.

Aan het begin noemde ik de ‘Songs from Karad’ (Liedjes uit Karad). Naast dit werk staan , Soldiers Song’ (Lied van een soldaat) en ‘The Bachelor’ (De vrijgezel) op ons repertoire. Het laatste lied is een loftuiting op het vrijgezellenbestaan. Is dat ook Kodály van toepassing? Ik vind in mijn bronnen niets over een partner of kinderen.
Hoe dan ook: wat zijn zijn liederen toch fijne koormuziek!

Bronnen:
The Larousse Encyclopedia of Music (1975);
Encyclopedia Brittanica (2020);
Wikipedia.

Veel van zijn werk is te beluisteren op Spotify, Tidal en YouTube. De laatste biedt ook een aantal uitvoeringen van koorwerken die wij in Engelse vertaling zingen, zij het hier in het Hongaars. muziek van Kodály!
Geniet ook van een prachtige ‘flash mob’ in Boedapest met Hongaarse volksdansen en muziek van Kodály!

 

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 24

 

Van Het Bestuur

 

Hartelijk dank voor de positieve reacties op de kerst/nieuwjaars-boodschap die het bestuur en Kristin hebben gebracht. Wij hebben er in ieder geval al plezier aan beleefd!

 

Van Ad (Verhaal van Jannie Bode)

Als je in een bepaalde stad opgroeit, realiseer je je niet altijd wat je woonplaats allemaal te bieden heeft. Met mij was dat niet anders tot ik eind jaren negentig van de vorige eeuw met een goede bekende uit Den Haag door de stad liep en hij zich afvroeg of ik me wel realiseerde dat ik in een bijzonder mooie stad woon. Ik keek om me heen en ging die stad bekijken door de ogen van iemand, die hier niet vandaan komt. Ineens zag ik hoeveel mooie gebouwen en plekjes onze stad kent.

Mooi plekje in Den Haag:

En als ik nu als stadsgids mensen rondleid, ben ik me regelmatig bewust van het rijke verleden van het betreffende monument of de plaats in de stad en probeer ik me een voorstelling te maken van wat daar in een ver verleden allemaal al plaatsvond. Neem nu bijvoorbeeld het Stadhuis. In het deel met het bordes werd in 1400 al rechtgesproken door de Schout en de Schepenen. Denk eens aan al die gevangenen, die daar hun vonnis aanhoorden. Een vonnis, dat vervolgens op de Grote Markt werd voltrokken. Zij die slechts met een schandkap op door de stad hoefden te lopen, kwamen er goed vanaf, maar het gebeurde ook, dat er mensen opgehangen werden. Natuurlijk tot groot verdriet van hun familieleden, die de executie bijwoonden.

Mooi plekje in Bergfen op Zoom:

Maar er waren natuurlijk ook leukere gebeurtenissen op die markt, zoals de Blijde Inkomste van een nieuwe Heer of Markies. In optocht kwam die de stad binnengetrokken, daarbij feestelijk onthaald door de bevolking, die in dikke rijen langs de kant stond (doet me overigens aan een ander onthaal denken, u ook?). En natuurlijk waren daar de Jaarmarkten, de Paas- en Koudemarkten, die gedurende 2 weken gehouden werden in de “Gouden Eeuwen” van onze stad, de grote economische bloeiperiode, die (grofweg) van 1300-1550 geduurd heeft. Van heinde en verre kwamen kooplieden naar Bergen op Zoom om hier hun waren te verkopen. Uit Italië kwamen de Lombarden (bankiers) om geld uit te lenen of te innen, uit Schotland en Noordoost Europa brachten kooplieden o.a. huiden mee en uit Engeland lood, tin en lakense stoffen. En natuurlijk moesten de bezoekers ook vermaakt worden: er waren jongleurs, muzikanten enz. enz. Wat een bruisend geheel moet dit geweest zijn! En die Grote Markt is in deze tijden nog steeds een bruisend middelpunt van de stad, toen en ook nu de huiskamer van de stad.
En zo heeft elk plekje, elk gebouw in onze binnenstad een verhaal. Wij als stadsgidsen leiden u graag rond in de grotere monumenten of tijdens een stadswandeling om deze verhalen te vertellen.

 

Van Clemens

 In deze laatste bijdrage over Audio  gaat het over audio bij je thuis. Ik geef geen algemeen geldende voorschriften, want dat is niet mogelijk. Wel wat kanttekeningen die je op een bepaald spoor kunnen zetten. Ik laat jullie zien hoe ik een en ander zelf heb opgelost. Mocht je eens langs willen komen om het resultaat te beluisteren: je bent welkom! Hopelijk heb ik je iets geboden waarmee je de komende lock-downperiode wat gemakkelijker kunt doorkomen!

  1. Audio thuis.

In dit laatste deel van mijn bijdragen over audio gaat het over audio thuis. Wat zou een goede installatie kunnen zijn? Wat is het belang van onderdelen ervan? Draadloos of met kabels? En algemeen geldend antwoord op al deze vragen – en ook andere vragen – is natuurlijk niet mogelijk. Op grond van de vorige delen en eigen ervaringen kan ik slechts wat richtlijnen geven.

Toen ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw mijn eerste audio-installatie kocht bestond die uit een paar luidsprekers, een versterker, een (radio-)tuner, een platenspeler en (wat later) een cassettebandrecorder. In de loop van de tijd is een en ander verdwenen en verhuisd naar een opslagruimte. Zo bleek met de komst van de kabel de tuner overbodig. De cassetterecorder bleek beduidend minder kwaliteit aan geluidweergave op te leveren vergeleken met de compact disc. De cd-speler maakte de platenspeler overbodig. Ook hier bleken duidelijke verschillen in weergavekwaliteit te spelen. In de afgelopen jaren kwam streaming via internet op. Dit maakte de aanschaf van cd’s (soms een verslaving voor mij) overbodig. Bepaalde streamingsdiensten leveren geluid van cd-kwaliteit – en soms nóg beter – en de maandelijkse kosten zijn beduidend lager dan de aanschafkosten van een cd die ik drie tot vier keer beluister en vervolgens in de kast zet. Ik zal verderop in deze presentatie nog terugkomen op de huidige stand van zaken wat audio betreft bij mij thuis.

Even een korte uitleg over Bluetooth. Deze uitleg hangt samen met de vraag of een draadloze audio-installatie of een installatie met draden/kabels tot het wensenpakket hoort. Bluetooth is een Nederlandse uitvinding uit 1994. Jaap Haartsen, toen medewerker bij een vestiging van Ericsson te Emmen, heeft deze techniek bedacht en heeft er – helaas – financieel niets aan over gehouden.

Men wilde een techniek ontwikkelen die draadloze communicatie tussen allerlei apparaten (mobiele telefoons, koptelefoons, laptops et cetera) mogelijk zou maken. Deze techniek werd Bluetooth genoemd naar de Vikingenkoning Harald Blauwtand die ooit het christendom in Scandinavië invoerde en daarmee Scandinavië met de overige Europese landen verbond.

Bluetooth is niet meer dan een radioverbinding tussen apparaten waarbij de radiofrequentie in 2.4 Ghz-band ligt (2.4 000.000.000 Hertz) van lage sterkte (voor thuisgebruik 1 tot 2,5 milliwatt, tot 10 meter afstand tussen zender en ontvanger). Bekende toepassingen zijn de verbindingen tussen onder meer mobiele telefoons en (auto-)luidsprekers, pc en muis of draadloze koptelefoons. Bluetooth is aanvankelijk vooral op onderlinge (spraak-)communicatie gericht geweest, uiteraard met de nodige veiligheidscoderingen. Tegenwoordig wordt deze techniek gebruikt voor draadloze overbrenging van (digitale) audiobestanden. Een bekend merk dat hier veel reclame voor maakt is Sonos.

Terug naar audio in de eigen woonomgeving. Bij het kiezen van een (of reorganiseren van een bestaande) audio-installatie is de belangrijkste vraag steeds: welke muziek heeft mijn voorkeur? In het algemeen kun je stellen dat hoe dichter de geluidsweergave bij het oorspronkelijk geluid moet komen hoe meer eisen gesteld moeten worden aan de audio-installatie. Bij bepaalde soorten muziek zal dit van meer belang zijn dan bij andere muzieksoorten. Als de voorkeur uitgaat naar bijvoorbeeld (zachte) muziek op de achtergrond, dan is de eis van ‘oorspronkelijkheid’ niet van belang. Luidsprekers die Bluetooth-signalen ontvangen hebben dan een uitstekende functie. Daar komt bij dat bij bepaalde opnametechnieken, onder meer die van popbands met elektronisch versterkte instrumenten, de rol van degene die de muziek ‘mastert’ (bewerkt tot een bepaald geheel van klanken) bepalend is voor wat je te horen krijgt.

Overigens geldt dit eigenlijk ook voor alle opgenomen muziek (grammofoonplaten, cd’s) waarbij technici microfoons manipuleren, bepaalde instrumenten meer of minder naar voren halen, een solist meer of minder laten horen et cetera. Dus in hoeverre opgenomen muziek de oorspronkelijke klanken benadert is al sterk bepaald door technici die bij het master-proces zijn betrokken.

Is de wens om akoestische (dus niet elektronisch versterkte) instrumenten of (solo-)zang zo optimaal mogelijk te beluisteren dan is van belang dat een audio-installatie voldoende ruimte bezit om die klanken voort te brengen. Bij veel populaire muziek, achtergrondmuziek, licht klassieke muziek is dit niet zo van belang. Weergave van bijvoorbeeld MP3-bestanden kan op een goed niveau draadloos geschieden met daarvoor geschikte apparatuur. Wil je bijvoorbeeld akoestische opnamen van bijvoorbeeld moderne muziek (onder meer ‘sing-a-song’), klassieke muziek of muziek van indianenstammen (zogenaamde etnologische muziek) goed beluisteren dan zijn andere apparatuur en passende bekabeling nodig . Een draadloze weergave met behulp van Bluetooth kan dan de weergave nadelig beïnvloeden door de beperkte bandbreedte van de gebruikte zendfrequentie.

In het verdere betoog zal ik mij richten op een vijftal componenten van de geluidsweergave: de ruimte waarin wordt geluisterd, de luidspreker, de versterker, de cd-speler en streaming.

Meestal is de luisterruimte de woonkamer. Hoe geluid klinkt wordt in belangrijke mate door die ruimte bepaalt. Zo is de aankleding en inrichting ervan belangrijk, de vloerbedekking, het meubilair. Het is niet mogelijk om aanbevelingen te geven voor het voor een goede geluidsweergave optimaal inrichten van de woonkamer. Bij het kiezen van luidsprekers is het van belang om gewoon diverse exemplaren in de eigen woonomgeving te beluisteren en dan een keuze te maken. Zo zijn luidsprekers die zogenaamde referentiespeakers zijn (onder meer voor gebruik in opnamestudio’s) wel goede weergevers van vele hoge en lage tonen maar ze klinken niet in de woonkamer omdat die omgeving heel andere is dan de studio. Het is altijd een kwestie van persoonlijke smaak welke luidspreker het beste past.

Dan de plaats van de luidspreker. Mijn ervaring leert dat wanneer je de luidspreker zo onafhankelijk als mogelijk is van de omgeving plaatst (dus niet onder meer in een hoek geklemd, of tussen boeken in een boekenkast, of plat op een houten vloer) het geluid uit de speaker maximaal tot zijn recht komt. Dit geldt volgens mij voor luidsprekers met een of twee conussen (zogenaamde tweewegspeaker) als met meerdere conussen. Maar ook hier is persoonlijke smaak bepalend! In mijn woonkamer staan de twee luidsprekers op een stenen tegel die op een houten vloer is geplaatst. Onder luidspreker zijn spitse metalen voetjes geschroefd zodat direct contact met de ondervloer tot een minimum is beperkt. Dit verhindert vervelende ‘staande golven’, een soort van resonantie vooral van bastonen.

Bij het beluisteren van luidsprekers in een (Hifi-)winkel is het raadzaam muziek te beluisteren met veel dynamiek en tonen. Ik zelf heb veel gehad aan het beluisteren van orgelmuziek (Bach). Op die manier kan een eerste ‘schift’ worden gemaakt voordat de luidsprekers in de eigen ruimte worden gekeurd.
Over versterkers valt veel te vertellen, met name de technische aspecten ervan. Ik verwijs naar allerlei tijdschriften en testrapporten. Van belang is dat het weergegeven geluid zoveel mogelijk details weergeeft en een goede signaal/ruisverhouding heeft. Dit laatste kun je eenvoudig vaststellen door de potmeter oftewel hard-zachtknop, zo ver als mogelijk is open te draaien. Andere apparatuur (tuners, cd-spelers e.d.) moeten natuurlijk uit staan. Wanneer er dan geen of een heel klein beetje ruis uit de luidsprekers komt is de versterker in orde.
Veel versterkers hebben allerlei extra aansluitmogelijkheden wat de prijs doet stijgen terwijl de kwaliteit van het geluid navenant blijft. Van belang is ook de verhouding met de andere onderdelen van de audio-installatie: zo heb je niets aan een dure versterker in combinatie met kwalitatief zwakke luidsprekers. Ook hier geldt: zelf luisteren, eigen smaak is bepalend.

Cd-spelers zijn er te kust en te keur. De techniek erin is altijd hetzelfde: een digitaal-naar-analoog-omzetter (DAC) een aftast-laser en voeding. De prijs wordt veelal bepaald door de ombouw (het ‘kastje’) de aansluitmogelijkheden en ook de mogelijkheid om een dvd af te spelen. Ook hier geldt: let op de verhouding met andere onderdelen van de audio-installatie.

Streaming van muziek heb ik in het vorige deel beschreven. Toen de mij bekende Ad Quist, boekhandelaar te Bergen op Zoom, enige jaren geleden begon met de verkoop van cd’s kwamen ook streamingsdiensten op (o.m. Spotify). Ik vroeg Ad toen of hij geen concurrentie hiervan vreesde. Ad vond toen van niet maar hij verkoopt nu geen cd’s meer…
Ikzelf koop nauwelijks cd’s meer. De kosten ervan wegen niet op tegen een abonnement bij een streamingsdienst. Zo’n dienst maakt het mogelijk om allerlei opnamen, muzieksoorten en nog veel meer op elk moment van de dag te kunnen beluisteren. Voor de meer lichte muziek gebruik ik I-Tunes van Apple of Spotify Premium (verbeterde MP3 weergave) dat in mijn KPN-Alles-In–Een abonnement is begrepen. Voor symfonische muziek en ander klassieke muziek ben ik geabonneerd op Tidal een streamingsdienst die muziek in FLAC-formaat en hoge resolutie levert.

Laat ik jullie tot slot kennismaken et mijn huidige audio-installatie. De luidsprekers zijn van het merk Kef Q11 (Zie de afbeelding op deze pagina). Ik heb die tegen en redelijke prijs in Rotterdam op de kop kunnen tikken. Het type was een zogenaamd uitloopmodel voor de Amerikaanse markt. Een flink formaat (1050 x 258 x 366 mm) eigenlijk bestemd voor grote ruimtes. In de afbeelding zie je dat de ruimte onder de tweeter (de bovenste luidspreker voor hoge tonen) met (wegneembaar) schuimplastic is gevuld. Een dergelijke mogelijkheid is ook aan de achterzijde van de luidspreker, bedoeld als demper van de basreflexkast. De luidspreker is een zogenaamde vierwegluidspreker omdat er vier scheidingsfilters in zijn verwerkt waardoor de afzonderlijke speakers een frequentiebereik van 35 tot 27000 Hz kunnen omvatten.

De versterker is een QUAD 33-303( zie de afbeelding rechts). Dit is het enige onderdeel van mijn audio-installatie dat ik sinds 1974 heb behouden. De naam QUAD staat voor ‘Quality Unit Audio Domestic’. Het merk QUAD is nog steeds een topmerk in de HiFi-wereld. Ik heb de versterker enige jaren geleden door Armand van Ommeren te Bavel laten reviseren. De versterker werkt als vanouds en kan zich meten met veel duurdere soortgenoten. De versterker bestaat uit een voorversterker (voor bijvoorbeeld zwakke signalen van een cd-speler of grammofoon) en een eindversterker die via kabels is verbonden met de luidsprekers.

Voor het afspelen van cd’s (wat ik bijna nooit doe) maak ik gebruik van mijn PC. Deze heeft een cd-lade waarin allerlei soorten cd’s en dvd’s gebrand en afgespeeld kunnen worden. Mijn cd-collectie met klassieke muziek heb ik geript naar FLAC-bestanden en opgeslagen op een externe harde schijf. Andere cd’s naar MP3-bestanden. Afspelen van die bestanden (cd of opgeslagen bestand) gebeurt door middel van mediaspeler (bijvoorbeeld VLC) en een draadloze verbinding tussen de PC en de voorversterker. Die verbinding wordt tot stand gebracht door een eenvoudig FM-zendertje die werkt in het gebied van 2,4 GHz (Sitecom EL-060, zie de afbeeldingen). Ik vind de geluidskwaliteit prima. Het zendertje is wel storingsgevoelig: de zender (een dongel, door middel van USB aangesloten op de PC) heb ik hoog moeten hangen omdat er gemakkelijk storing plaatsvindt bij bewegingen tussen de dongel en de ontvanger. Ook als de buurvrouw (ik woon in en appartementencomplex) of ikzelf de magnetron aanzet ontstaat er geknetter. De ontvanger (een klein zwart kastje) is verbonden met een radio-ingang van de voorversterker.

Het streamen van muziek gebeurt via de PC en wel door middel van programma’s die Spotify en Tidal bieden. Bij klassieke muziek kan ik, zoals eerder aangegeven, via Tidal in cd-kwaliteit of hoge resolutie afspelen.

Eerder gaf ik aan gebruik te maken van een KPN-abonnement voor radio, tv, internet en telefonie. De tuner die KPN levert maakt het mogelijk geluid van de tv via de versterker te laten lopen. Op deze wijze zijn bijvoorbeeld live-uitzendingen van klassieke muziek uitstekend te beluisteren (en te bekijken), onder meer Podium Witteman. Maar ook het geluid bij films krijgt dan het bekende ‘bioscoop effect’.
Er valt veel meer te vertellen. Ik houd het hierbij.

Dit was het laatste deel van mijn bijdragen over audio. Ik hoop dat het jullie niet heeft verveeld, wat best zou kunnen want ongemerkt zijn de betogen toch ook van wat saaie en technische aard geweest. Wellicht zijn er onder jullie die geïnspireerd zijn geraakt en ook iets met audio willen doen. Helaas heb ik jullie geen geluid kunnen laten horen. Gelukkig is op internet veel mooie muziek te vinden, wellicht is er naar zoeken een mooie activiteit voor de lock-down in de komende weken!

 

Van Fred

Deze keer wil ik het met jullie hebben over vleermuizen. Waarom?
Ik ben een paar keer op pad geweest met mensen die verstand hebben van vleermuizen. Dat zijn ook weer zeer bevlogen mensen, net als leden van paddenstoelen-, planten- en vogelwerkgroepen. Het verschil is dat zij altijd bij nacht en ontij op pad zijn.
Ik heb veel soorten vleermuizen gehoord. Dat gaat niet met je oren zonder hulpmiddelen, want vleermuizen maken ultrasonore geluiden. Vleermuizen zitten overal. Als je op een zomeravond in de tuin zit, zie je ze gegarandeerd. Tijd om iets mee te weten te komen over dit bijzondere zoogdier.

De vleermuizen zijn nooit populair geweest en zijn het ook nu nog niet. In vroegere tijden voorzagen tekenaars de boze geesten wel van vleermuisvleugels en de goede van vogelvleugels, wat zeker niet zonder opzet gebeurde, want de wonderlijk gevormde, geheimzinnig rondvliegende, hoop piepende diertjes zelf beschouwde men als onheilsboden. Zelfs in onze tijd vindt men nog wel eens een vleermuis gespijkerd tegen de deur van een stal, bedoeld om boze geesten te verdrijven. De geringe kennis over deze dieren is de oorzaak van de afkeer van vleermuizen. Vaak wordt of werd gedacht dat vleermuizen ziekten overbrengen, dat ze vol ongedierte zitten en dat ze in je haren vliegen.

De vleermuis is een zoogdier. Heel lang, tot in de 18e eeuw heeft men gedacht dat vleermuizen tot de vogels behoorden. Levendbarende vogels dan wel. Niet zo gek eigenlijk, als je de bouw van de vleermuis bekijkt. Hij vliegt écht met behulp van de vlieghuid die tussen het lichaam en de voor- en achterpoten gespannen is, en tussen de vingers, tussen arm en hals en tussen achterpoten en staart.

 

 

 

   1. Armvlies, 2. Voorarmvlies, 3. Vingervlies, 4. Staartvlies, 5. Spoorlob,              6. Spoorbeen, 7. Bovenarm, 8. Onderarm, 9. Handwortel, 10. Duim,
11. Middenhand, 12. Vingers met kootjes (I en II), 13. Dijbeen, 14. Been,        15. Voet

Vlucht van een vlermuis:

Vleermuizen hebben geen veren, maar een vacht. Maar wel een speciale vacht. Ze hebben niet zoals andere zoogdieren wol- en dekharen, maar alleen speciaal gevormde haren.
Dat vleermuizen niet populair zijn blijkt wel uit het feit dat onmiddellijk na het uitbreken van Covid-19, dit gekoppeld werd aan het verhandelen en eten van vleermuizen in China. Het is nog zeer de vraag of hier de oorzaak ligt van het overbrengen van dit virus van dier op mens.
Onmiddellijk werd in Nederland ook dit verband gelegd. En is hiervan sprake?
Het is een begrijpelijke vraag, maar vleermuizen in Nederland hebben niet het nieuwe coronavirus.

De uitbraak begon waarschijnlijk in China en het virus is door ons reisgedrag en overdracht van mens op mens inmiddels over de hele wereld verspreid. Het verspreidt zich ook in Nederland razendsnel. Maar waar komt dat virus dan vandaan en waarom worden vleermuizen in China vaak als bron van het virus genoemd. Lees verder en er wordt wat meer duidelijk. Zoals Clemens al schreef het het nieuwe coronavirus heet SARS-CoV-2 en de veroorzaakte ziekte COVID-19.
Het nieuwe coronavirus is niet gevonden in vleermuizen in Nederland, al jaren worden vleermuizen in Nederland uitgebreid op virussen zijn onderzocht. Nu gebeurt dat natuurlijk ook. Er is nog nooit een virus in een vleermuis gevonden. Behalve het hondsdolheidvirus.
Op basis van genetisch onderzoek lijkt het nieuwe coronavirus het meeste op coronavirussen die gevonden zijn in een Aziatische soort hoefijzerneusvleermuis. Deze vleermuissoort komt wijd verspreid voor in Zuid- en Zuidoost-Azië, maar niet in Europa. Vleermuizen uit Zuid- en Zuidoost Azië staan ook niet in contact met populaties vleermuizen in Europa.

Uit genetische vergelijking van SARS-CoV-2 met andere coronavirussen blijkt dat het RNA (een soort genetisch materiaal) van SARS-CoV-2 voor 88% overeenkomt met het RNA van coronavirussen die gevonden zijn bij een soort hoefijzerneusvleermuis in Yunnan provincie, China.
88% lijkt veel overeenkomst, maar het verschil in verwantschap maakt het aannemelijk dat het virus niet direct uit deze Chinese hoefijzerneusvleermuis komt, maar via een andere diersoort, een zogenaamde tussengastheer. Dan zou SARS-CoV-2 eerst van de vleermuis naar de tussengastheer zijn overgesprongen, en dan van de tussengastheer naar de mens. Er zijn wetenschappers die het Javaans schubdier – een op Chinese markten veel verhandeld schubdier – aanwijzen als mogelijke tussengastheer, maar zeker is dat nog niet.

Het is dus nog onduidelijk hoe het nieuwe coronavirus in de mens terecht is gekomen. Het meest waarschijnlijk komt dit door de intensieve handel in wilde dieren op markten in Azië. Er werden in Wuhan geen vleermuizen aangetroffen. Sterker nog, deze week werd bekend dat Chinese wetenschappers vermoeden dat het virus uit een ander land kwam.

De vraag blijft of vleermuizen in mijn huis en/of tuin gevaarlijk zijn voor mijn gezondheid.
Nee, in het algemeen niet. Er zijn in Nederland geen gevallen bekend van mensen of dieren die ziek zijn geworden door contact met vleermuizen. Vleermuizen in spouwmuren, onder daken of op zolders vormen geen gevaar voor mensen.
Het enige bekende risico is de mogelijke aanwezigheid in met name twee vleermuissoorten (Laatvlieger en Meervleermuis) van een virus dat hondsdolheid, rabiës veroorzaakt. Je kunt zo’n infectie alleen oplopen door direct contact met besmette vleermuizen, zoals een beet van een vleermuis. Je kunt dus geen infectie oplopen wanneer u in dezelfde ruimte bent als een vleermuis, of als er buiten vleermuizen bij jou in de buurt vliegen. Wel is het van belang om voorzichtig te zijn met vleermuizen die op de grond worden gevonden, en deze dieren niet aan te raken of op te pakken met blote handen.

De meeste vleermuizen komen nooit in aanraking met mensen. Andersom geldt dit dus ook. Er zijn maar weinig mensen die een vleermuis van dichtbij hebben kunnen bekijken. Toch kan het gebeuren dat een directe ontmoeting plaatsvindt, wanneer vleermuizen een woning als (tijdelijke) verblijfplaats kiezen, of als een vleermuis per ongeluk in een woon- of slaapkamer terecht gekomen is.
Omdat deze ontmoetingen zelden voorkomen en iedereen wel eens gehoord heeft van vampiers, van hondsdolheid en andere enge verhalen omtrent vleermuizen ontstaat er snel angst en zelfs afkeer ten opzichte van deze dieren. Is die angst terecht? Hierboven heb ik er al iets over gezegd, ik kom er later op terug.
Zoals gezegd, vleermuizen zijn zoogdieren: ze hebben een vacht en de vrouwtjes voeden hun jongen met melk. Behalve de naam hebben vleermuizen niets met muizen gemeen. Muizen zijn knaagdieren; vleermuizen zijn ‘handvleugeligen’ (Chiroptera). Deze naam danken zij aan de tot vleugels omgebouwde handen, waarmee zij in staat zijn tot iets wat wij heel graag zouden willen: vliegen.

Een skelet van een vleermuis:

Vleermuizen zijn de enige zoogdieren die echt kunnen vliegen. Vliegende honden en -eekhoorns maken slechts een glijvlucht.
Een andere unieke eigenschap is het gebruik van echolocatie: vleermuizen zenden in de vlucht hele hoge, voor ons onhoorbare tonen uit met hun oren vangen ze de echo op. Een vleermuis ziet heel slecht, kan alleen licht en donker onderscheiden. Hij zal nooit, zoals een vogel doet, tegen een raam vliegen als hij ergens is opgesloten. En ook niet tegen een muur. Een gespannen draad kan wel eens een probleem opleveren. Waarschijnlijk gaat het oriëntatievermogen niet verder dan één meter.  A Aan de hand van de echo’s weten vleermuizen insecten op te sporen en te vangen. Iedere nacht eten ze 20 tot 50% van hun eigen lichaamsgewicht aan insecten. Dat is vooral nodig omdat het vliegen zoveel energie kost. Een vrouwtje dat voor haar jongen moet zorgen eet vaak zelfs meer dan haar eigen lichaamsgewicht, omdat zij ook nog eens melk moet produceren. Per zomerseizoen eet een vleermuis gemiddeld wel een kilo insecten. Probeer dat zelf maar eens te vangen met een netje!

Vleermuizen zijn hoog ontwikkelde, sociale dieren, die in groepsverband leven. Zo’n hechte groep noemen we een kolonie. De mannetjes en vrouwtjes leven ‘s zomers echter van elkaar gescheiden. De vrouwtjes brengen in kraamkolonies hun jongen ter wereld. De grootte van zo’n kolonie hangt af van de geschiktheid van de omgeving en is bij iedere soort anders. De meeste kolonies bestaan uit enkele tientallen volwassen dieren. Bij Meervleermuizen zijn kolonies van meer dan honderd dieren geen uitzondering; maar tegelijk zijn kolonies van deze soort zeldzamer. Mannetjes, onvolwassen dieren en onbevruchte vrouwtjes zoeken vaak alleen of in kleine groepjes hun verblijfplaats.
Na hun winterslaap, in de loop van april/mei, vormen zich de kraamkolonies. Als ‘s nachts de moeders op insectenjacht gaan, blijven de jongen in de kraamkamer achter: een ware kindercrèche! In vier tot zes weken groeien de jongen op, waarna ze van begin juli tot eind juli zelfstandig uitvliegen. De kolonies vallen daarna uiteen; elk dier gaat dan zijn eigen weg. In de nazomer begint de paartijd. De mannetjes en vrouwtjes moeten elkaar dan weer opzoeken. Bij veel soorten bezetten de mannetjes een territorium en proberen met een uitgebreid baltsgedrag zoveel mogelijk vrouwtjes te lokken om mee te paren. Ze hebben dan een echte harem. Sommige mannetjes hebben wel twaalf vrouwtjes om zich heen! De harem verandert wel steeds van samenstelling. Afhankelijk van de temperatuur gaan de vleermuizen in de loop van oktober tot in december in winterslaap. De ene soort overwintert vlak bij het zomergebied, de andere overwintert op honderden of duizenden kilometers van het zomergebied en onderneemt een lange trek. De winterslaap duurt tot in het voorjaar. Al die tijd blijven de zaadcellen van de mannetjes in het lichaam van het vrouwtje levensvatbaar. Pas als het vrouwtje in de loop van maart of april uit haar winterslaap ontwaakt en voldoende insecten heeft kunnen eten, komt er één rijpe eicel vrij en vindt de bevruchting plaats. Na een zwangerschap van één tot anderhalve maand wordt het jong geboren. Sommige soorten krijgen twee jongen. Dat is ook het maximum, want vleermuizen hebben maar twee tepels die melk produceren!

Vleermuizen hebben dus maar een trage voortplantingssnelheid. Daarentegen kunnen ze wél erg oud worden: van veel soorten zijn leeftijden van meer dan 20 jaar geen uitzondering.
‘s Avonds, even na zonsondergang, vliegen de dieren uit voor hun dagelijkse zoektocht naar voedsel. Vanuit de verblijfplaats vliegen ze in verschillende richtingen weg, elk naar het ‘eigen‘ jachtgebied. Dat jachtgebied is niet beperkt tot één bepaalde plek, maar een vleermuis bezoekt verschillende plekken achtereen. Vindt hij veel insecten op een plek, dan blijft hij daar uiteraard langer jagen voordat hij doorvliegt naar de volgende plek. Zo kan een Dwergvleermuis tot wel twee à drie kilometer van de kolonie vliegen om zijn kostje bij elkaar te scharrelen. De jachtplaatsen van Meervleermuizen kunnen meer dan tien kilometer van de verblijfplaats liggen! Een kolonie bestrijkt dus vanuit de verblijfplaats een groot gebied van soms enkele honderden vierkante kilometers. Vleermuizen blijven ‘s nachts zo lang mogelijk jagen, afhankelijk van hun ‘honger’ en het aantal insecten dat er rondvliegt. Het aantal beschikbare insecten is vaak weer afhankelijk van de nachttemperatuur. In het vroege voorjaar en late najaar jagen vleermuizen vooral aan het begin van de nacht. In de periode dat ze jongen moeten voeden, jagen de vrouwtjes de hele nacht. Wel keren zij dan halverwege terug om hun jong te zogen. Ze blijven dan wat dichter ‘bij huis’.
Er zijn vleermuizen die hun kolonies vestigen in holle bomen. Voorbeelden hiervan zijn de Rosse vleermuis en de Watervleermuis. Deze soorten vinden we dan ook zelden rondom het huis, maar wél in holle bomen. Het oude bos, en met name de holle bomen (beuken) van de Mattemburgh herbergen heel veel vleermuizen.
Andere soorten vinden hun vestiging in gebouwen. In de ijskelder van de Gloriëtte van Mattemburgh en nu ook de oude steenfabriek aan de Scheldeweg in Hoogerheide. In Lindonk zitten vleermuizen in de Nickebein-bunker.

Hoewel vleermuizen vaak in verband gebracht worden met oude gebouwen, kerken en boerenschuren, zijn het vooral gewone, moderne woonhuizen die als vleermuizenverblijf dienen! Vleermuizen zitten daar vooral op plekken waar mensen niet bij kunnen komen, zoals in de spouw of onder de dakbedekking. Ook achter betimmering, daklijsten of in dubbelwandige schoorstenen vinden vleermuizen soms een geschikt onderkomen. De temperatuur in het verblijf is van groot belang voor de groei en ontwikkeling van de jongen. Afhankelijk van de buitentemperatuur zoeken vleermuizen warme, heel warme of juist iets koelere plekken op. Vleermuizen kiezen dan ook het liefst gebouwen uit, waarbinnen ze ruimten met verschillende temperaturen kunnen gebruiken. Met regelmaat verhuizen ze van de ene plek naar de andere, en vaak wordt ook van gebouw gewisseld. Tref je een groep vleermuizen in je woning aan, dan is dat altijd tijdelijk; zodra de jongen groot zijn, verlaten ze de plek. Soms komen ze het daaropvolgende jaar terug, maar dat hoeft niet altijd. Vleermuizen trekken in het voorjaar en najaar, net als vogels en heel veel andere dieren. Ze leggen afstanden af van tot wel 150 kilometer.

Een kolonie gewone Grootoorvleermuizen. Foto Z. Bruijn

Het dagritme van vleermuizen is tegenovergesteld aan dat van ons: vleermuizen worden pas ‘s avonds actief. Enkele uren voordat ze uitvliegen, worden ze wakker. Dit gaat gepaard met het nodige, soms luide, gekwetter. De mate waarin wij dit horen, is voor iedere verblijfplaats weer anders. Toch veroorzaken zelfs de grootste vleermuis-kolonies bijna nooit geluidsoverlast. Behalve vóór het uitvliegen, zijn in een kraamkolonie ook tijdens de nachtelijke uren geluiden te horen, omdat de vrouwtjes dan tussentijds terugkeren om hun jongen te zogen. Zij moeten nadat ze binnenkomen eerst hun eigen jong zien te vinden. Dit gaat ook gepaard met enig gekwetter. Daarna vliegen de vrouwtjes voor een tweede keer uit, waarna het ritueel zich in de vroege ochtendschemering herhaalt. Een kolonie vleermuizen kan zich echter lange tijd onopgemerkt in jouw huis bevinden, zonder dat sprake is van overlast. Wanneer vleermuizen van je huis gebruik maken en u bang bent dat de vleermuizen overlast gaan veroorzaken, is het goed het volgende te bedenken:

  • Vleermuizen ‘hangen’ slechts in bestaande ruimten en daar profiteren ze van de beschutting, rust en warmte;
  • Vleermuizen maken géén nest en dus slepen ze ook géén nestmateriaal naar binnen;
  • Vleermuizen zijn insecteneters, en knagen dus niet;
  • Vleermuizen brengen geen parasitaire ziekten over op mensen of huisdieren; de parasieten zijn gebonden aan vleermuizen. Zelfs als ze op onze huid zouden komen (wat nauwelijks voorkomt), bijten ze ons niet;
  • Vleermuizen krijgen slechts één jong per jaar, zodat een kolonie zich nooit massaal uitbreidt;
  • De kolonie maakt slechts voor korte tijd gebruik van uw huis;
  • Vleermuizen zijn het meest kwetsbaar op de plek waar ze op een kleine oppervlakte in groepen bij elkaar zitten, dus de kolonie-verblijfplaats. Een ongeluk op zo’n kolonie-plaats kan catastrofale gevolgen hebben voor het vleermuizenbestand in een groot gebied! De kolonie is daarom van levensbelang voor het voortbestaan van de soort.

Gelukkig blijkt dat steeds meer mensen positief op deze interessante dieren reageren en trots zijn op hun vleermuizenkolonie. Zij zijn er zich van bewust dat hun huis tijdelijk een ‘natuurmonument’ is. Mensen die in eerste instantie doodsangsten uitstaan, draaien als een blad aan een boom om als ze een vleermuis van dichtbij zien. Het is dan leuk om te zien hoe ‘aaibaar’ een vleermuis eigenlijk is! Is er echt sprake van overlast, dan kan geprobeerd worden om de kolonie buiten te sluiten. Het is raadzaam om dit in overleg met een vleermuisdeskundige te doen. IVN Groene Zoom en Brabants Landschap kunnen je met een deskundige in contact brengen. Die weet veel van het gedrag van vleermuizen en is beter dan wie ook in staat om de dieren op een vleermuis-vriendelijke manier te verdrijven. Er is echter één duidelijke regel: in de periode dat vleermuizen jongen hebben, kan er niets gedaan worden. Sluiten we in deze tijd de invliegopeningen af, dan zitten er nog altijd jongen in de verblijfplaats. Zonder gezoogd te worden, zullen zij dood gaan. De vleermuislijkjes zullen een langdurige stankoverlast tot gevolg hebben! Als het even kan, is het beter om de dieren met rust te laten.

Geraamte van een Grootoorvleermuis:

De klachten over de aanwezigheid van vleermuizen gaan meestal over de keuteltjes die op de stoep, op drempels en kozijnen of tegen het raam terecht komen. In de meeste gevallen is het aantal uitwerpselen te gering om van ‘overlast’ te spreken. Alleen bij grote kolonies kan het aantal uitwerpselen behoorlijk oplopen, vooral onder de uit- en invliegopening. De uitwerpselen van vleermuizen bestaan echter uitsluitend uit onverteerde resten van insecten, zoals stukjes dekschild en delen van poten; je kunt dat zelf zien doordat keutels tussen wrijvende vingers snel verbrokkelen Uitwerpselen vervallen dus in droog ’stof’. Hetzelfde geldt voor uitwerpselen in de spouw. Zo zal er dus géén stank ontstaan door opeenhoping van uitwerpselen. Vleermuiskeutels tasten lak, verf, of hout absoluut niet aan en in de meeste gevallen verricht een bezem wonderen. Mochten de uitwerpselen te veel worden, dan kan de bevestiging van een plankje, zo’n 50 cm onder de invliegopening, het probleem al grotendeels oplossen.Zoals gezegd duurt het gebruik van een verblijfplaats door de vleermuizen maar kort. Als er veel geschikte verblijfplaatsen in het huis zijn, dan kan de kolonie de hele kraamtijd aanwezig blijven en afwisselend van verschillende ruimten gebruik maken. In veel gevallen zijn kraamkolonies maar vijf weken op volle sterkte: het moment van geboorte tot het moment waarop de jongen volgroeid zijn en uitvliegen. Daarna valt de kolonie meestal uiteen. Bij Dwergvleermuizen kan dat al eind juni zijn, bij Meervleermuizen is dit vaak pas in augustus. In een enkel geval maakt de kolonie, of een deel ervan, ook voor en na de kraamtijd van een woning gebruik. De meeste vleermuizen verhuizen regelmatig. Ze zoeken iedere keer een plek op met de gunstigste temperatuur. Soms wonen ze op een plek een maand, soms een week of maar enkele dagen voordat ze alweer verhuizen. Van te voren is dat moeilijk te voorspellen. Ook kan het voorkomen dat eerst een groot aantal vleermuizen aanwezig is en later een deel van de groep verhuist. U merkt dan nauwelijks nog dat een kleine groep is achtergebleven. De andere kolonieleden zitten dan bijvoorbeeld bij de buren, of een straat verderop; wel blijven ze altijd in de nabije omgeving.

Vleermuizen maken in een gebouw meestal gebruik van ruimten waar mensen niet bij komen. Heel soms komt een vleermuis op een plek terecht, waar hij niet direct welkom is. Bijvoorbeeld in de woon- of slaapkamer, toilet of keuken. Vleermuizen kunnen daar vanuit hun verblijfplaats terecht komen via luchtroosters, open verbindingen met spouwmuren, via het schoorsteenkanaal, of gewoon door openstaande ramen of deuren. Dergelijke ‘afdwalers’ zijn en blijven uitzonderingen. Wat is nu de oorzaak dat een vleermuis juist op die plaats terecht komt?
In de zomer kan dat gebeuren doordat een volwassen vleermuis zijn jong kwijt is; of doordat een jonge vleermuis zelf op zoek gaat naar zijn moeder, die niet teruggekeerd is van haar voedseltocht. Vaak zijn het de donkere of flets grijs gekleurde zuigelingen die onbeholpen rondkruipen in de buurt van de uitvliegplaatsen. Bijna altijd is dat aan de buitenkant van het gebouw. In het najaar komen soms jonge, pas uitgevlogen vleermuizen, op zoek naar een tussentijdse verblijfplaats, op oneigenlijke plekken terecht. Overdag zien mensen buiten soms vleermuizen in de tuin of aan de muur. Deze dieren kunnen verdwaald, ziek of verzwakt zijn. Dat ze daar overdag hangen, kwetsbaar, wijst meestal op een verslechterde conditie.

Ook in de winter kan een vleermuis op een onverwachte plek terecht komen. Enkele soorten overwinteren namelijk op diverse plaatsen in een gebouw, bijvoorbeeld in de spouw, in luchtroosters, onder dakpannen enzovoort. Door plotselinge veranderingen in de temperatuur worden ze wakker. Ze gaan dan op zoek naar een plek met een gunstiger temperatuur om hun winterslaap voort te zetten. Soms komt een vleermuis daarbij op een plek terecht, waar hij niet zo snel een uitweg weet. Bij koude weersomstandigheden kan een vleermuis volledig in ‘lethargie’ zijn. Dit is een ‘winterslaap’ houding waarmee vleermuizen langdurige ongunstige perioden overleven, zoals de winter. De vleermuis heeft dan een hele lage lichaamstemperatuur en een heel trage hartslag. Ook de andere stofwisselingsactiviteiten staan op een laag pitje. Hij verbruikt dan nauwelijks energie. Maar hij is in dat geval niet in staat om direct weg te vliegen. De stofwisseling van de vleermuis kan zó laag zijn, dat hij ziek of zelfs dood lijkt. Hoe lager zijn lichaamstemperatuur, des te meer tijd hij nodig heeft voordat hij weg kan vliegen. Dit ontwaken kan wel drie kwartier duren! Opgesloten op onverwarmde plekken in huis (bijvoorbeeld kelder, rommelkamer) houdt een vleermuis het lang uit, maar in een verwarmde ruimte wordt een vleermuis actief en verbruikt dan veel meer energie. Duurt de opsluiting te lang, dan zal hij zoveel energie verliezen dat hij het einde van de winter niet haalt.
Als je in de zomer een vleermuis in huis aantreft kun je het dier het beste met rust te laten, maar neemt u wel contact op met een deskundige. Desnoods via de gemeente, maar via IVN of Brabants Landschap kan ook.

Je kunt de vleermuis als volgt vangen. Wacht tot hij rustig tegen de muur zit. Benader de vleermuis langzaam om hem niet angstig weg te laten vliegen. Zet voorzichtig een doos of pot over de vleermuis heen en schuif er langzaam een kartonnetje achter, zodat de vleermuis in de doos of pot terecht komt. Laat het dier ‘s avonds buiten los.

[N.B.: Sommige mensen denken dat de vleermuis duikvluchten maakt en hen aanvalt. Vleermuizen zijn eerder in paniek en op zoek naar een veilige plek, en vliegen hooguit van de ene muur naar de andere. Ze proberen altijd hoog aan de muur te hangen, liefst in een donker hoekje. Als ze wegvliegen, laten ze zich eerst vallen. Dan is het net alsof hij met een duikvlucht in de aanval gaat. Dit lijkt vooral zo als je in de vliegbaan van de vleermuis staat! Het naar beneden ‘duiken’ is echter alleen maar bedoeld om vliegsnelheid te krijgen. Paniek is dus nergens voor nodig. En je kunt nog zo’n hoog kapsel dragen; de vleermuis zal keurig om je heen vliegen. Daar zorgt zijn goede sonar wel voor!]

Jonge vleermuizen hangen in de avond, vlak voordat de vleermuizen uitvliegen, hoog aan de buitenmuur nabij de uitvliegopening. Als je niet weet waar de kolonie zit, of als deze zojuist verplaatst is, plaats dan een boomstronk in een emmer of teil. Zet de jonge vleermuis ‘s avonds op de boomstronk. In beide gevallen vindt de moeder het diertje vaak weer terug op het gehoor, doordat de jonge vleermuis om zijn moeder roept. Is de volgende dag het dier nog steeds op de plek aanwezig, overleg dan met een deskundige.

In de winter handel je als volgt.
Zit de vleermuis in lethargie tegen de muur of in een hoek, dan kunt u twee dingen doen:

  1. Sluit alle toegangen naar andere ruimten in het huis af (deuren dicht). Verwarm de ruimte tot boven de 20ºC. De vleermuis zal wakker worden. Zet vervolgens tegen het vallen van de avond een raam open, zodat het dier naar buiten kan vliegen en zelf een andere overwinteringsplek kan zoeken;
  2. Mocht dit niet baten, dan kunt je het dier voorzichtig weghalen. Dit doet je als volgt. Heel voorzichtig plaatst je een pot of doos over de vleermuis; vervolgens schuift je langzaam een kartonnetje erachter. De pot of doos met ventilatiegaatjes zet je in een verwarmde ruimte, zodat de vleermuis op zijn gemak op kan warmen. ’s-Avonds kunt je hem dan buiten loslaten, mits het niet vriest. Wil hij niet vliegen, neem dan contact op met een deskundige.

Vleermuizen zijn lange tijd sterk achteruit gegaan. Dit kwam onder meer door de aanwezigheid van giftige stoffen in het milieu en door veel veranderingen in het landschap. Het zal duidelijk zijn dat vleermuizen iedere bescherming verdienen die ze nodig hebben. Vleermuizen zijn daarom sinds 1973 beschermd , eerst onder de Natuurbeschermingswet en vanaf 2002 onder de Flora- en faunawet. Daar hoort ook een bescherming van de verblijfplaatsen van kolonies bij. Zonder medewerking van de ‘gastgezinnen’ lukt dat natuurlijk niet. Tref je een kolonie aan, handel dan niet ondoordacht in afkeer van de dieren, maar probeer je daarentegen eens te verdiepen in hun leven. Als er maatregelen genomen worden die kunnen resulteren in verstoring van de vleermuizen of hun verblijfplaatsen, doe dit dan uitsluitend in overleg met vleermuizendeskundigen. Zij zijn bereid om hulp en advies te geven (gemeenten zijn dat overigens ook verplicht sinds 2002).
Het wordt sterk afgeraden om vleermuizen met de blote hand te pakken. Vooral als je een zieke vleermuis op straat vindt. Ieder dier zal bij een ondeskundige benadering bijten uit zelfverdediging, zo ook een vleermuis. Je dient altijd handschoenen aan te doen. Het is in je eigen belang om direct contact met vleermuizen te vermijden. Onder Laatvliegers komt namelijk het hondsdolheidvirus voor, zij het schaars. Zieke of gewonde Laatvliegers die niet vliegen, hebben een reële kans besmet te zijn. De virusziekte kán overgebracht worden op mensen als de vleermuis bijt of als zijn urine in een open huidwondje komt. Meld dit bij de gemeente en je huisarts.

We kunnen proberen zo veel mogelijk woonhuizen geschikt te maken als vleermuisverblijfplaats, om vleermuizen in feite ‘uit te nodigen’ ervan gebruik te maken. Bij moderne woningen kan dat bijvoorbeeld door aan de buitenkant van de gevel betimmering aan te brengen, met zo’n 2 cm tussenruimte. Vleermuizen kruipen daar graag achter. Behoud zoveel mogelijk invlieg- en uitvliegopeningen, zoals stootvoegen, ruimten achter daklijsten, smalle kieren langs kozijnen, spleten langs gevelranden enzovoort.

Heb je een kolonie vleermuizen in je huis, en ben je van plan het huis te renoveren, stel de renovatie dan, indien mogelijk, uit tot het najaar. Neem contact op met de gemeente voor een ontheffing Flora en Faunawet en een advies. Raadpleeg anders een vleermuisdeskundige.

Veel groen in de wijk bevordert het leefmilieu, niet alleen van vleermuizen maar ook van ons! In je tuin kunt u het beste plant- en boomsoorten aanplanten, die inheems zijn. Deze hebben een veel rijkere ecologische waarde.

Sinds 2002 dienen alle gemeenten een meldpunt te hebben waar mensen met vleermuisklachten in en om het huis terecht kunnen voor hulp en advies. Dit op basis van de Woningwet en de Flora- en faunawet.

De meest aangetroffen soorten in huizen zijn:
De Gewone Dwergvleermuis. Dit is een kleine, bruine vleermuis met zwarte oren en snuit. Hij weegt maar tussen 5 en 8 gram. Dwergvleermuizen kan men ’s zomers vaak in tuinen en bij lantaarnpalen zien jagen. Hij is ‘s zomers de algemeenste soort in steden en dorpen.

De Laatvlieger. Dit is een grote, robuuste vleermuis, met een bruine vacht en donkere kop en oren. De onderarmlengte meet 48 tot 57 mm, de spanwijdte bedraagt meer dan 30 cm. De Laatvlieger komt vrij algemeen voor in het polderlandschap van het westen van ons land en wordt ‘s zomers vooral in dorpen aangetroffen. ‘s Winters vinden we hem ook regelmatig in steden.

De Gewone Grootoorvleermuis is een middelgrote soort, met relatief zeer grote oren (3-4 cm lang) en ook grotere ogen. De rugvacht is geelbruin tot bruin en de buikvacht is grijs- tot geelwit. De spanwijdte bedraagt 24 tot 28,5 cm. De Grootoorvleermuis komt voor in Nederland, maar niet in grote aantallen en komt voor in besloten, kleinschalig landschap. In huizen zitten ze meestal op zolders, maar ook veel in boomholtes.

De Meervleermuis is een middelgrote soort, met een bruine tot grijze rugvacht en lichte buik. De onderarm is tussen de 40 en 49 mm lang. De Meervleermuis leeft in grote zomerkolonies, en wordt minder vaak aangetroffen als de andere genoemde soorten. Meervleermuizen zijn heel karakteristiek voor het open, waterrijke landschap in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Friesland. Ze komen ook voor boven de vennen, zoals het Stappersven.

 

Bronnen:
Stichting Landschapsbeheer Gelderland
Zoogdiervereniging Nederland
Zoekkaart Vleermuizen: Zoogdiervereniging Nederland.

 

 

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 23

 

Van Ad (Stadsgids Henk Borghouts)

 

Mille periculis supersum

 

Gidsen in Bergen op Zoom ten tijden van corona is een vreemde en meer dan onwennige gewaarwording, er wordt namelijk niet gegidst. Daar waar we elk jaar van april tot eind oktober al wandelend door een vrolijke en levendige binnenstad mogen vertellen over het roemruchte verleden  moeten de gidsen zich dit jaar behelpen met een mijmerende gedachte over het publiek dat aanwezig had kúnnen zijn.

Hoe anders was het enkele maanden geleden toen de vele deelnemers van de Vastenavendwandeling de neus van de gids achterna dweilden, hoe anders was het vorige zomer mensen hun geduld te vragen omdat de dienstdoende gids met zijn vorige groep iets te diep in het verhaal was gedoken over de diverse stadsbranden die de stad hebben geteisterd en bovenal: hoe teleurstellend was het om tijdens het Open Monumentenweekend de bezoekers geen toegang tot de Peperbus te mogen verschaffen omdat het nu eenmaal te druk was geworden op de oude kolos?

Terug naar het gemijmer van het heden: als de gidsen niet kunnen gidsen moeten we de verhalen maar eens van ver halen. Voor mijn dagelijkse werk zat ik in 2017 in de kost in het fraaie Alkmaar. Ik besloot mee te lopen in een stadswandeling onder begeleiding van een gids. Aan het einde van de wandeling wist ik ontzettend veel over de productie van diverse kazen maar vrijwel niets over de stad of over een victorie die daar volgens zeggen moet beginnen. Dan zelf naderhand maar een eigen rondje lopen en op zoek naar een gezellig ogend restaurantje waar aan de innerlijke mens kon worden gewerkt. En wat overkomt me? Mijn aandacht wordt getrokken door een eetcafé waarvan de eigenaar een spandoek voor het raam had gehangen met de tekst ‘Mille Periculis Supersum’ en de keuze van het restaurantje was daarmee gemaakt. Eenmaal binnen bleek de eigenaar fervent AZ-supporter te zijn en het spandoek te hebben gehangen doelend op een mager recent verleden van de club en de huidige prima prestaties. Hij vroeg me waarom het doek me zo was opgevallen en ik vertelde over mijn hobby in Bergen op Zoom en dezelfde tekst die op ons stadhuis te vinden is. Op zijn vraag wat ik van Alkmaar vond antwoordde ik: een stuk groter dan Bergen op Zoom en bijna net zo mooi! een wat flauwe grap die evengoed wel de aanzet was tot een gezellig gesprek met de man, die overigens terecht trots was op ‘zijn’ Alkmaar. Bij het afrekenen kwam hij nog terug op mijn hobby en vroeg me wat ‘in vogelvlucht’ te vertellen over Bergen op Zoom. Ik adviseerde hem om eens langs te komen en gaf hem een mailadres waarop hij me kon bereiken. En wat schetst mijn verbazing…in het voorjaar van 2018 kon ik de beste man ook de tekst ‘Mille periculis Supersum’ laten lezen, alleen hadden we daar in onze stad geen spandoek voor nodig.

 

 

Van Clemens

 

Deze derde bijdrage over audio gaat over de digitale geluidsweergave. Ik heb geprobeerd de dikwijls ingewikkelde materie zo helder mogelijk uit te leggen maar ik weet niet of ik daar voldoende in ben geslaagd. Mochten jullie bepaalde stukken niet duidelijk vinden of vragen hebben, stuur mij een mail (cjanzing@planet.nl). Ik zal trachten een goed antwoord te geven of te verwijzen naar andere bronnen die verduidelijking kunnen brengen. Overigens: als je vragen hebt over de twee eerdere bijdragen, geef die ook aan mij door.

Let wel: vragen en antwoorden zijn te lezen in het onvolprezen KOORonaNIEUWS!

 

  1. 3. De digitale geluidsweergave.

 

Toen ik in de jaren tachtig van de vorige eeuw kennismaakte met de cd (compact disc oftewel kleine, compacte schijf) ging er een wereld voor me open. Als audiofiel (want dat was ik toch wel) was ik steeds op zoek naar de ideale geluidsweergave: een goed pickupelement, het beste geluidsbandje om maar niet te spreken over een goede versterker en vooral luidspreker. Dat alles binnen een aanvaardbaar budget natuurlijk. Maar in dit ‘analoge tijdperk’ kwam ik allerlei problemen tegen: zo gaven grammofoonplaten ruis of kregen na verloop van tijd krassen met tikgeluid tot gevolg; cassettebandjes ‘ontspoorden’ waardoor ik ze moeizaam met behulp van een potlood weer kon opwinden; bepaalde muziekpassages kon ik niet zonder enige vervorming afspelen, met name hoge (zang-)tonen of veel dynamiek binnen symfonieën en nog meer problemen.

Hoe anders was dat met de cd, de eerste digitale geluidsopname op een kleine schijf: geen krassen, geen vervormingen maar een loepzuiver mooi geluid. Er zijn hobbyisten die zweren bij het oude ‘vinyl’ en vinden bepaalde analoge opnamen beter dan de cd: de cd zou te ‘blikkerig en koud’ klinken. Ik heb het niet ontdekt, er zullen beslist – kleine – verschillen in klank zijn maar naar mijn idee wint de cd het in veel meer opzichten van de oude lp al is het maar de hoeveelheid muziek die erop kan, om maar iets te noemen.

 

In dit deel ga ik het over de digitale geluidsweergave hebben. Ik zal beginnen met wat – hopelijk goed te begrijpen – theorie over geluid en de digitalisering ervan. Daarbij zal ik zoveel als mogelijk is de nodige wiskunde beperkt houden en waar dat niet anders kan zo goed mogelijk uitleggen.

 

Wat is geluid eigenlijk? Je kunt het vergelijken met golfjes in water, zichtbaar op het wateroppervlak. Geluiden zijn golfjes in de lucht. In de vorige delen is beschreven hoe bijvoorbeeld naalden of elektrische spanningen met die golfjes meebewegen en op die manier analoge geluidsweergave mogelijk maken. Sinds de ontwikkeling van de computer is het mogelijk gebleken de golfjes in getallen af te beelden en die getallen terug te ‘vertalen’ naar hoorbare geluidstrillingen.

De getallen die worden gebruikt vallen onder de zogenaamde boolealgebra. Hierbij worden de ons bekende cijfers omgezet in reeksen van ‘nullen’ en ‘enen’ Deze algebra is ontwikkeld door de Britse wiskundige George Boole (1815-1864) en vormt de theoretische basis van computersystemen. Het voert te ver dit verder te bespreken. Het onderstaande tabelletje geeft een voorbeeld van de getallen 0 t/m 9.

Een computer is, eenvoudige gezegd, een apparaat waarmee de getallen 0 en 1 kunnen worden ‘uitgedrukt’ in het ‘aan’- of ‘uit’-zetten van een transistor.

Zo heb ik in mijn studententijd, als oefening, schetsen gemaakt van onder meer optellers, aftrekkers, delers en vermenigvuldigers. Maar goed: dit was wel de begintijd van het digitale tijdperk.

Terug naar geluidsgolven: het is mogelijk elke geluidsgolf in een getal weer te geven en die om te zetten naar reeksen ‘nullen’ en ‘enen’. En die reeksen zijn weer terug te vertalen naar hoorbaar geluid.

Bij de verdere bespreking van de digitale geluidsweergave is het van belang even stil te staan bij de begrippen ‘bit’ en ‘byte’. Eerder zijn de getallen 0 en 1 genoemd. Dit zijn de kleinste waarden in een computer die informatie leveren: de transistor staan ‘aan’ (1) of ‘uit’ (0). Nu bleek het technisch niet mogelijk om deze zeer kleine hoeveelheid informatie door een computer te laten ‘lezen’. Dit kon wel wanneer met ‘pakketjes’ van 8 bits maakte, de zogenaamde ‘bytes’ (ezelsbruggetje: byte = by eight). Dit betekent dat het verschil tussen 1 bit en een byte dus 8 bits is. In de praktijk worden veelvouden van bytes uitgedrukt in onder meer kB (kilobyte), MB (megabyte), GB (gigabyte) Er is discussie geweest of men moest uitgaan van het grondgetal 10 of 2 (2: 0 of 1). Dit heeft de nodige verwarring gegeven waar leveranciers van digitale spullen soms handig gebruik van maken. Wellicht kan onderstaande tabel helpen.

De verschillen tussen de aantallen bytes uitgedrukt in grondtalen 10 of 2 worden groter naarmate de hoeveelheden toenemen.

Terug naar geluid. De geluidsgolf kan worden vertaald naar getallen in de vorm van reeksen van nullen en enen. Uit de nullen en de enen kan opnieuw geluid worden ‘gereconstrueerd’.
Een en ander ook grafisch worden uiteengezet. Een geluidsgolf kan in de vorm van een sinusgolf worden weergegeven.(zie figuur 1.)

Ik leg nu niet uit waar het woord ‘sinusgolf’ vandaan komt, dat vraagt beschrijving van de nodige meetkunde (goniometrie) en voert hier te ver. Nu kunnen uit de sinusgolf stukjes worden genomen en die kunnen worden beschreven met aantallen enen en nullen. In het algemeen geldt dat hoe meer stukjes uit de oorspronkelijke geluids-(sinus-)golf worden genomen en bekeken (bemonsterd, in het Engels: ‘sampling’) hoe beter het teruggewonnen geluid is.
Bij digitale geluidsweergave is het dus van belang om voldoende bemonsteringen (‘samples’) van het geluidssignaal te nemen zodat de oorspronkelijke golf weer Figuur 1. Geluidsgolf weergegeven als sinusgolf   teruggehaald kan worden. Het aantal malen dat een golf wordt bemonsterd word ‘sampling rate’ genoemd.
Hoe hoger de sampling rate hoe beter het geluid klinkt. Nu is het bij mensen zo dat tot geluid van 22.050 golfjes per seconde (oftewel 20.050 Hertz) nog hoorbaar is. Om dit door een cd te kunnen laten afspelen heeft men gekozen voor een sampling rate van 44,1 kHz, dat wil zeggen dat de oorspronkelijke geluidsgolf 44.100 keer per seconde wordt bemonsterd. Het spreekt voor zich dat hieruit ruimschoots de oorspronkelijke geluidsgolf kan worden teruggehaald.
Een tweede belangrijk begrip, naast de ‘sampling rate’ is de ‘bit diepte’, oftewel ‘bit depth’. Dit hier uitgebreid behandelen voert ook te ver, daar komt toch wat rekenwerk en wiskunde aan te pas. Het voldoende te begrijpen dat ‘bit diepte’ enigszins te vergelijken is met het aantal ‘pixels’ op een beeldscherm: hoe meer pixels, hoe scherper het beeld. Voor geluid: hoe meer bits een geluid beschrijven hoe meer ervan ‘terug te halen’ is. Maar dit laatste is voor geluid niet helemaal waar. Voor een uitleg daarvan verwijs ik naar http://homestudioplugin.nl/digitaal-audio-techniek/16-of-24-bit-depth
‘Bit depth’ is van belang voor de terug te halen sterkte (volume) van de oorspronkelijke geluidsgolf. Voor een cd hanteert met een bit depth van 16 bits waarmee met de verhouding tussen het geluidssignaal en de ruis terug weet te brengen tot 96 dB (decibel), dus nauwelijks te horen ruis.

Figuur 2. Een audio signaal: sinus golf en digitale golf
https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/2/20/Sampel.jpg

Bij 16 bits kan een onderdeel van geluid met 65536 waarden (combinaties van nullen en enen) worden weergegeven. Een bit depth van 24 wordt gebruikt om meer speelruimte te hebben bij het bewerken van opnames. Het zó manipuleren van nullen en enen om ruis niet hoorbaar te maken heet ‘dithering’. Het voorgaande kan schematisch aldus worden weergegeven (zie figuur 2.).
PAM (in figuur 2.) staat voor ‘Pulse Amplitude Modulatiesignaal’, die levert een zogenaamde ‘puls code’ op. Die code is een getal (in nullen en enen). Meerdere pulscodes zijn dus eigenlijk de ‘hapjes’ die uit de geluidsgolf worden genomen om er naderhand de oorspronkelijke golfvorm, het oorspronkelijke geluid, uit te reconstrueren.

Eigenlijk is digitale geluidsweergave niet meer dan het zó manipuleren van nullen en enen tot er een optimale weergave van het opgenomen, oorspronkelijke geluid is verkregen.

In dit stuk is geluid beschreven in de vorm van één enkele golf, de zogenaamde enkelvoudige golf. In werkelijkheid is alle geluid een samenstelling van meerdere golven, die daarmee het verschil in onder meer menselijke stemmen, instrumentgeluiden, vogelgeluiden weergeven, ofwel de zogenaamde samengestelde of complexe golven. Die laatste worden ook wel uitgedrukt in een geluidsspectrogram (zie figuur 3.).

Figuur 3. Geluidspectrogram van ‘I owe you’ . (Door Jonas.kluk – Eigen werk, Publiek domein),
https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=2118459

De digitale bewerking van geluid heeft tot nu toe tot allerlei toepassingen geleid. Denk aan de synthesizer, de digitale piano, dicteerapparaten, de iPod, mengtafels en nog veel meer. In deze bijdrage zal ik stilstaan bij de cd en ‘streaming’.
De compact disc (cd) is ontwikkeld door Philips en Sony/CBS. Op 17 augustus 1982 is de eerste cd in Langenhagen (D.) gemaakt. In de jaren daarna werd de cd naast muziekdrager ook drager van allerlei soorten gegevens. Daarnaast werd het mogelijk cd’s te wissen en opnieuw te beschrijven (‘branden’). De cd is een polycarbonaat schijfje dat 1, 2 mm dik is en een doorsnede heeft van ongeveer 12 cm. De doorsnede ziet er aldus uit (zie figuur 4).

Figuur 4. Doorsnede van een cd.

(www.weethet.nl)
(Red. bij F staat tussen haakjes “putje”)

In wezen dus een schijfje met bultjes (de 1) en putjes (de 0). Die reeksen van enen en nullen zijn in sporen op het schijf geperst. Een laserstraal volgt die sporen en registreert de putjes en bultjes. Op die manier maakt de laserstraal snelle ‘pulsjes’ die door een omzetter naar hoorbaar geluid worden vertaald. Het schijfje draait met een snelheid van ongeveer 215 maal per minuut.
Zo’n omzetter heet ‘digital to audio converter’ ofwel ‘digitaal naar audio omzetter’, afgekort DAC. Elke cd-speler heeft zo’n DAC die een zwak stroompje genereert dat door een versterker tot hoorbaar geluid wordt. De cd was lange tijd populair. Opvallend waren de degelijkheid van het product (geen krassen of schade door breuk), geen vervorming en een grote opslagcapaciteit. De cd is nog steeds een belangrijk opslagmedium van allerlei gegevens.
Zoals aangegeven: de audio-cd is een digitaal opslagmedium Die kan worden gekopieerd naar een harde schijf, USB-stick of ander opslagmedium. Dit kopiëren wordt ‘rippen’ genoemd. Bezitters van een personal computer kunnen muziekbestanden opslaan en die beluisteren zonder te hoeven opstaan om cd’s te verwisselen. Je kunt dus een zogenaamde ‘speellijst’ maken.
Nu zijn er een tweetal opties: rippen zonder verlies aan geluidskwaliteit of rippen mét verlies van geluidskwaliteit. Bij de eerste optie is het opgeslagen geluid dat van de oorspronkelijke audio-cd (dus ‘sample rate’ 44,1 kHz en ‘bit depth’ 16). Bij de tweede optie wordt het aantal bits per seconde gevarieerd. Men gebruikt wel het aantal bemonsteringen van 44.100 keer per seconde, maar de het doorgegeven aantal duizenden bits per seconde (meestal Kilobits per seconde, Kbps, de zogenaamde bit rate) ligt dikwijls wat lager waardoor de geluidsbestanden kleiner worden en de opname aan kwaliteit verliest.

Zo’n programma waarmee een digitaal geluidsbestand wordt bewerkt heet codec (coderen-decoderen). Zonder kwaliteitsverlies decoderen levert meestal een zogenaamd ‘lossless’ bestand op (bijvoorbeeld met de codec FLAC (ofwel Free Lossless Audio Codec = gratis audio codec zonder verlies aan kwaliteit). Met een gering verlies decoderen levert een zogenaamd ‘lossy’ (= klein verlies aan kwaliteit) bestand op (bijvoorbeeld met de codec MP3). Je kunt het vergelijken met het opvouwen van een stuk papier: als je het weer in de oorspronkelijke staat terugkrijgt is er geen verlies. Echter je kunt ook bepaalde uitsteeksels, flapjes bijknippen en toch in grote lijnen het oorspronkelijke stuk papier terugkrijgen, maar dan met gering verlies. De sample rate en bit diepte blijven bij alle codecs hetzelfde, enkel het aantal bits per tijdseenheid (wel of niet bijknippen van het opgevouwen stuk papier) varieert. Voor mp3 levert een bit rate van 128 Kbps goede resultaten. Voor bepaalde muziek zou een nog hogere bit rate (bijv. 360 Kbp, Kilobits per seconde) gekozen kunnen worden.
Het effect van ‘lossy’ codecs is dat er kleinere geluidsbestanden ontstaan wat betekent dat er meer muziek op een schijf of USB-stick geplaatst kan worden.
Een cd heeft een bit rate van 1.411 Kbps! Een aanzienlijk verschil. Er zijn talloze codecs ontwikkeld (bijv. Ogg-Vorbis, AAC, WMA). Ik verwijs naar Wikipedia. Hier zal ik twee veel toegepaste codec bespreken, FLAC en MP3.

De codec FLAC, afkorting van Free Lossless Audio Codec. Deze codec is een compressietechniek (40 tot 50 % van het oorspronkelijke geluidsbestand) die na decoderen weer het oorspronkelijke bestand oplevert. Ooit ontwikkeld door John Coalson als zogenaamd ‘open source project’ (dus zonder allerlei octrooien en andere restricties en voor iedereen is het programma toegankelijk) voor de organisatie Xiph. Org Foundation. Zo zou een hele Mattheus Passion van Bach die bijvoorbeeld 2 uur en 36 minuten duurt als bestand in FLAC formaat op één audio-cd passen. Immers de bit rate van een cd is 1411,2 Kbps en die van het FLAC-bestand gemiddeld 544 Kbps!
MP3 is een codec die bij het decoderen wat gegevens opoffert. Zoals hierboven beschreven gebeurt dit door de bit rate te verlagen. MP3 is afgeleid van MPEG, afkorting van Moving Pictures Expert Group (= groep van deskundigen in de filmwereld). De standaard is ontwikkeld in 1992 en belast met patenten. De codec bevat algoritmen (beslisreeksen) die pakketjes geluid (in de vorm van nullen en enen) weglaten, met name die pakketjes die onder meer te hoog en te laag geluid zouden opleveren. Men gaat daarbij uit wat voor het menselijk oor hoorbaar zou zijn. Zo wordt geluid van boven 16.000Hz weggefilterd. De bit rates zijn 32, 64, 128, 160, 192 , 256 of 360 Kbps. Een hogere bit rate levert een beter geluid. Meestal kiest men voor 128 Kbps. Hogere bit rates zouden geen echt hoorbare verschillen geven.
Hoe dan ook: ik als audiofiel kan – gelukkig – nog steeds het verschil horen tussen en ‘lossless’ FLAC-bestand en een ‘lossy’ MP3-bestand.Dit is met name het geval bij klassieke muziekbestanden doordat bij MP3 veel boventonen, klankkleur, galm en andere zaken wegvallen.

De hierboven besproken cd heeft nu veel concurrentie van de zogenaamde ‘streaming’. Dit is met name het geval bij allerlei vormen van populaire muziek (pop, hip-hop, heavy metal en dergelijke). Naar verluidt zou op dit punt de cd markt verloren hebben aan streamingsdiensten die via internet te benutten zijn. ‘Streaming’, het woord zegt het al, verwijst naar stromen. Via internet worden stromen van enen en nullen aangeboden die tot muziek om te vormen zijn. Er zijn vele streamingsdiensten die gratis – maar met veel reclame – muziek aanbieden, voor andere moet je betalen. Er zijn veel diensten waarvan Spotify nu de bekendste is.
Spotify (Zweden) is een streamingsdienst die muziek biedt in gecomprimeerde vorm. Men maakt gebruik van de Ogg-Vorbis codec, een codec vergelijkbaar met MP3 dus gepaard gaande met een (klein) verlies aan geluidskwaliteit. De bit rates zijn 96, 160 en 320 Kbps. De hoogste bit rate is het duurst (nu € 10,= per maand).
Een tweede streamingsdienst is Tidal (Zweden) Deze biedt muziek in cd-kwaliteit en heeft de mogelijkheid muziek in hoge resolutie te beluisteren, dat wil zeggen muziek uit de opnamestudio (opgenomen met een zogenaamde ‘mastertape’). Het gebruikte FLAC-formaat vraagt veel Kbps en dat betekent een hogere prijs per maand (nu € 19,99).

Tot zover dit deel van mijn presentatie over audio. Er is nog veel meer over digitale audio te vertellen of nader te preciseren, ik verwijs daarvoor naar Wikipedia. Heel verduidelijkend is onder meer het stuk over ‘Geschiedenis van de geluidsopname’. Ook binnen YouTube is veel te ontdekken over (digitale)audio.

In het laatste deel zal ik jullie een en ander vertellen over audio in huis.

 

Van Bas

Leuk verhaal van stadsgids Wilma in KOORonaNIEUWS.

Vooral een verhaal van herkenning voor mij.
Maar dan nog wat vroeger.
Ik neem jullie mee naar mijn herinnering. Eind jaren 40, begin jaren 50.
Naar de Borgvlietsedreef. Een van de levensaders van ’t Fort.

Ik stel me voor dat ik toen een drone bezat en me opstelde op de kruising Prins Bernhardlaan – Borgvlietsedreef.
Mijn drone vliegt op 15 meter hoogte en ik ga rustig aan de wandel naar het zuiden…..
Links op de hoek een kruidenier, vervolgens lage huisjes.
Over de huisjes heen heb ik zicht op de Bewaarschool en, nog iets verder, de Theresiaschool van de nonnen.
Rechts woont en handelt kolenboer Stouthart. Het rijtje woningen eindigt met de bakkerij van Boschman. Over deze huizen heen zie ik leegte. Of eigenlijk akkertjes en nog verder weg De Kiek.
Ik reis verder en zie nà Bakker Boschman geen woningen, wel akkerland.
Anno nu, 2020, staat daar…..de Driemaster, u allen wel bekend.
Aan de linkerkant de tabakswinkel van Van de Watering en daarnaast Eijsermans, de loodgieter.

Leuk detail…..bij Eijsermans hadden ze telefoon. Ja echt hoor! Wij thuis op ’t Lourdesplein niet. Ja echt hoor! Als m’n moeder het echt nodig vond dat dokter Blom maar eens langs moest komen, kregen we een dubbeltje in de handen gestopt, gingen naar Eijsermans en vroegen of ze dat aan onze dokter wilden vragen. Hij kwam. Kostte wat, maar dan heb je ook wat. De dokter aan huis.
Ter hoogte van de Bernadettestraat gaat links en rechts de bebouwing weer verder en krijgen we links de Graaf Pretoriusstraat, later de Pastoor van Eekelenstraat. Hier tegenover het allereerste begin van wat later de Waalstraat zou worden. Want vanuit mijn drone zie ik achter deze huizen nog steeds niets behalve een zandpad en verder landerijen en weer heel in de verte het water van de Oosterschelde en de Kiek natuurlijk.

Kleine anekdote… op de hoek had Leo Verdult zijn groentewinkeltje. Met paard en wagen ging hij langs zijn klanten. Op een dag, bij het in- of uitspannen denk ik, viel zijn paard neer. Dood. Het verhaal ging toen dat Leo gezegd zou hebben: “Dat et tie nou nog nooit gedaan.”

Verder met onze drone. Links lage huizen. Er achter de Sint Jozefschool, Anno Domini 1921.

Hieronder een van de leerlingen van toen:

We passeren de Jan de Wittstraat of liever het begin van een mogelijke straat, want er stonden alleen de hoekhuizen en verder…. landerijen.
Rechts is het imposanter, want daar staat het complex van carrosseriebedrijf Cor de Groot

Naast dit complex is er sprake van iets minder grandeur…de bullenfabriek.
Oh, kijk even naar links. Het begin van wat later de Van Hogendorpstraat zou moeten worden. Ook hier alleen nog maar de hoekwoningen en verder…nog niets…..landerijen. Maar, wel een plaats met herinnering.
Het is 1944. Wereldoorlog II, maar onze bevrijders naderen. De bezetters verweren zich.

Ik, bijna 6 jaar oud, sta op het Lourdesplein op de stoep voor ons huis. Er loopt een groepje van 4 of 5 Duitse soldaten rond de kerk, achter het hek. Op een of andere manier kunnen ze zo het patronaat in en daarna de kerk zelf binnengaan. Wij, buurtbewoners, moeten maken dat we wegkomen. Het gaat gevaarlijk worden. Via de Graaf Pretoriusstraat gaan we naar de Borgvlietsedreef en zo naar de Van Hogendorpstraat. We gaan het land op en kijken, over de Sint Jozefschool, richting de kerk.
Plotseling zien we onze toren omvallen. We mogen weer terug en later wordt deze foto gemaakt.

Ik gebruik hem hier even……

Mijn drone reis gaat verder.
Na de bullenfabriek is er geen bebouwing meer aan die zijde van de dreef. Links staan nog wel huizen. In de verte, achteraf zal het ongeveer 50 meter zijn, staat het laatste huis. Niet zo maar een, maar het café van Sjonneke Jansen mét speeltuin erachter. Daar hebben we best wat tijd doorgebracht. In de speeltuin dan toch. Een foto heb ik niet, maar als ik die wel had, zou het er nauwelijks veel anders uit zien dan nu: de Chinees van The Tang Dynasty.

Hier eindigt de Borgvlietsedreef, tenminste met toenmalige bestrating. Als koolaspad ging het nog een beetje verder en dan stond je op het randje van de brabantse wal van toen. Verder lopend stond je op ons strand van de zeekant en daar schreef Wilma in de vorige aflevering zo boeiend en meeslepend over. Ga ik niet herhalen, maar ik herken het wel.

Ik ben echter iets vergeten. Maar ja, stoute dingen houd je voor jezelf hè.
Of? Nou vooruit dan maar.

Café Sjonneke Jansen zagen we vanuit onze drone links liggen met daarachter nog het buizenveldje richting Prinses Beatrixlaan. Aan de andere kant was het al een tijdje niets meer. Geen huizen. Wel landerijen èn een boomgaard. Die boomgaard was afgesloten met omrastering. Minstens één keer heb ik het gewaagd om over deze omheining te klimmen, om zo dwars door de boomgaard een veeeeeeeeeel kortere weg naar ons strand te nemen.
Èn , schrijfster Wilma, …….dan kwamen we midden in de boogerd langs een graf. Ja, jouw graf. Het graf van de burgemeester en zijn vrouw en het paard.

Deze foto heb ik van internet geleend……..

Al die landerijen en lege stukken zijn later benut voor woningbouw. Ook de Scheldeflat moest daar komen. Maar daar lag de burgemeester heel vredig in alle rust aan de boorden van de Oosterschelde.
Wel in de weg, vond men toen. Het grafmonument werd verplaatst. Naar beneden. Richting Scheldestrand. Omdat er flink wat hoogteverschil in het terrein was, moest er in een later stadium zo nodig grond bijgebracht worden. Lag de burgemeester weer in de pad! Als oplossing koos men voor een muur van opgemetselde kinderkopkes om het monument heen. De burgemeester mocht blijven liggen en de grond kon toch worden opgehoogd. Daar zat in 1968 schrijfster Wilma op het muurtje.
Weer later lag hij opnieuw in de weg. Ik meen me te herinneren dat het monument in overleg met de nabestaanden naar Breda is verplaatst. Dat hij moge rusten in vrede.

Bas

 

 

Van Fred

 

Waarom niet…….
Laten we het nog even over bomen hebben.
Het is tenslotte straks kersttijd en misschien halen we een kerstboom in huis.

In Nederland kennen we twee groepen bomen: naaldbomen en loofbomen, die we vaak aan de vorm al kunnen onderscheiden. Naaldbomen dragen kegels en de meeste hebben naald- of schubvormige bladeren die ze ’s winters behouden. Althans, een naald doet er ongeveer 7 jaar over voordat hij afsterft en valt. Daarom zijn de bomen altijd groen. En hoe dat gekomen is vertel ik in het bijbelverhaal. De lariks en de moerascypres, bijvoorbeeld, verliezen alle naalden in de winter.
Er is maar één loofboom die groen blijft: dat is de hulst.

De loofbomen laten we nu even links liggen, anders duurt het te lang voordat ik bij de kerstboom ben.
Den, spar, lariks, thuja, sequoia, ceder, taxus, het zijn de naaldbomen die in Nederland voorkomen. Het zijn verzamelnamen voor een scala aan verschillende bomen.
Nu laten we andere soorten dan de Den en de Spar buiten beschouwing.

In Nederland kunnen we zo’n 15 soorten dennen aantreffen. Niet allemaal in de vrije natuur; er zijn heel wat dennen die zijn geïmporteerd voor parken en tuinen. De meest voorkomende in de natuur zijn de Grove Den en de Zwarte Den. Die laatste is onder te verdelen in Oostenrijkse en Corsicaanse Den. Die zijn, naast de Grove Den, aangeplant voor de houtproductie. De Grove Den is de enige inheemse den.

Geen enkele spar is inheems. De Fijnspar is pas rond 1780 ingevoerd. Er zijn ongeveer 25 soorten sparren in Nederland. De Fijnspar vooral, maar ook de Douglasspar is veel aangeplant voor de houtproductie.

Veel mensen denken dat ze met een kerstboom een Den in huis halen. Dat is eigenlijk nooit het geval. Voorheen waren het altijd Fijnsparren en nu meestal Nordmansparren of één van de andere soorten Zilversparren. Of een kunstboom natuurlijk.
Misschien is het misverstand ontstaan door het liedje “O, dennenboom wat zijn je takken wonderschoon” dat uit het Duits komt: “O, Tannenbaum”. Die Tanne is de Zilverspar en de Den heet in het Duits Die Kiefer. De Fijnspar heet Die Fichte. Verwarring alom dus, want vroeger gebruikte men in Duitsland alleen de Fijnspar voor de kerstboom. Het zou naar mijn idee eigenlijk “O, Fichtenbaum” moeten zijn.

Ik ga straks verder over de Fijnspar, nu eerst de Grove Den.
De Grove Den is dus de inheemse conifeer bij uitstek. Na de IJstijd heroverde deze boom het gebied waar het ijs zich terugtrok. Zoals gezegd, hij wordt aangeplant voor de houtproductie. Het zogenaamde grenenhout. Maar van nature is het nog steeds een pioniersboom in heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en duinen.

De Grove Den en de kegel.

De vliegdennen in zandverstuivingen zijn altijd Grove Dennen.
Prima timmerhout, beter dan vurenhout. Er werden ook scheepsmasten van gemaakt. Terpentijnolie en teer, zijn producten die deze boom leverde.

De Fijnspar houdt van vochtige lucht en een koud klimaat. In de bergen groeit hij tot op grote hoogte en wordt daar een krachtige boom met een rechte stam. In onze streken doet hij het minder goed. Maar omdat de boom goed schaduw verdraagt kan hij dicht op elkaar geplant worden en is de houtproductie per hectare groot. Het hout is bekend als vurenhout en wordt vooral in de bouw gebruikt. Maar ook als klankbodem in piano’s. Weliswaar zijn dit sparren uit de Alpen, Bohemen en Beieren.

De Fijnspar en de kegel

En de Fijnspar is dus de originele kerstboom.                                                                De Fijnspar wordt de laatste jaren in heel Europa aangetast door de Letterzetter, een klein kevertje dat massaal leeft én zich voortplant achter de schors van de spar. De boom overlijdt hieraan. Hele percelen bos verdwijnen. In de Wouwse Plantage is dat goed te zien. Dat de Letterzetter zich zo verbreidt komt door de grote droogte van de laatste jaren.

Op de kegel van de Fijnspar groeien enkele soorten paddenstoelen. Deze sparrenkegelzwam komt alleen maar voor op de Fijnspar.

De takjes, naalden en zaden werden in de geneeskunde gebruikt tegen bronchitis. En wie kent niet de sparrengeur van badschuim.

Sparren zijn al sinds de oudheid heilige bomen. Men zou er nooit zomaar een takje afbreken. In het voorbijgaan groette men de boom en vroeg men om raad en genezing. Men dacht dat de boomgeest van de spar jicht en reumatiek op de mensen losliet. Men vroeg de boom om de ziekte weg te nemen en de boom zorgde ervoor dat de kwaal op een vogel of ander dier overging.

Een wichelroede van de spar kon lood in de bodem aanwijzen.

Als de bliksem in de boom sloeg wees dit op de aanstaande dood van de eigenaar.

De spar had en heeft een belangrijke rol bij volksfeesten. De Meiboom bijvoorbeeld is een spar.

Traditiegetrouw hier een bijbelverhaal uit mijn bomenbijbel. Een Russisch verhaal over hoe het komt dat sparren hun naalden in de winter niet verliezen:

De duivel had weer een nieuwe streek bedacht om de mensen beet te nemen en daartoe had hij een korenmolen gebouwd. De molen zag er goed uit en de duivel ging proberen of ze ook goed werkte. Toen het koren in de molen was gedaan en het malen begon, wilde het koren niet van de stenen afvallen en wat de duivel ook probeerde, niets hielp. Terwijl hij daar zo stond te zwoegen kwam Christus met St. Petrus voorbij en zij bleven staan om te kijken wat daar eigenlijk gebeurde. Nadat Christus dit zo een tijdje had aangezien, zei hij tot de duivel: “Ik kan wel zorgen dat uw molen goed maalt, maar dan moet gij mij als uw Heer aannemen”.
“Dat kan ik natuurlijk wel doen”, antwoordde de duivel, “maar dan slechts voor een kort poosje”.
“Goed dan, laten wij afspreken dat ik uw Heer ben totdat de bomen van het bos geen blad meer dragen”, zei Christus. De duivel wist dat het al gauw herfst zou worden en hij nam het voorstel aan. Christus raakte nu de molenstenen even aan en de molen begon te malen en werkte, zoals een goede molen dat behoort te doen; de duivel kon er echter geen slechte dingen mee doen. Dat begon hem al gauw te vervelen en hij ging maar eens naar het bos om te kijken of de naalden nog niet begonnen af te vallen, maar er gebeurde niets. Ook in de herfst viel het blad niet af. De duivel probeerde van alles, hij joeg de storm door het bos, rukte aan de takken en de bladeren, trachtte het bos uit te drogen, maar niets hielp. De sparrentakken bleven van onder tot boven aan de boom, vol naalden en zo zou het voortaan blijven. De molen was voor niets gemaakt en de duivel droop woedend af.

Er is ook een legende over waarom de sparren hun takken laten hangen. Dat kwam zo: Jezus wandelde eens met zijn volgelingen door een sparrenbos, toen het hard begon te regenen. Jezus liep rustig verder, maar een van de apostelen voelde daar niets voor en snelde op een grote spar toe, om daar beschutting te zoeken. “Kom toch hier” zei hij tot Jezus, “hier kunnen wij schuilen”. Maar Jezus antwoordde: “Hij die regen stuurt, zal ook de zonneschijn zenden” en liep verder.
Ondertussen was de apostel onder de spar gekropen, maar die sloeg met zijn takken op en neer en hield ze naar omlaag, zodat de jongeman doornat werd en niet wist hoe gauw hij onder de spar vandaan moest komen. De bui was voorbij en de zon scheen weer over het veld toen de jongen, natter dan de anderen, zich beschaamd weer bij hen voegde. De spar laat voortaan als herinnering aan dit gebeuren, nog dikwijls zijn takken hangen.

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 22

Van Jan Hendrickx

Reactie op de foto’s die Wim in nummer 20 plaatste.

Ik wil nog wel even reageren op de foto’s van Wim.
De ene foto is gemaakt Bij een Fortissimo Gezins Activiteit. Van rechts naar links Katinka en Mariël Steenbak, zoon van Cees Coppens en Ton Hendrickx.

De andere foto is van Henk Badings en Horst Müller, genomen bij mij thuis. Dit was de middag voor het jubileumconcert op zaterdag 16 April 1983 in de Stoelemat. Badings was na afloop hiervan zeer lovend.  Horst Müller, de tekstdichter van Polnischer Winter, was een beetje een vreemde vogel. Voor het concert vroeg hij nog een stropdas te leen en bleef ongevraagd nog een dag of drie logeren. Nellie had er geen moeite mee en zij had een beetje ”met hem te doen”. Hij kwam bijna niet van de logeerkamer af en hij at alleen maar, zoals hij ook zei, als hij honger had.

 

Van Corrie Speek

Reactie op het verhaal van Ben.

Oh wat weet ik dat ook nog goed, dat 20 jarig bestaan in De Ladder. Ik weet nog dat Wim en zijn team op kinderfietsjes de zaal binnenkwamen en dat bij de zakkenwassers een Catweazle zat, wie was dat ook weer? De kinderen hadden toen ook een hele leuke dag Patrick 8 en Jeroen 4 jaar. Ze zijn opgegroeid met Fortissimo.
Wat konden we toen feesten en wat waren we allemaal nog heerlijk jong.

Corrie Speek- van den Heuvel.

 

Van Daniël

Reactie op het verhaal van Fred over de Els.

 

Fred,

 

Een mooi verhaal over de Els.
De Els is bij mijn geboortedorp Roelofarendsveen veel aangeplant en gebruikt. Het is en was dan ook een waterrijk gebied. Zeker na de ruilverkaveling die eind jaren 50 is begonnen is bij elk perceel aan de noordkant en achterkant, een elzenwal geplaatst. Aan de zuidkant gras.

Elke 2 jaar knotten we de Elzen, ieder jaar de helft. Het liefst hadden we dat het vroor en het ijs dik genoeg was. Zo konden we vanuit de sloot werken.
De takken gebruikten we dan weer om langs de slootkant te leggen.
Takken werden ook gebruikt als drainage. Toen ik met mijn broers in de jaren 70 onderbemaling ging leggen op een meter diep kwamen we deze oude drainage nog tegen. Die lag op zo’n 30-40 cm. Van sloot naar sloot. (onderbemaling kwam via een hoofdader in een put terecht, waar een pomp in was geplaatst).

Mijn vader had seringen en hier werden elk jaar windschermen geplaatst. Later hebben we van  Elzenboompjes rijen geplant die we gebruikten als windscherm. Konden we elk jaar weer scheren met een scheermes. (krom zwaard met lange steel).
Er staan er nu niet veel meer. Beschoeiingen hebben de taak van de Elzen over genomen.

Gr Daniel.

 

Van Ad (SBM)

De Zeekant 1968 (Wilma, stadsgids)

 

De dag is kalm. De zon nog onaf en het Scheld morst met licht. Door het plastic vliegergordijn ren ik naar buiten. Over het koolaspadje het pleintje op, schuin de IJssellaan over. Dan door het dichte hoge gras. Handig ontwijk ik diepe kuilen, brandnetels en distels. De lucht is blauw, de dagen zijn nog blauw. Zomer is rond het middaguur. Het uur van de stilte. Uitgeput kom ik bij het graf aan. Ik klim op het muurtje van kinderkopjes en ik kijk naar beneden. Mijn hart klopt in mijn keel. Het graf dat door een hoog hek omgeven is ligt er vredig bij. Burgemeester De Roock. Redder van de Gevangenpoort. Daar ligt hij begraven. Samen met zijn vrouw. Ik vraag me af: Liggen ze samen in een kist of apart? En waar ligt dan dat paard? Zijn daar ook kisten voor? Over het hek klimmen durf ik niet. Ik zou ook niet willen dat ze over mij zouden lopen. Ik kom weer omhoog en steek de Scheldelaan over. Alleen de zeemeeuwen zijn te horen. Het is het uur van de stilte. De Oosterschelde schittert in de verte. De modder beneden aan mijn voeten ruikt ziltig. Ik doe mijn schoenen uit en zet een stap vooruit. De blubber is lauw en voelt satijn zacht aan. Het is een sensatie die ik niet eerder heb gevoeld. Het kriebelt tussen mijn tenen. Het lijkt wel alsof de modder leeft. Alles ademt om me heen. Het borrelt en het pruttelt. Zou ik verderop nog kreukels kunnen vinden? Bij elke stap wordt de modder natter en koeler. Iets verder glinstert een zilverstrook. Het zijn glitters in het zonlicht, alsof de kreek vol ligt met diamanten. Overal om me heen lijkt de grond te ademen. Waar ik ook kijk, allemaal kleine wormpjes zand. Ik doe een stap in de richting van het water. Hoop dat het lekker koel is. Het roept me ook: Kom maar dichterbij, toe dan. Ik kan de roep niet weerstaan. Dan zak ik tot aan mijn enkels diep in de modder. Als ik een stap achteruit doe zak ik nog wat verder.

Ik raak in paniek! Wat als het drijfzand is. Verwilderd kijk ik om me heen. Maar ik ben alleen, alleen met de zon. Geen zuchtje wind om mijn verhit voorhoofd af te koelen. Verlaten van iedereen, de wereld om me heen is stilgevallen. Als ik zelf nog maar kan bewegen. Om hulp roepen heeft geen zin. Ik trek mijn voet er met enige moeite uit en zet een grote stap naar achter. Gelukkig. Ik zak niet verder. Ik draai me om en sprint terug naar het droge zand. Mijn hart klopt in mijn keel. Terwijl heel de wereld in brand lijkt te staan, valt die onrust in het niet bij de angst die ik heb om in het zand te verdrinken. Met modder tot aan mijn knieën klauter ik omhoog maar de Scheldelaan. Op het stenen muurtje bij het graf ga ik hijgend zitten. De vraag is nu: hoe krijg ik mijn voeten schoon? Ik wil niet dat mijn moeder er achter komt wat ik heb gedaan. Dan zwaait er wat. Misschien bij een vriendinnetje in een teiltje water gaan staan? Ik hoop dat het lukt.

 

Van Wim

Hier een paar foto’s met het verzoek om ons te vertellen wat jullie je ervan herinneren. Daarnaast roep ik de “jongere “ leden op om eens in hun fotoboeken te kijken en evt. een foto in te sturen voor deze rubriek. Graag wat reacties en bedankt voor de moeite.

Foto 1

Foto 2

Foto 3

 

Van Clemens

In deze tweede bijdrage over Audio vertel ik een en ander over de geschiedenis van de bandrecorder. Ik heb daarbij dankbaar gebruik genaakt van informatie uit Wikipedia en YouTube. De laatste website geeft alleraardigste illustraties van oude apparatuur.

Veel plezier!

 

  1. De bandrecorder.

Eigenlijk is de titel van dit deel onjuist. Bij de uitwerking van het principe van de bandrecorder zijn aanvankelijk geen geluidsbanden gebruikt maar wel ijzerdraad. In het vorige deel is uitgelegd hoe geluidstrillingen (eigenlijk trillingen van lucht) omgezet zijn in bewegingen van naalden, een vorm van zogenaamde analoge geluidsopname en -weergave. In dit deel gaat het over een andere vorm van analoge geluidsopname en -weergave: naaldtrillingen maken plaats voor veranderende magnetische velden. Het natuurkundig verschijnsel ‘magnetisme’ was al in de Oudheid bekend. Ontdekt werd dat de zogenaamde magnetietkristallen (genoemd naar de streek Magnesia in het Griekse Thessalië) magnetische eigenschappen hadden door de aanwezigheid van ijzer. Later ontdekte men het elektromagnetisme, opgewekt door bewegende elektrische ladingen. Dit laatste is het principe van de bandrecorder: geluid veroorzaakt wisselende bewegende elektrische ladingen die op hun beurt wisselende magnetische velden met zich meebrengen.

De Deen Valdemar Poulsen (1869-1942) was degene die voor het eerst dit principe toepaste bij geluidsopname en -weergave. Hij construeerde in 1898 de telegrafoon (zie figuur 1).

Figuur 1. De telegrafoon(Wikipedia

Het apparaat was een draaiende cilinder, bekleed met ijzerdraad dat werd gemagnetiseerd door een apparaatje dat wisselde elektromagnetische velden opwekte. Het apparaat was bedoeld om telefoongesprekken op te nemen. Het is ook gebruikt als dictafoon.
Voor een (Engelstalige) illustratie zie:
https://www.youtube.com/watch?v=lAjWgDsPdQA

De kwaliteit van het geluid was ronduit slecht. Door commerciële tegenvallers werd de productie van de telegrafoon in 1920 gestaakt Ondanks dat is een methode uitgevonden om door wisselstroom met een hoge frequentie magnetische gegevens te wissen (Fuller, 1918) en wist men de vervorming van opgenomen geluid te verminderen door zogenaamd voormagnetiseren (tevoren wisselstroom door het ijzerdraad geleiden, Carlson en Carpenter, 1921).

Daarnaast werd een methode ontwikkeld om gesynchroniseerde (= gelijklopende) magnetische recorders te gebruiken voor geluid bij films (Bullis, 1925). Filmgeluid werd later voortgebracht door een getande stalen band (Stille, 1922), later vervangen door een dunnere, minder gemakkelijk breekbare, draad. In die jaren, zo begrijp ik, vond het afspelen van een film met het daarmee gesynchroniseerde geluid door twee afzonderlijke apparaten plaats.

Het principe ven de gemagnetiseerde draad is doorontwikkeld vanaf 1937. Er werden draadrecorders op de markt gebracht (Brush, 1937). Deze apparaten lijken sterk op de latere bandrecorders, alleen het opnamemedium is ijzerdraad. Ik had zo’n apparaat nog nooit gezien Een aardige illustratie geeft https://www.youtube.com/watch?v=6INMbREg-1M

Figuur 2. Een draadrecorder.

De draadrecorder is tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikt ook om radarbeelden – naast geluid – op te nemen. Er is ook een draagbare versie gemaakt voor oorlogsverslaggevers (voor details verwijs ik naar Wikipedia).
De kwaliteit van geluidsopnames, vooral muziekopnames, viel tegen. Ook brak de draad gemakkelijk wat nadelig was in het (dagelijks) gebruik.

Het ijzerdraad werd rond 1950 vervangen door tape.
Het ontstaan van de taperecorder (of bandrecorder) is curieus. Ene Fritz Pleumer zou rond 1927 begonnen zijn het principe van magnetiseren toe te passen op banen ijzeroxide die aan stroken papier waren vastgemaakt. Het papier scheurde gemakkelijk. AEG dat de octrooirechten van Pleumer in 1932 had overgenomen, verving het papier door celluloid. In 1935 brachten zij de Magnetophon K1 op de markt, een bandrecorder die als model de eerste was van talloze latere modellen (zie figuur 3, (Bild 52)). De eerste modellen gaven veel ruis bij het afspelen en waren eigenlijk niet geschikt voor muziekopnamen. De herontdekking in 1940 door Walter Weber van het voormagnetiseren door wisselstroom leverde aanzienlijke onderdrukking van ruis op en een toename van de geluidsweergave tot 10 kHz, voor die tijd een aanzienlijke sprong voorwaarts.

Figuur 3.

Het verbaasde de Amerikaanse officier John T. Mullin (1913-1999) dat de geluidskwaliteit van Duitse radio-uitzendingen (opgevangen in Engeland tijdens de Tweede Wereldoorlog), vooral waar het klassieke muziek betrof, zo levensecht waren en hij dacht dat het uitzendingen van liveconcerten waren. Dit bleek onwaarschijnlijk gezien het late uur van de muziek en -de voor hem bekende – schellak grammofoonplaten konden onmogelijk die kwaliteit leveren. Later heeft hij begrepen dat hierbij bandopnames met de Magnetophon een rol speelden. In 1945, bij de bezetting van Duitsland, heeft hij een tweetal Magnetophons naar de VS. laten verschepen als souvenir. Deze apparaten zijn nog jaren gebruikt voor radio-uitzendingen in de VS., onder meer voor de radioshows van Bing Crosby.

Door het vele gebruik gingen de geluidbanden slijten en ook het apparaat had toenemend behoefte aan reserveonderdelen. De firma Ampex is toen begonnen met het maken van taperecorders op basis van de Magnetophon en het produceren – met vallen en opstaan – van kwalitatief goede tapes (zie figuur 4).

Figuur 4. Een vroegere Ampex studio-bandrecorder

Er is sinds die tijd een ware productiegolf van bandrecorders op gang gekomen. Ampex hanteerde een bandsnelheid van 76 cm per seconde. Dit is nodig voor de  – toenmalige – HiFi-kwaliteit maar niet nodig voor het reguliere huiskamergebruik. De commerciële bandrecorders hadden snelheden van 4,25, 9,50 en 19 cm per seconde. Merken als Grundig, Philips, Teac, Revox, Sony, Uher (en nog meer) waren aan bandrecorders verbonden. Voor een goede geluidsweergave stond meestal een grote taperecorder bij de geluidinstallatie.
Deze ‘mode’ heeft tot ongeveer 1990 geduurd. In figuur 5. is een overzicht gegeven van soorten banden, toepassingen en de daarbij behorende opnamekoppen.

  • 76 cm/s halfspoor stereo en multi-track (professionele grammofoonplaat– en cd-opnamen)
  • 38 cm/s halfspoor stereo (radioprogrammaopnamen bij het NOB, nu NPO)
  • 19 cm/s halfspoor mono (spraakopnamen bij het NOB, nu NPO)
  • 19 cm/s half- en kwartspoor stereo (muziekopnamen voor huiskamergebruik)
  • 9½ cm/s kwartspoor stereo (muziekopnamen voor huiskamergebruik)
  • 4¾ cm/s kwartspoor mono en stereo (spraakopnamen voor huiskamergebruik)
  • 4¾ cm/s kwartspoor stereo (cassettebandjes)

Figuur 5. soorten geluidsbanden en opnamekoppen (Wikipedia)

Voor het thuisgebruik is de bandrecorder nagenoeg verdwenen, hooguit in zwang bij nostalgische luisteraars. In professionele kringen is er nog toepassing, bijvoorbeeld als ‘master tape’ bij cd-opnamen. Ook kon door het manipuleren met banden allerlei geluideffecten worden bereikt (bv. echo) of konden geluiden, instrumenten worden gemengd. In mijn studietijd heb ik stage gelopen bij de afdeling functieleer van het Psychologisch Laboratorium te Nijmegen. Daar heb ik talloze geluidsbandjes geknipt en geplakt met de klanken ‘ie’ of ‘i’ .Dit was nodig bij de bouw van een apparaat om dove mensen via kijken naar een bewegend puntje op een oscilloscoop te helpen een onderscheid te maken tussen de klanken ‘ie’ of ‘í’.

In de laatste 20 jaren van de vorige eeuw kwamen steeds meer cassetterecorders op de markt. Aanvankelijk bleef de geluidskwaliteit merkbaar achter bij die van de grotere bandrecorder. Daar was de lage bandsnelheid (4,75 cm per seconde) mede debet aan. Er werd veel gedaan aan de verbetering van de bandjes door het maken van speciale bandsoorten zoals het chroom-dioxidebandje. Ik herinner mij in die tijd dikwijls naarstig op zoek te zijn geweest naar ‘metal tapes’, een tape waarbij metaaldeeltjes op een andere en nieuwe manier waren geprepareerd. Dit resulteerde in betere weergaven van hoge frequenties en bassen. De eerdere chroom-dioxidebandjes en ijzer-chroombandjes presteerden minder in dit opzicht. Al met al bleek de geluidskwaliteit even goed en soms beter dan die van de oude bandrecorders.
Naast de cassetterecorder kwamen ook dicteer- en antwoordapparaten op de markt met passende kleine geluidsbandjes.

Nu iets over het synchroniseren van geluid bij films. Al vanaf 1889 is geëxperimenteerd (door Edison) met geluid bij film. Er waren synchronisatieproblemen en volumeproblemen. Eerder gaf ik aan dat twee afzonderlijke apparaten werden gebruikt: een voor film en een voor geluid. Pas in 1926 werd een geluidsband fotografisch opgenomen (zie afbeelding) en afgedrukt aan de rand van de film en in 1925 werd een en ander ontwikkeld voor geluidsversterking en verbetering van geluidskwaliteit. Voor meer details verwijs ik naar Wikipedia. Nu tegenwoordig de klassieke film in veel gevallen is vervangen door een (DVD-)schijf is er een naadloze synchronisatie van filmbeelden en geluid.

 

 

Van Ben

We eindigden er vorige week mee dat we vandaag een verslag van dat superleuke I.F.K. zouden geven.

Wel, dat festival was niet zo maar een lolletje! In september 1977, zo’n 8 maanden voor het feest, kwam het organiserend comité al met een Reglement voor het festival dat er mocht zijn!

Hieronder volgen een paar van de meest tot de verbeelding sprekende artikelen:

Art.        2             Elk der 6 ensembles is verplicht mee te doen.

Art.        3             Alle reglementen van alle festivals waar aan Fortissimo ooit deelnam zijn van toepassing

Art.        4             Elk ensemble schrijft in, in een der volgende afdelingen:

A met lof                                            A  2-de prijs

A superieur                                       A  1-ste prijs

A                                                            A  geen prijs

Art.        5             In elke afdeling wordt één vrij nummer gezongen, t.w. Merck toch hoe Sterck en een  verplicht nummer naar keuze.

Art.        8             De samenstelling van de jury wordt één uur vóór het festival bekend gemaakt.

Art.        11           Waarin dit reglement niet voorziet, zie elders, o.a. b.v. in het programmaboekje Eistedfodd   Llangollen.

Wel, daar moest men dan maar mee aan de slag. Op 14 november volgde weer een info met weer nadere gegevens. Zo was er deze aanvulling op het IFK-reglement:

Zoals U ongetwijfeld nog uit uw blote hoofd weet, luidt art. 4a: “In elke afdeling is meelk wajer oor mikst kwajer toegestaan”. Maar aangezien sommige fiemeels kwajer zijn geworden, hebben we goedgevonden en verstaan om ook fiemeel kwajers toe te laten ………
In de info van maart 1978 werd al gesproken van het GROOT I.F.K. Er werd ingegaan op de vragen vanuit de ensembles (nou, ja,): in de festivalruimte is gelijkstroom aanwezig.
Waar het festival zou plaatsvinden was nog niet bekend. De festivalcommissie had wel een plattegrond van de “feestzaal” gegeven, maar die was totaal fake!
In ieder geval gingen alle ensembles aan de slag om het “vrije werk” Merck toch hoe sterck een eigen tekst te geven en om een leuk “verplicht werk” te verzinnen.

Ik kan niet nalaten om een van de mooiste, als bijlage, aan dit artikel toe te voegen. Dat werk heette LAREDO PLACE. De meeste van ons kennen Laredo, maar die Place maakte er echt iets anders van! Ik zal de componist maar met naam noemen, het was onze René Buijs!  Je begint eraan en denkt “Dat ken ik”, maar nog geen regel later wordt je in een ander nummer gezogen, en dat gaat zo maar door. Op een prachtige manier is voor een heel groot gedeelte de bestaande tekst gebruikt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Natuurlijk waren er veel meer ontzettend leuke optredens! Ik laat straks nog een couplet en een refrein van gebruikte liederen zien, maar hieronder nu eerst het gehele programma:

Merck toch hoe sterck: 

Iedere zondag al twintig jaar lang, staan we op tijd voor de deur om te gaan repeteren.
Waar of het is dat is altijd de vraag, want we verhuisden zo vaak, al zeker zeven keren.
Hoor de glazen ramen slaan, op het bord staan vieze woorden;
Van de nonnen moesten we gaan, moesten we naar andere oorden.

 

20 jaar bij mekaar, steeds de beste vrinden.
Want de sfeer in dit koor weet ons steeds weer te binden.

Een vrij nummer:   (melodie 20 rode rozen) 

32 mannen op een lange rij.
Eentje staat er voor, die hoort er ook nog bij
Alles bij elkaar heet het Fortissimo,
En als ze zingen klinkt het zo…
Al 20 lange jaren, 20 lange jaren, 20 jaar Fortissimo

 Turks koor:

Pompo, pompo, pompopo,tiri baro tiri baro zalaka     (enz.) 

Hier nog een:  (melodie: het couplet uit   “dit is uit het leven gegrepen”)

We hebben veel gedaan en heel wat afgezongen!
“Fortissimo” de naam, voor “mannenkoor” stond toen “jonge”.                    Al zijn nu hier en daar wat leden aan ’t vergrijzen                                                        Dat is toch geen bezwaar, we winnen nog steeds prijzen!

 Waarschijnlijk vraag je je nu toch langzamerhand af uit welke personen de jury bestond. Wel, dat waren : Piet Molenaar, “namens de landelijke organisatie”! (hij was de uitbater van De Ladder!), Anneke Franken-Cleiren (de vrouw van ons toenmalig lid Martien Franken) namens de vrouwkes en.. Ben de Groot namens het gewest. (Ik was toen voorzitter van het gewest)

Hieronder tref je een juryrapport van Anneke aan:

Wel, goede vrienden, ik denk nu lang genoeg stil te hebben gestaan bij dit vierde lustrum. Het was een heel gaaf feest, waar toen al de nostalgie van de jaren ervoor hoogtij vierde. Hoe moet dat nu na 62 jaar wel niet zijn?
Ik ga verder struinen in de mappen van Johan om een mooi ander festijn te vertellen.

Ben

 

 

Van Kistin

Choronicles by Kristin

Het kooronanieuws was deze week weer geweldig interessant, ik dacht na over een manier om dit te overtroeven maar denk niet dat dit een goed begin is.

De Erlkönig nog in gedachten (ik wist niet dat het hier over een Els ging) en de bijbehorende fabels, is het misschien wel eens leuk om iets te vertellen over het lied An Chloë van Mozart. Omdat dit lied een dubbele bodem heeft.

Het is een rondo-vorm A-B-A-C-A’. De meeste muziek uit die periode bestond uit ABA-vorm of sonate-vorm. Mozart componeerde dit lied in Wenen in het jaar 1787 op tekst van Johann Georg Jacobi. Hij gebruikte niet al de coupletten van het gedicht enkel de eerste vier. De rest van het gedicht gaat over verraad en dood.

Het verhaal gaat over een jongen en een meisje die verliefd bij elkaar zitten en de emoties die dit samenzijn opwekken.  Zoals Fred de fabels over de Els vertelde kan je dit lied op verschillende wijze gaan interpreteren. Onschuldig en jong maar ook vergaand waar de liefde tot een hoogtepunt wordt gebracht (de daad bij het woord 🙂 ). Ik zong het lied vroeger in de onschuldige versie tot iemand me zij dat het toch wel verder ging dan bij elkaar zitten en daar emotioneel van zijn. Sindsdien kan ik het niet anders meer zien. Het blijft een zeer mooi lied, je ervaart de emotionele geladenheid. Mozart was een ondeugende figuur en vond deze dubbelzinnige teksten plezierig en zette dit graag op muziek.

Wat denken jullie? Onschuldig of niet?

Hier de tekst:

Wenn die Lieb ‘aus deinen blauen,
hellen, offnen Augen sieht,
and vor Lust hinein zu schauen
mir’s im Herzen klopft und glüht;

Und ich halte dich und küsse
deine Rosenwangen warm,
liebes Mädchen, und ich schließe
zitternd dich in meinem Arm,

Mädchen, Mädchen, und ich drücke
dich an meinen Busen fest, the
im letzten Augenblicke
sterbend nur dich von sich läßt;

den berauschten Blick umschattet
eine düstre Wolke mir,
and ich sitze dann ermattet,
aber selig neben dir.

Wanneer liefde straalt uit je blauwe,
heldere, open ogen,
en de vreugde om erin te kijken,
mijn hart doet bonzen en gloeien;

En ik houd je vast en kus
Je roze wangen warm,
lief meisje, en ik sla
je trillend in mijn armen,

Meisje, meisje, en ik druk
je stevig tegen mijn borst,
die je op het laatste moment,
alleen maar stervend, laat gaan;

Mijn bedwelmde blik wordt overschaduwd
door een sombere wolk,
en dan zit ik uitgeput
maar zalig naast je.

Volkliedjes zijn ook dikwijls dubbelzinnig bedoeld. In de periode van Mozart en ook later nog werden de avonden doorgebracht met muziek of er werden verhalen verteld en veelal waren daar ook hun kinderen die toehoorden. De teksten werden dan aangepast zodat de betekenis enkel door de volwassenen kon begrepen worden. Een voorbeeld is het lied ‘des winters als het regent’, waar de tekst zo gaat: des winters als het regent dan zijn de paadjes diep, dan komt het lozen vissertje al vissen in het riet. Met zijne lijfstok en zijne strijkstok, met zijne lapzak en zijne knapzak, met zijne leren van lieredomme deren, met zijn leren laarsjes aan.

Hier kan je toch wel enkele vragen bij hebben. Wat heeft hij allemaal bij? En waartoe dient het?

Wordt vervolgd…Graag commentaar!

Kristin Roland

 

 

Van Fred

 

Wie kent hem niet…. de Beuk, Fagus sylvatica.
Ik wil het even hebben over de gewone Beuk. Niet de Haagbeuk, die, zoals bekend, geen beuk is.
De gewone Beuk is niet zo gewoon; er is best veel over te vertellen.
Wie kent niet de donkere beukenbossen en de statige beukenlanen.
Beuken kunnen wel 40 meter hoog en 300 jaar oud worden.

Het leuke is dat je hem in elk jaargetijde kunt herkennen. In het voorhaar aan de spitse bladknoppen en de donzige zachte bladeren, ’s zomers aan de brede platte bladeren, de op de grond gevallen mannelijke bloemen, de beukennootjes in de herfst en in de winter aan de puntige knoppen. En het hele jaar door aan de gladde grijsachtige schors.
Die donzige haartjes aan het jonge blad, beschutten het blad tegen de zonnestralen . De haartjes vallen af als het blad volgroeid is.
De beuk wordt vaak als haag geplant. Hij kan goed gesnoeid worden en blijft dicht.

Uiteraard zijn van deze boom ook een groot aantal cultivars gekweekt. De bekendste is wel de Bruine of Rode Beuk. In het Moretusbos vinden we die in laanbeplanting.

In het Oscar van Hemelpark staat deze Varenbeuk. Die zie je niet vaak.

Er zijn ook treurbeuken gekweekt. Een prachtexemplaar staat in de heidetuin van Lievensberg. Die is, al terug te vinden op oude foto’s, zoals deze. Achterin staat hij in volle glorie.

Méér dan een eeuw oud is deze foto en de beuk had toen al een respectabele leeftijd. Hij staat er nog steeds.

Het hout van de beuk is oersterk en wordt vaak gebruikt voor het interieur van bankstellen. Het heeft een heel fijne nerf, het splintert niet en er wordt daarom houten speelgoed van gemaakt. Ik heb dat zelf ook gedaan.

Hier een hijskraan op de Severin-manier: Oerdegelijk, erg groot en je kunt er olifanten mee ophijsen. Zoon Stan heeft er jaren mee gespeeld en op deze foto kleinzoon Max.

Bij de bereiding van wijn, bier en azijn worden hier en daar beukenhoutkrullen gebruikt en wijnvaten zijn soms ook van beukenhout gemaakt. Botertonnen, pollepels, allemaal beukenhout.
Ham, worst en vis worden gerookt met beukenhout. De creosoot in het hout is een krachtig conserveringsmiddel.
Beukenhout is bovendien het beste hout om houtskool van te maken.

Iedereen kent wel de beukennootjes. De dieren in het bos zijn er dol op en de mensen ook. Als kind heb ik er veel mee naar huis genomen om te poffen. Niet wetende dat er een zwak giftige, narcotische stof , het fagine, in zit. Die stof veroorzaakt keelpijn , hoofdpijn, krampen en in ernstige gevallen bewusteloosheid. Ik vond ze heerlijk en ik kan mij van bijverschijnselen niets herinneren.
Er zijn dieren die er helemaal niet tegen kunnen, koeien, paarden, ezels en katten, bijvoorbeeld. Een paard overlijdt na een half pond beukennoten gegeten te hebben.

In de geneeskunde werd wel beukencreosoot gebruikt. Bij allerlei ziekten, vooral bij schimmels en gisten in de longen. Of dat nog gebeurt weet ik niet. Creosoot klinkt niet gezond.
Ook in de volksgeneeskunde werd de beuk gebruikt. Bij pijn aan tandvlees, lippen of kiezen, kauwde men bijvoorbeeld op de blaadjes. Er zijn nog tal van andere gebruiken genoteerd.

Van nature komt de boom vooral op zware grond met goed drainage voor. Ze hebben ook graag wat kalk in de bodem. Vorige week wandelden Rianne en ik wij van Dieren naar Velp op de Veluwezoom, o.a. door de Onzalige Bossen. Daar staan veel beuken en ze doen het daar uitstekend, waarschijnlijk doordat er veel grind in de bodem zit.
Aangeplant zie je hem overal, ook op schrale droge grond zoals in onze omgeving. Daar zit dan, zeker in de huidige tijd, een flink probleem. De Beuk kan slecht tegen wisselende waterstanden en juist op de droge zandgronden is de grondwaterstand dramatisch gedaald. Een volwassen Beuk gebruikt, door het jaar genomen, gemiddeld 800 liter water per dag. In de zomer wel 2000 liter. Een hectare beukenbos zo’n 25.000 liter per dag.

Veel beuken leggen het loodje door gebrek aan water. Ze komen slecht in het blad; een afweerreactie van de boom. Verdamping vindt plaats via de bladeren als er weinig te verdampen valt, wordt er weinig blad gemaakt.
Zo graaft de boom (of eigenlijk doet de mens dat voor hem) zijn eigen graf, want een Beuk kan niet tegen volle zon op de stam. Er ontstaat zonnebrand, waardoor de schors afvalt en de watervoerende laag onder de schors het zwaar te verduren krijgt. Om die reden worden beuken, als het goed is, altijd ingepakt met jute als bomen in de omgeving worden gekapt. Uiteindelijk gaat de boom dood door vochtgebrek en zonnebrand, nadat hij waarschijnlijk ook ten prooi is gevallen aan allerlei zwammen.
Een paar jaar geleden werd er een perceel bos gekapt in de Wouwse Plantage. De beuken langs de Plantagebaan kwamen vol in de zon te staan. Die beuken zijn van de gemeente Roosendaal. Ik heb hemel en aarde bewogen om een bescherming voor die beuken te krijgen. Uiteindelijk spoot de gemeente er witte kalk tegenaan. De nacht daarop waren er zware regenbuien en de volgende ochtend lag de kalk op de grond. Het spuiten van kalk is allang achterhaald om die reden. Er gebeurde vervolgens niets meer en een flink aantal gigantische beuken zijn op sterven na dood.
Inpakken met jute is de enige remedie om de boom een overlevingskans te bieden.. Als de jute verrot is kan de boom inmiddels tegen het zonlicht.

Zoals elke boom groeit ook de Beuk in de hoogte. De twijgen worden takken en de boom wordt steeds hoger door uitgroei in de kruin. De stam zelf groeit niet in de hoogte. Die wordt alleen maar dikker. Bewijs: inscripties die in de boom zijn gemaakt, de beuk is daarvoor bij uitstek geschikt, blijven op de hoogte waar ze zijn gemaakt. Zo zie je soms jaartallen uit de 19e eeuw op ooghoogte.
Vaak zijn het kinderen die in de schors schrijven, vaak ook verliefde of verloofde stellen.
Dit laatste stamt uit een Germaans gebruik. De beuk was gewijd aan de godin Freya, de godin van het huwelijk.

Een heel bijzondere inscriptie staat in een beuk op landgoed Groote Meer. De letters SS vallen direct op, ook V-V-40 is nog te verklaren, maar de letters OZO zullen niet iedereen iets zeggen.
Ze staan voor Oranje Zal Overwinnen. Een daad van verzet: mensen begroeten elkaar door “OZO” te zeggen.

Nu we toch in de oorlog zijn aangeland, sta ik daar nog even bij stil. Tijdens de Slag om de Schelde of de Slag om Woensdrecht, is in onze omgeving zwaar gevochten. Af en toe gids ik groepen langs de belangrijkste plekken die hiermee te maken hebben. Steevast rijd ik dan langs Mattemburgh en Lindonk.
De Duitse parachutisten en andere Duitse troepen verhinderden de doorgang van de geallieerden richting Zuid Beveland. Vanaf Lindonk hadden ze vrij schootsveld. En de bossen gaven dekking. Met het gevolg dat de geallieerden enorm veel granaten in die richting afschoten. De beuken in Mattemburgh en Linkdonk zitten derhalve vol granaatscherven. Ze zijn onbruikbaar in de houtindustrie en er is geen aannemer die zijn dure kettingzaag in die beuken wil zetten. Daarom mogen ze oud worden en vanzelf instorten.

Een heel bijzonder fenomeen is te vinden in de buurt van Verzy, tussen Reims en Châlons-en-Champagne. Het bos genaamd Les Faux de Verzy.
“Faux” is een oud Frans woord voor beuk, dat afstamt van het Latijnse Fagus. Het is dus een beuk, Fagus sylvatica, variëteit tortuosa. Maar dit is nog geen officiële naam. Je weet niet wat je ziet, het is prachtig.

In dit bos van Verzy staat een grote verzameling dwerg-kronkel-treurbeuken. Ze zijn parasolvormig en alles is krom. Onduidelijk is of deze bomen op die manier gekweekt zijn. Ooit was het bos eigendom van een abdij, wie weet wat voor geheimzinnigs daar aan de hand is. Vast staat dat als je een zaailing meeneemt en in je eigen tuin zet, deze gewoon recht de lucht in gaat en niet kronkelt.
God straft onmiddellijk…..

Ik zei het al, ook beuken kunnen worden aangetast door zwammen.
Dood hout in de natuur is enorm belangrijk voor de biodiversiteit. Daarom laten natuurbeheerders dood hout staan en liggen. Er zijn allerlei organismen die van het dode hout leven. Als de bomen gevaar opleveren voor wandelende mensen worden de takken die dreigen te vallen verwijderd en de stam blijft staat, totdat die vanzelf instort.

 

Zo kom ik vanzelf toch weer uit bij de paddenstoelen. Iedereen kent wel die houtige zwammen aan de beuk, de tonderzwam. Die kunnen er vele jaren aan zitten, zonder dat de beuk aftakelt en overlijdt. Ik ken tonderzwammen die wel 50 jaar oud zijn.
Je kunt de jaarringen tellen. Ieder jaar groeit er een randje bij. Ook een tonderzwam is een wereld op zich. Er zijn veel insecten die hun nakomelingen in de tonderzwam groot brengen.

 

Er is één zwam, de Reuzenzwam, die zeer agressief is. Je vindt ze aan de voet van de beuk, op dit moment heel veel in het Moretusbos, maar ook in Mattemburgh. Een beuk is binnen 2 jaar dood als deze slaat toeslaat.

Zoals altijd het geval is bij paddenstoelen is het mycelium de eigenlijke paddenstoel. Die zit dus bij de beuk ook in het hout. Als de beuk uit elkaar valt kun je dit mooi zien. Erg indrukwekkend. Op de foto zie je een voorbeeld hiervan.

En op de volgende  foto ben ik niet in aanbidding voor de beuk, maar bezig paddenstoelen en schimmels te fotograferen.

Onlangs kreeg ik een vraag vanuit het Belgische Wildert. Men was daar van plan een dode of bijna dode beuk te kappen. Een actiegroep was bezig dat te voorkomen. Of ik dit kon ondersteunen met een verhaal over de biodiversiteit in en rond de beuk. Nou… dat kon ik wel.
Om mij maar even tot de padenstoelen te beperken: ik kon meer dan 60 verschillende soorten uit mijn paddenstoelenalbum opduikelen, die allemaal op een beuk groeien. En dan heb ik de paddenstoelen die op de grond in symbiose met de boom leven nog achterwege gelaten, evenals de vele slijmzwammen waar ik de vorige keer over schreef.
Het plaatje hieronder is door de actievoerders tijdens hun strijd als poster gebruikt.

Als je van Wouwse Plantage naar Huijbergen gaat kom je door, wat ik noem, onze Gotische kathedraal. Niet zomaar een idee, het schijnt dat ontwerpers van kathedralen het beukenbos tot voorbeeld namen.
In het Gaudí-museum in Barcelona, kun je zien dat deze virtuoos dat ook deed. En dan vooral om de krachten die in een boom zitten in zijn architectuur te verwerken. Dus in Barcelona niet slechts voor de Sagrada gaan; je moet dit museum ook zien…..

De beuk was heilig en het symbool van voorspoed. Met een beetje goede wil kun je op het blad een T zien. Het teken van Thor, de dondergod, die ervoor zorgde dat je onder de beuk veilig was voor blikseminslag. Feit is wel dat de beuk een gladde stam heeft, waar regenwater in stroompjes omlaag gaat die de bliksem weg leiden naar de bodem. Niet te dicht tegen een stam staan dus en ik zou het toch maar niet uitproberen. Je zult altijd zien dat het niet regent……, dan is de bliksem altijd gevaarlijker dan als het wél regent.

Om nog maar even bij het volksgeloof te blijven: op Pinkstermorgen werden “beukenmeien”, beukentakken naast de wegen in de grond gestoken. Na de processie nam men ze mee naar de akkers en daar werden ze opnieuw geplant om als heksenverdrijvers en vogelverschikkers te dienen.

Uiteraard werd de tonderzwam, los van de beuk, ook voor van alles en nog wat gebruikt. In de geneeskunde, volksgeneeskunde maar ook en vooral om in brand te steken. De befaamde tondeldoos….
Maar ook op een staak geprikt, gebruikte men ze als fakkels en stak men de paasvuren ermee aan. In één van de vorige edities heb ik al eens verteld dat het vuur in een tonderzwam bijna niet te doven is.

De jonge beuken behouden hun blad totdat er weer nieuwe blaadjes komen. Je kunt dat zien in de beukenhaag.
Over hoe dat komt gaat dit bijbelverhaal uit mijn bomenbijbel:

Er was eens een arme man, die uit wanhoop omdat hij geen eten meer had voor zijn kinderen een verbond sloot met de duivel. De duivel zou de man zoveel geld geven als hij maar hebben wilde en in ruil daarvoor zou de man zijn ziel geven zodra de beuk geen blad meer droeg. De beuk was tot die tijd altijd de eerste boom geweest die zijn blad liet vallen. Toen het dan ook najaar werd begon de man angst te krijgen en hij bad God om hem te helpen.
Het najaar kwam, maar het blad viel niet af. De duivel schudde al eens aan de bomen, maar het hielp niets. Het werd later in het jaar, en de duivel kwam met storm en geweld, het lover werd geel, er vielen veel bladeren af, maar ook vele bleven zitten. Het werd nog later in het jaar, de bladeren werden roodbruin, ze werden droog en ritselden wanneer de wind er tegen blies, maar ze lieten niet los van hun steeltjes. De duivel joeg sneeuwstormen en hagel door de takken, niets hielp en toen eindelijk de oude blaadjes naar beneden dwarrelden en de duivel verheugd kwam kijken, toen zag hij dat alweer kleine, tere blaadjes de oude hadden vervangen.

Tot zover dit verhaal. Ik hoop dat het jullie niet verveelt, anders sla je het maar over…..

Eigenlijk had ik nog willen vertellen over de zwarte specht en de vleermuis die de beuk als onderkomen hebben. Dat komt nog wel een keer.

 

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 21

 

Van Fred

Een van de leukste bomen om iets over te vertellen is de els. Een heel “gewone” boom, die je overal kunt tegenkomen.
Ik zeg “Els”, dit is echter een verzamelnaam. De meest bekende zijn de Zwarte en de Grauwe Els, maar er zijn op het noordelijke halfrond nog 14 soorten over, terwijl er veel meer soorten zijn geweest.
De Zwarte Els staat graag in een natte omgeving, de Witte houdt meer van droogte. Ik beperk mij in dit verhaal voornamelijk tot de Zwarte Els.

Het mooie van de els is dat er het hele jaar door van alles aan te zien is. Knoppen, mannelijke en vrouwelijke katjes, bloemen en bladeren. Hij is familie van de berk en is dus een katjesdrager.
De oude en nieuwe vrouwelijke katjes, ook wel elzenproppen genoemd, zitten tegelijk aan de boom. De oude katjes vallen op een gegeven moment af en na verloop van tijd kan daar een redelijk zeldzaam zwammetje op groeien, het Elzenkatjesmummiekelkje. Het is 1-1,5 mm groot.

De oude en nieuwe mannelijke katjes kun je in het voorjaar tegelijk zien. En kort daarna de nieuwe (vrouwelijke) bloemen ook.
Als het blad aan de bomen zit komen er vaak kevertjes, Elzenhaantjes, die de boom behoorlijk kaal kunnen vreten.

En als de boom wat tekenen van slijtage gaat vertonen, kun je de prachtige Elzenweerschijnzwam bewonderen.

De Sijs of zo je wil het Sijsje is een zangvogeltje dat zich tegoed doet aan de zaden van de els en peutert die uit de proppen.
De Sijzen vliegen in grote aantallen van boom naar boom en produceren daarbij een alleraardigste zang. De Sijs broedt in Nederland, maar in de winter zijn er veel meer te zien.

De Zwarte Els werd, en wordt nog wel, aangeplant als grondverbeteraar. In de eerst plaats tijdens de ontginningen. Hij kan erg goed tegen natte voeten en maakt, zoals elke boom de grond droog. Het hout kan ook goed tegen water, maar dan wél onder water. Daarom wordt het gebruikt voor beschoeiingen.

Verbetering van de grond komt niet alleen door het onttrekken van water. De voornaamste reden is de eigenaardige woekering aan de wortels die veroorzaakt wordt door een schimmel.

Die schimmel vormt een oranjekleurige, knolvormige uitgroeiing en zet de stikstof van de zich in de grond bevindende lucht in salpeterzure verbindingen. Zo is zij voor de voeding van groot nut, zelfs op zeer stikstofarme grond groeien de bomen nog goed.

Zoals gezegd, de els is van nut voor de waterbouw en als windvang rond percelen met fruitbomen. Dat laatste zie je nog vaak. Het hout is verder alleen maar geschikt voor sigarenkistjes en dergelijke. Maar…. volgens de overlevering zou Noach zijn ark van elzenhout gebouwd hebben. Dat is knap, want de Els wordt niet zo erg groot. De wonderen waren destijds de wereld niet uit!

Nu komen we langzamerhand bij de mooie verhalen die er over de Els rondgaan. Ik weet niet of ze allemaal waar zijn, dat zeg ik er altijd bij. Misschien geheel, misschien gedeeltelijk….dan toch…..

In het voorjaar was het de tijd voor de grote schoonmaak. Het jonge blad van de Zwarte Els is erg kleverig. vrouwen trokken erop uit om het blad te plukken. Zij strooiden het blad in huis en veegden met het blad het huis aan. En met het blad stof en ongedierte zoals vlooien. Zover is er niets aan de hand en klinkt het aannemelijk.

Vóórdat de vrouw de bladeren of takken plukte werd ze geacht onder de boom een gebed te prevelen. Als ze dit vergat merkte ze dezelfde avond al dat er ongelukken gebeurden of er noodweer uitbrak. Ze herinnerde zich vervolgens dat ze het gebed vergeten was. De volgende ochtend kon dit worden hersteld door terug naar de boom te gaan met een kan melk en die, onder het zeggen van het gebed, aan de voet van de boom uit te gieten. Daarna was geluk verzekerd.

Een bijzonder fenomeen is dat, als je de boom afzaagt, het snijvlak eerst wit-geel is en vervolgens rood verkleurt. Dit is natuurlijk een prachtige aanleiding voor allerlei verhalen, waarvan ik er enkele hier uit de doeken zal doen.

De mensen zagen in dat roder worden, het “bloeden” van de boom. Men vertelde dat er ’s nachts rode vlammen om en op de stronken dansten. Als je deze foto ziet kun je je er wel iets bij voorstellen.

De boomgeest uit de els , die voor ongeluk zorgde, was boosaardiger dan andere boomgeesten. Niet zomaar mensen gaven de boomgeest algemene bekendheid. Goethe schreef bijvoorbeeld het gedicht Erlkönig hierover en Schubert maakte muziek op dat gedicht. Goethe breidde de legende nog wat uit door aan de Erlkönig dochters toe te voegen. In sommige streken was de Elsejonkvrouw bekend. Die had prachtige haren, die ze inwreef met het kleverige vocht van de blaadjes, waardoor ze zo mooi waren. In navolging van de jonkvrouw wasten meisjes hun haren met het sap van de bomen en ook hun gezichten. Daardoor kregen ze een mooie huid en vooral geen sproeten.
Overigens denkt men dat “Erl” (els) een verkeerde vertaling van het Deens in het Duits is geweest. Tegenwoordig zegt men dat “Elfenkönig” juister is. Maar dan klopt mij verhaal niet meer, dus houd ik het op Erlkönig. Sommige verhalen moet je in ere houden.

Tot in Siberië gingen verhalen over de duivel die in de Els woonde. Die zorgde ervoor dat de zielen van ongedoopte kinderen als dwaallichtjes tussen de takken zwierden. Heksen zouden in de boomkruinen uitrusten en aan voorbijkomende dames geschenken geven die, thuisgekomen, niets anders bleken te zijn dan bladeren.

Magiërs gebruikten de takken van de Els werden gebruikt om Satan op te roepen.

Van de binnenkant van de bast werd een toverdrank gemaakt, die alle andere toverdranken elimineerde. Ook de werking van liefdesdranken.

De jongens plaagden niet-leuke meisjes door een Els voor hun deur te planten en voor de deur van leuke meisjes een meiboom.

In de geneeskunde schreef men, bij miltproblemen, voor te kauwen op bladeren of twijgen van de Els. Ook tegen oprispingen was dit een goed middel. Het sap gebruikte men tegen blaas- en nierkwalen en bij ontstekingen in mond en keel. De bladeren legde men op gezwellen, zweren en rode plekken. De bladeren stopten de mensen in schoenen om transpiratie en vermoeidheid tegen te gaan.

Van de Els maakte men wichelroedes. Het hout zou zó van water houden dat het water aantrok en op die manier bronnen en ondergrondse waterlopen kon aangeven.

Maar hoe komt het nu dat het hout na afzagen van de boom zo rood wordt?

Over het ontstaan van de els en het rood worden van het hout zijn een paar sagen in omloop.
Die lees ik wel eens voor als ik onderweg ben met een groep en dan met name op zondagochtend.
Tenslotte lopen mensen dan met mij mee om niet naar de kerk te hoeven. Dus confronteer ik hen met verhalen uit mij eigen bomenbijbel.

Jezus had eens uit een bezeten man de duivels verdreven en deze waren op de ruggen van een kudde varkens gekropen die daar in het land liepen. De dieren begonnen van angst te rennen en sprongen in het water, waar ze jammerlijk verdronken. De duivels waren mee kopje onder gegaan, maar waren op de kant gekropen en nu wilden ze een vuur maken om zich te drogen. Er was echter nergens stookhout te bekennen en ze waren gedwongen om zelf een boom te scheppen. Dit deden ze uit de ruggengraat van de varkens en dit waren de elzenbomen. Vandaar de rode kleur.

De volgende lezing zal wel van een andere apostel zijn:

De duivel wilde ook eens een dier scheppen en hij maakte een wolf. Het dier stond netjes op zijn poten, maar er was nog geen leven in. De duivel fluisterde de wolf in: “De duivel heeft je geschapen. Bijt God”, maar er was geen beweging in het dier te krijgen. Toen zei God: “Ga en bijt de duivel” en de wolf vloog op de duivel af. Die kroop van angst in een boom, een els natuurlijk, maar de wolf kon hem nog net in zijn voet bijten en het bloed liep over het hout. Vandaar die rode kleur.

De Els werd niet vriendelijk beoordeeld; misschien komt het door de plakkerige blaadjes, de zwarte propjes, het stof dat aan de blaadjes kleeft, de door het elzenhaantje kaalgevreten bladeren.
Hoe slecht deze boom stond aangeschreven blijkt wel uit het dwaze versje:

rood haar en elzenhout
zijn op geen goede grond gebouwd

Volslagen onterecht. Het is een bescheiden, weinig vragende boom, die slechte grond tot goede maakt, die veel vogels helpt de winter door te komen en waarvan het hout best te gebruiken is.

 

Van Ben

Ja, ja,

Ik weet eigenlijk niet goed hoe ik moet beginnen met het tweede verhaal uit de FF-erfenis van Johan de Boer. Ik eindigde vorige week met te zeggen dat vandaag het vierde lustrum ter sprake zou komen! Maar, er knaagde iets aan mij. Kijk naar onderstaande krantenartikel (1973!)  en lees het eerste stuk ervan nog eens goed:

“ ..een  Byzantijnse mis (een niet- alledaagse gebeurtenis)…”

En ik maar denken dat we die Mis bij ons 20-jarig bestaan hebben gezongen! Maar ja, het staat er toch duidelijk, dus ik zal het wel mis(!) hebben. Tot ik afgelopen maandag de map “FF 1978 20 jaar” pakte, die in zijn geheel gevuld is met de lustrumactiviteiten van 1978. En wat is een van de hoogtepunten van dat jaar geweest, inderdaad: “De Heilige Liturgie van onze Heilige Vader Joannes Chrisostomus”.  Alles wat ik vorige week van die Russisch-orthodoxe viering van 1973 vertelde ging over de viering 5 jaar later. Ik kan me van die viering van 1973 dan ook niets meer herinneren. Hij komt dus ook in de mappen in het geheel niet meer voor.

Maar nu: dat 4-de lustrum: 1978. Dat staat bij mij, en velen van de leden die dat toen al waren (dat zijn er nog 13!), zeer helder voor de geest. Een geweldig programma.

Half 1977 was de feestcommissie al volop bezig met de voorbereidingen en op 12 september van dat jaar ontvingen de leden de eerste convocatie met het programma:

vrijdag 28 april                  evenement voor enkel en alleen de Fortissimoleden

zaterdag 29 april              kindermiddag voor alle kinderen van de leden.

zondag 30 april                 houd de gehele dag vrij!      ( met dus o.a. bovengenoemde viering)

zaterdag 7 mei                  I.F.K. : Intern Fortissimo Koorfestival

Mij viel op hoe de leden, in die tijd zonder computer om de twee maanden via een convocatie werden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen van de festiviteiten. Zo werd langzamerhand het gehele programma ontvouwd.

Als ik eerlijk ben, en ik lees al datgene weer over dit 4-de lustrum, dan vind ik dat een van de meest leuke en indrukwekkende feesten geweest die we meegemaakt hebben. Natuurlijk, de club was nog betrekkelijk jong en dat kwam de vele activiteiten zeer ten goede.

Nou daar gaan we dan:

Hoe we het voor elkaar kregen weet ik niet meer, maar precies op 28 april, exact 20 jaar na de oprichting hadden we het Middelburgs Mannenkoor toegezegd deel te nemen aan hun jubileumconcert. De bus vertrok al erg op tijd. Er waren vier opstapplaatsen en daar vertrokken de leden op die vrijdag, in kostuum, naar Middelburg. Tot…. Korteven. Daar draaide de chauffeur om en ging terug naar de stad! Het was fake-nieuws geweest!  Er was een KRUISWEG uitgezet, die langs een aantal plekken in Bergen op Zoom ging, waar Fortissimo mee te maken had gekregen in die afgelopen 20 jaar. Er was ook een Wim-Steenbaklied gemaakt en een kruisweglied  voor de zusters van het A.B.G., alwaar we jaren lang met Kerstmis de zalen rondgingen en kerstliederen zongen:

(muziek : A Roving) :  O, zusters, O, zusters, waarom zijn jullie hier nou weg? Het kamertje     linksvoor was toch gezellig zeg!  (in dat kamertje dronken we na de rondgang een borrel!)  Je vraagt je misschien af waarom het een kruisweg genoemd werd? Wel, iedere katholiek onder ons kent beslist nog wel het kruisweglied Stabat Mater. Bij elke stop werd een couplet op eigen tekst met die melodie gezongen. Zo zongen we voor het toenmalige Luxortheater:

STABAT MATER 7 (De Luxor): Ook hier liggen herinneringen, met Louis van Dijk samen zingen, Dry Bones lukte hem zelf niet! En in de bar wordt soms gezongen, maar het blijft vrij ongedwongen: “Elck zingt daar zijn eigen Lied”.                                                             Of:

STABAT MATER 4 (Thalia) : Nog maar pas was men begonnen, en in Thalia wonnen we ons eerste supercup. De katholieke bond van koren kreeg “Je ne l’ose dire” te horen; de jury zei; “o, wat een club”.

Ik weet nog we dat het een hele leuke avond werd, met hier en daar een goede pint!

Zondag 30 april was dus die beroemde Russische Mis, met daarna receptie en een uitje voor de leden met partners. Beslist heel gezellig geweest en ergens lekker gegeten. Maar, ik wil het nu hebben over

Zaterdag 7 mei.

Fortissimo had meegedaan met het zgn. Internationale Koor Festival, het I.K.F., in Den Haag en had daar een zeer goede indruk achtergelaten. Op deze zaterdag organiseerde het nu : Intern Fortissimo Koorfestival, het I.F.K.. Dat festival werd gehouden in de zaal van het toenmalige café De Ladder. (hoek Antwerpsestraatweg en Beatrixlaan) voor die avond genoemd “De Forthallen”. Wel, goede vrienden als ik daar nog aan denk dan komen de tranen terug in mijn ogen van het lachen! De voorbereiding, de aankleding en de inbreng van alle leden was overweldigend! Er waren hele kerkbanken uit de OLV van Lourdeskerk gehaald en voorafgaand aan elk nieuw programmaonderdeel klonken luid de klokken van de kerk, weliswaar op een bandje opgenomen.

Wat de inhoud van die avond was is te veel om dat nu ook al te vertellen. Daar kom ik uitgebreid volgende week op terug. Nou, vooruit dan, om je alvast nieuwsgierig te maken. De deelnemende koren aan dit I.F.K. waren achtereenvolgens:

  1. De Zakkenwassers
  2. Knapenkoor 6 ten 32
  3. Zangkoor ’t Wratje
  4. De Velochanteurs
  5. Fèmeel Kwajor Omissitrof
  6. Gemengd Dubbel Kinderkwartet “Stantje Jeketee”, gedeeld door twee
  7. Les Commissionaires

Nog even iets heel anders: ik kwam zo maar ineens ergens in een van de mappen het allereerste krantenartikeltje over Fortissimo tegen. We hadden overigens die naam nog niet. Het artikeltje is van 30 april 1958, twee dagen na de oprichting:

 

Tot volgende week

 

Van Ad

”VUURKE STOKEN”

 

Vorige week loste ik collega-gids Thijs af in de Gertrudiskerk. Zijn “shift” zat er op.

Maar vóór hij vertrok zei hij: “Ik heb nog iets voor jou!” en toverde een door de tijd verbleekt boekje tevoorschijn. Het was een zelf-geschreven, zelf-getekend en zelf-uitgegeven “boekje” van Fons Gieles. Het droeg de robuuste titel “Tien kuub Thalia” en het ging over de opgravingen die hij samen met zijn Mollerleerlingen deed in 1964 achter de Gertrudiskerk. “Ach ja, Fons Gieles”, dacht ik en kreeg dezelfde bleekrode kleur als het boekje.

Fons was destijds mijn tekenleraar op het Mollerlyceum. Op zijn ruime tekenzolder boetseerden wij vol vuur papier maché-koppen die op flessen moesten passen. Mijn kunstwerk was een Indianenkop, compleet met veer. Ik vermoed dat mijn voorstelling van een nobele roodhuid nu politiek in- en incorrect gevonden zou worden.

Fons, onze leraar, was ondertussen geboeid bezig met het aan elkaar passen en meten van een enorme berg opgegraven aardewerkscherven. Ik vermoed dat bij mij de vonk toen is overgesprongen. Mijn hoofd was meer bij die scherven dan bij de Indianenkop. En ik mocht meehelpen bij het sorteren van dit gebroken Bergs erfgoed. Langzaam ontstonden uit die bergen brokken “hele” potten, bij elkaar gehouden door meters plakband. Als je geluk had, vond je de scherf met het magische teken: drie kruisjes met de letters BOZ, gebroken signalen uit het verleden.

Fons stak bij ons het vuurtje aan, zoals elke goede leraar doet. Een tijdje later zou dan ook de archeologieclub “In Den Scherminckel” opgericht worden door oud-leerlingen die door hem bezield de Bergse bodem indoken. Niet om schatten te vinden, maar om verbinding te zoeken met eerdere Bergenaren, de mensen die onze fraaie stad bevolkten in vroeger tijden.  Ik werd gretig lid.

En zo vonden we pottenbakkersovens, vergeten fundamenten en peurden we in middeleeuwse afvalputten. Zo vond ik een keer tussen de als “toiletpapier” gebruikte mossel- en oesterschelpen, kleurige majolica en een hondenskeletje, helemaal onderin die historische prutput een kinderschoentje uit de 17e eeuw. Ik weet wel, musea staan er vol mee, maar dit schoentje raakte mij: het was op precies dezelfde manier afgesleten als de schoentjes van mijn eigen dochtertjes! De eeuwen vielen weg daar in die kelder; ik had verbinding met het verleden.

Soms denk ik nog wel eens terug aan die berg scherven daar op de Mollerzolder van Fons Gieles. Want eigenlijk is dat precies wat we doen bij SBM: van vele brokjes informatie één aanstekelijk verhaal in elkaar zetten dat de Bergse historie levend maakt én houdt.  “Vuurke stoken” dus, net als Fons.

 

Van Clemens

Nu we toch in de komende maanden verstoken zullen blijven van repetities, concerten en vooral gezellig samenzijn, wil ik jullie toch wat ‘doekjes voor het bloeden’ geven. Voor een ander (mannen)gezelschap heb ik ooit een viertal presentaties over Audio gemaakt die ik graag met jullie wil delen. In die teksten verwijs ik regelmatig naar aardige illustraties in YouTube waar ik veel plezier aan heb beleefd. Ik hoop dat dat ook voor jullie geldt!

De eerste bijdrage aan KOORonaNIEUWS gaat over de geschiedenis van Audio op (was-)rollen en schijven. In de tweede bijdrage vertel ik iets over de bandrecorder en in de derde gaat het over de digitale geluidsweergave. In de laatste bijdrage vertel ik een en ander over audio thuis: de versterker, de plaats van de luidsprekers et cetera.

Wie weet zal onze koorzang ooit eens digitaal worden geregistreerd en bijvoorbeeld bij streamingsdiensten als Spotify of Tidal te horen zijn!

Audio

Inleiding

De term ‘audio’ is afgeleid van het Latijnse werkwoord ‘audire’ dat ‘horen’ of ‘luisteren’ betekent. ‘Audio’ betekent ‘ik luister’. Luisteren naar eerder opgenomen geluid is begonnen rond 1870. Voor die tijd (en nu nog) knutselde men veelal aan speeldozen, klokkenspelen, (draai-)orgels en andere imitaties van klanken.

Aanvankelijk was het afspelen van geluid vooral analoog van karakter. Na ongeveer 1970 won de digitale geluidweergave meer terrein. Analoge geluidweergaven zijn bijvoorbeeld trillingen van een naald (meetrillen met geluidstrillingen in de lucht) die op allerlei manieren hoorbaar kunnen worden gemaakt. Bij digitale weergaven wordt geluid eerst omgezet in getallen (binair, dus nullen en enen) en dan weer hoorbaar gemaakt. Nog een ander voorbeeld: een analoge klok is een klok met wijzers. De wijzers ‘volgen’ voortdurend de voortgang van de tijd. Een digitale klok is een klok met cijfers. De voortgang van de tijd wordt ‘vertaald’ in cijfers (‘digits’).

In dit stuk wordt eerst aandacht besteed aan analoge weergave van geluid. Zo worden de cilinder , de grammofoonplaat en de bandrecorder besproken. Het laatste gedeelte gaat over digitale geluidsweergave: de compact disc (cd) en de ‘streaming’.

In deze verhandeling is (dankbaar) gebruik gemaakt van Wikipedia en andere bestanden die op internet zijn te vinden. Ter illustratie en verduidelijking zijn er verwijzingen naar interessante documentaires binnen YouTube.

  1. Van cilinder tot grammofoonplaat.

Het vastleggen van geluid werd voor het eerst gedaan door de fransman en Parijzenaar Édouard-Léon Scott de Martinville. Hij ontwikkelde de zogenaamde ‘fonautograaf’. Het principe was dat hij geluid maakte in een kleine hoorn. Dit geluid bracht een kleine haar tot trilling. Die kleine haar schreef het geluid op een ronddraaiende cilinder waar met roet beslagen papier omheen was gewikkeld. Zoals de naam van het apparaat al suggereert , was de ‘fonautograaf’ een toestel waarmee je alleen kon schrijven (het Griekse woord ‘grafein’ , waar ‘-graaf’ van is afgeleid betekent ‘schrijven’). In 1858 begon hij daarmee. Zie figuur 1.

Figuur 1. De fonautograaf
(Wikipedia)

Het is in 2008 gelukt om een door Scott geschreven opname afspeelbaar te maken. Dit is een prestatie die is geleverd door medewerkers van het ‘Lawrence Berkeley National Laboratory’ in Berkeley (U.S.A.). Aanvankelijk meende men een vrouwenstem te horen maar bij langzamer afspelen in 2009 meende men een mannenstem te horen, vermoedelijk die van de uitvinder zelf. Hij zong het liedje ‘Au clair de la lune’. De opname is te beluisteren op onder meer ‘www.youtube.com/watch?v=YABES_D9xfE’.

De Amerikaan Thomas Alva Edison wist een apparaat te ontwikkelen waarmee wél eerder opgenomen geluid kon worden gereproduceerd. De geschiedenis ervan is curieus. Het idee kwam van de fransman Charles Cros. Hij bedacht de zogenaamde paleofoon: het beroete papier van Scott zou met fotogravure kunnen worden omgezet in een groef op een metalen schijf of cilinder. Zijn idee bleef ‘papierwerk’. Edison, zelf doof, ontwierp een toestel – en hulpmiddel- dat telefoongesprekken kon reproduceren, de ‘fonograaf’. In zijn eerste ontwerp maakte Edison gebruik van tinfolie dat was gewikkeld om een spiraalvormig gegroefde cilinder. Een kleine naald die in trilling werd gebracht door geluid, kerfde op de tinfolie in de groeven. Op die manier werd geluid in naaldafdrukken vastgelegd. Om het weer te kunnen horen volgde een omgekeerd proces. Zie figuur 2.

Figuur 2.
De fonograaf van Edison. (foto: John Kruesi)

De fonograaf had vooral succes als (betaalde) demonstratie. Om een en ander duurzamer en commercieel interessanter te maken hielp Hubbard, zijn schoonzoon Bell een verbeterde versie van de fonograaf te maken. Deze Bell had geld overgehouden als winnaar van de ‘Prix Volta’. Samen met zijn neef Chichester Bell en met Charles Tainter ontwikkelde hij een verbeterde versie van de fonograaf die de ‘grafofoon’ genoemd werd. Het door Edison gebruikte tinfolie bleek kwetsbaar, scheurde gemakkelijk kon maar enkele keren worden gebruikt. Bell en zijn mensen kozen voor een andere opslagmethode: beschrijven van was op een cilinder. Een demonstratie hiervan is te zien op https://www.youtube.com/watch?v=CF_AvbgBwPU

Bij overhandiging aan het Smithsonian Institute (onderzoeksinstituut en museum te Washington D.C.) stond op hun apparaat genoteerd ‘I am a graphophone and my mother was a phonograph’.

Zie figuur 3.

Figuur 3. De grafofoon. (Wikipedia)

Zoals is te zien zijn er veel verbeteringen aangebracht aan het wat primitievere eerste ontwerp van de grafofoon die veel weg had van de fonograaf van Edison. Zo was de grotere hoorn een betere spreekbuis dan het – aanvankelijk – kleinere buisje en werd gebruik gemaakt van rubberen buisjes die aangesloten waren aan oordoppen zodat het zwakke geluid beter kon worden gehoord. In 1885 kon de grafofoon aan het grote publiek worden getoond. In de jaren die volgden vond een octrooistrijd plaats tussen Edison en allerlei eigenaren van fabrieken die versies van de grafofoon voornamelijk als dicteerapparaat op de markt brachten. Een ingewikkeld verhaal dat goed is beschreven in Wikipedia. Er ontstonden allerlei bedrijven (o.m. Columbia).

Het afspelen van eerder opgenomen amusement werd populairder rond 1890 en eigenlijk commercieel interessanter. Er ontstond een aanzienlijk prijsverschil tussen dicteerapparaten en afspeelapparaten voor amusement (toen respectievelijk 225 dollar tegenover 150 dollar en later zelfs 25 dollar). Er ontstond dus massaproductie. Daarbij bleek het weglaten van en elektromotor en die te vervangen door een (opwindbaar) veermechanisme van cruciaal belang. Voor een alleraardigste documentaire over Edison verwijs ik naar https://www.youtube.com/watch?v=ElSq8mHUEcI&list=TLPQMTMwMTIwMjCVbIeZWGz3vw&index (Gewoon aanklikken of kopiëren en plakken in de opdrachtregel van de internetbrowser).

Het opnemen en vermenigvuldigen van opnamen was aanvankelijk een hele toer. Uiteindelijk werden geluidsopnames gemaakt door bijvoorbeeld een orkest op en bepaalde wijze voor opnamehoorns te plaatsen en zo hun klanken op een ‘moederrol’ vast te leggen. N.B. het hele opnameproces verliep langs mechanische weg! Alleen het draaien van de opnamerol werd aangedreven door een elektromotor. Zie figuur 4.

Figuur 4. Tenor Lucien Muratore en sopraan Lina Cavalieri tijdens een    opname, met orkest, in 1913. (New York Times, Wikipedia)

De fonograaf – steeds verbeterd – met wasrol is tot 1950 als dicteerapparaat in gebruik gebleven.

Inmiddels maakt de grammofoonplaat zijn opmars. Deze werd ontwikkeld door Emile Berliner (1858-1929). Bij een wasrol werd geluid weergegeven door aftasten van ‘heuvels’ en ‘dalen’, bij de grammofoonplaat gebeurde dit door de horizontale beweging van een naald in een groef. De grammofoonplaat was – en is – bedoeld voor het afspelen van eerder gemaakte opnamen. Daarvoor was het maken van een matrijs nodig. Dit werd gedaan door het etsen van een met was bedekte zinkplaat. De geëtste zinkplaat was – na het verwijderen van de waslaag – daarmee het negatief waarmee een veelheid van platen kon worden geperst. Dit was een techniek die véél sneller was dan het kopiëren van opnamen op wasrollen. Eerst gebruikte Berliner celluloid, maar dit materiaal bleek niet bestand tegen de persdruk. Vervolgens werd eboniet (gevulkaniseerd rubber) gebruikt maar uiteindelijk is het schellak geworden (vanaf 1898). De platen waren 12,5 cm of 17,5 cm in doorsnede. Ik kan me herinneren dat je die platen niet moest laten vallen: ze braken gemakkelijk in stukken. Ook Berliner kreeg te maken met allerlei octrooigevechten en andere zakelijke geschillen. In dit strijdgewoel zijn bedrijven als Berliner Gramophone, Victor en de Gramophone Company ontstaan (allen met het logo His Master’s Voice, de hond die naar de stem van zijn baasje luistert). Voor een meer gedetailleerd overzicht van dit alles verwijs ik naar Wikipedia ‘Geschiedenis van de geluidsopname’. De moeite waard is een documentaire te zien op https://www.youtube.com/watch?v=T61TYOVtF3Y

De oudste grammofoonplaten werden afgespeeld op een opwindbare grammofoon (met veermotor) en een relatief zware afspeelarm met en wat grove naaldpunt. Er ontstond dus gemakkelijk slijtage aan naald en plaat waardoor platen de bijnaam kregen ‘grijsgedraaid’ te zijn. Dikwijls moesten naalden na het afspelen van een plaatkant worden vervangen. Tot ongeveer 1960 waren deze platen in zwang (O.m. Afrika was lange tijd een belangrijk afzetgebied). Het waren de zogenaamde ‘78-toeren-platen’ omdat zij 78 keren per minuut draaiden.

Het gehele afspeelproces was mechanisch: de door de naald voortgebrachte geluidstrillingen werden versterkt door een hoorn (zie figuur 5.)

Figuur 5. Grammofoon of ‘pathéphone’.

De grammofoonplaat maakt een ontwikkeling door. Zo werd het ouderwetse schellak vervangen door vinyl, waarmee de houdbaarheid werd bevorderd. De draaisnelheid veranderde In plaats van 78 toeren kunnen langspeelplaten worden afgespeeld met 33,5 toeren en kleinere platen (zogenaamde EP, extended play) met 45 toeren. Dit alles had te maken met de mogelijkheid een kleinere groef te maken waardoor een lp opnamen van grote lengte kon weergeven. De groef was aanvankelijk zo uitgevoerd dat een naald uitsluitend bewegingen kon maken in het horizontale vak (zig-zag). Hierdoor waren uitsluitend mono-opnamen mogelijk.

Een stereofonische weergave werd verkregen door de groef V-vormig te maken waardoor de naald zowel in het horizontale als verticale vlak zich kon bewegen. Daardoor was het mogelijk verschillende geluidweergaven naar een linker en rechter luidspreker te sturen. (Zie figuur 6.)

Figuur 6. Groeven van een LP

De ontwikkeling naar zogenaamde quadrafonische weergaven (met vier luidsprekers) via een LP hield op rond de jaren tachtig van de vorige eeuw wegens onoverkomelijke technische problemen en (ook voor de consument) hoge kosten.

De evolutie van de platenspeler kende verschillende facetten. Zo werden er veranderingen aangebracht in de afspeelnaald. De oorspronkelijke naald was eigenlijk niet meer dan een scherpe metalen pin. Later, toen naaldbewegingen elektronisch versterkt werden en de naalddruk beduidend minder werd, werd de naaldpunt gemaakt van saffier of diamant. Het laatste materiaal kon ongeveer 2000 speeluren meegaan. Ook de vorm van de naaldtip onderging allerlei aanpassingen. Zo waren er de sferisch geslepen naalden, de elliptische en hyper-elliptische naalden, de vier-facetten naaldtip.

Het element (het apparaat waarin de naald was bevestigd) onderging ook allerlei veranderingen. Na de Tweede Wereldoorlog was vooral het keramische element in zwang. Dit vereiste een hoge naalddruk (10 tot 12 gram) waardoor veel slijtage optrad. Later verschenen de zogenaamde magnetodynamische elementen die een veel lichtere naaldruk (2 tot 2,5 gram) noodzakelijk maakten. De top onder de elementen waren de zogenaamde ‘moving coil’-elementen. Zowel bij magnetodynamische elementen (MD ) als ‘moving coil’-elementen (MC) is het principe dat een heel klein wisselend elektrisch signaal (bij MC microvolt, bij MD millivolt) wordt opgewekt door beweging langs een magneet (MD) of spoel (MC) wat moet worden voorversterkt en daarna versterkt.

In mijn studententijd stroopten we allerlei Hifi-winkels af op zoek naar een betaalbaar ADC-XLM-element toen (en nu nog) de top onder de MD-elementen.

Zoals eerder beschreven was de versterking van het geluid bij de eerste grammofoons enkel mechanisch: een geluidshoorn zorgde voor wat versterking. De latere – elektrische – grammofoons bezaten een eigen versterker of, wanneer die aangesloten konden worden op en losse versterker, een eigen voorversterker.

Ook is er ontwikkeling geweest in de aandrijving van het draaiplateau. Deze werd indirect (door middel van o.m. een rubberen band) of direct (door rechtstreekse aansluiting op een elektromotor) aangedreven. Daarnaast herinner ik mij oeverloze discussies over de vorm van de arm: was nu de zogenaamde ‘tangentiale’ arm (een rechte arm boven het draaiplateau waarin een element hing) beter dan de klassieke kromme arm? De verschillen blijken zeer marginaal te zijn, volgens de geleerden.

Na de introductie van de compact disc (cd, uitgevonden in 1950, een commerciële opmars gemaakt vanaf 1970) is de klassieke grammofoonplaat uit het centrum van de belangstelling verdwenen. Een kleine groep ‘audiofielen’ zweert nog bij de superioriteit van ‘vinyl’ .

Hiermee sluit ik deze bijdrage over analoge audio, het onderdeel cilinder en grammofoonplaat, af. Het volgende deel gaat over de bandrecord

 

 

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 20

Van Wim

 

Het leek mij leuk een rubriek in KOORonaNIEUWS te maken aan de hand van foto’s uit de “schoenendoos”. Het is de bedoeling dat lezers hierop reageren en hun herinnering aan deze momentopnamen opschrijven en insturen naar Fred.

Ik ben benieuwd!

 

Van Ben

De FF-erfenis van Johan de Boer. 

Op de ledenvergadering in februari jl. lag er een verzameling van 15 witte, grote multomappen, boordevol met, in chronologische volgorde, allerlei teksten, programmaboekjes en foto’s van Fortissimo in de periode van 1975 tot 2002. Jullie hebben die toen kunnen inzien, maar, begrijpelijk, het was zo’n grote hoeveelheid documentatie, dat je er maar een fractie van kon bekijken.

Al ben ik geen archivaris, het leek me toch leuk jullie er wat meer over te vertellen en te laten zien.
Ik had het hierboven over 1975 en volgende jaren, maar, om te beginnen vond ik er een afdruk van een foto in uit 1958. We bestonden toen koud 15 maanden:

Haal je de bekenden er nog uit? Onder de foto stond een tekst die ik hier letterlijk zal citeren:

“Deze foto komt uit het archief (Markiezenhof). Links pastoor Kuipers, in het midden wellicht Thijs en Sjaak Franken. Uiterst rechts Dolf Grosfeld (?). Wellicht zitten hier ook Wim Steenbak, Roel Burger, Frans Huismans en Ben de Groot bij. De foto is genomen in het toen pas nieuwe en ingewijde clubhuis in de Beatrixlaan (achter Leijdekkers) 21 september1958”

Ik zit er zelf als 15-jarig broekie op met mijn rug naar de pastoor, naast Frans.

Daarna start deel 1 nog met een onderwerp van voor 1975.

Bij gelegenheid van ons derde lustrum in 1973 verscheen er een artikel in het Brabants Nieuwsblad onder de kop: “Mannenkoor Fortissimo al 15 jaar ijzersterk.”  Er werd in het  artikel o.a. gesproken over de Eucharistieviering die we op zondag 29 april in de OLV van Lourdeskerk zouden verzorgen. We hadden maanden gestudeerd op een volledige Byzantijnse viering. Er was een Orthodox-Byzantijnse geestelijke uit Den Haag gevonden die de viering zou celebreren en….. we hadden via de ABN-bank een aantal Russische Iconen kunnen lenen die daar in de kluis lagen. Zo konden we een originele Iconostase op het priesterkoor maken. De viering duurde zo’n kleine twee uur, maar hij verliep geweldig. Enfin, we zingen er nu nog steeds enkele nummers uit.

In dat lustrumjaar werden we ook uitgenodigd om in de St.-Bavokerk in Haarlem tv-opnamen te maken voor het EO-programma “En nu mijn Verzoek”. Hieronder een klein stukje van het krantenartikel:

Zo, ik heb nu de eerste pagina van de eerste overvolle multoband ( FF 1975 1978) besproken. Vanaf pagina 2 gaat het daadwerkelijk over 1975! Wij organiseerden toen zelf de Zangersdag van het KNZV gewest Noord Brabant en Zeeland op 24 mei in de Stoelemat. Fortissimo startte zelf het programma met: Oud Drinkliedeken (J. Vermulst), Der Sänger (H.Poos) en Flos Carmeli (A. de Klerk).

Een week later gingen we een weekend naar Duitsland, naar Elz waar we op 1 juni deelnamen aan het “Internationales Preissingen”. Op de vrijdag ervoor waren we te gast in Maaseik waar we samen met het Leuvens Vokaal Ensemble en het Maaseiker A-Capella Koor een concert gaven. Ik kan het niet laten om ons deel van het programma even te vermelden:
All through the night,… Would you sing…. , Ezekiel…., Climbin’up…, Ride the Chariot en …. Soon ah will be done. De negro-spirituals stonden in die jaren altijd hoog in ons repertoire.

Ik heb nu pagina 1 t/m 4 van deel I van de 15-delige erfenis besproken. Ik kan dus nog even door, maar zal soms wel eens wat over moeten slaan………

De volgende keer komt zeker het 4-de lustrum ter sprake.

Ben

 

 

Van Clemens

 

De Spaanse griep en Covid 19-pandemie  II

In deze bijdrage voor KOORonaNIEUWS wil ik wat vertellen over wat – tot nu toe – bekend is over  Covid-19.

Maar eerst nog een kleine aanvulling op mijn eerste verhaal. Fred Severin vroeg zich af of iets als Mexicaanse griep ook niet vermeld had moeten worden. Om daar uitgebreid bij stil te staan maakt mijn verhaal wel lang, ik verwijs graag naar het boek van Mecking (2006). Maar na de Spaanse griep zijn er wel degelijk, maar gelukkig minder dodelijke, griepepidemieën geweest. In het kort: in 1957 was er de Aziatische griep (ook wel A-griep genoemd) door het virus H2N2; in 1968 de HongKong-griep door het virus H3N2; in 1977 de Russische griep door opnieuw het virus H1N1; en, met name vanaf 1997, zijn allerlei vormen van vogelgriep waargenomen;

 

Afbeelding 1. Het influenzavirus.

Afbeelding 2. Het coronavirus

ook is de varkensgriep iets waar boeren beducht voor zijn. In 2009 was er de Mexicaanse griep (wederom virus H1N1) die in Nederland aan ongeveer 25 mensen het leven heeft gekost.

Alvorens ik verder ga met Covid-19 eerst een korte ‘virologie voor dummies’ (waartoe ik ook behoor) wat kan helpen iets van de werking van het virus te begrijpen.
Van belang is te weten dat een virus echt iets anders is dan een bacterie. Er zijn ongeveer 1000 bacteriën nodig om een streep van 1 mm lengte te maken. Virussen zijn ongeveer 100 keer kleiner: dus er passen ongeveer 100.000 virussen in 1 mm. Bacteriën zijn kleine levende organismen de zichzelf voortplanten, virussen zijn eigenlijk stukje erfelijk materiaal (DNA en RNA) die een cel (gastheer) nodig hebben om zich voort te planten (zogenaamd parasitisme). Bacteriën hebben in veel gevallen een nuttige functie bijvoorbeeld in de darmen. Ze kunnen ook ziekten en infecties veroorzaken zoals TBC, syfilis, cholera, lepra, hersenvliesontsteking, longontsteking en nog meer. Hoe die bacteriële infecties ontstaan is een ingewikkeld biochemisch verhaal apart. En er zijn medicijnen die een bacteriële infectie kunnen ‘uitdoven’: de zogenaamde antibiotica. Door antistoffen in het lichaam op te roepen kan een bacteriële infectie worden voorkomen, denk aan de DKTP-prik, waarbij de D (difterie ), de K kinkhoest) en de T (tetanus) een mogelijke bacteriële infectie bij kinderen tegengaan.
Onderscheidend van het virus is dat een bacterie een eencellig organisme is dat zich meestal tussen andere cellen bevindt.
Een virus dringt een cel (zie het vorige nummer van KOORonaNIEUWS) binnen en maakt gebruik van de eiwitten in die cel om zich te vermenigvuldigen. Eiwitten in die cel worden als het ware gebruikt door het virus, maar zorgen ook voor de vermenigvuldiging ervan, een proces van enkele seconden. Een cel wordt daarmee een soort van ‘virusfabriek’. Uiteindelijk blijft er van de cel weinig tot niets over. Recent was er een met behulp van een elektronenmicroscoop opgenomen film te zien van een dergelijk proces. Spectaculair!

Nu wat meer over het coronavirus (zie Afbeelding 2). De naam is afgeleid van de krans (corona) van zogenaamde ‘spikes’ die zich om het viruslichaam bevinden. Er bestaan veel coronavirussen met namen als HcoV-229E, HcoV-OC43 enzovoort. Ik zal de betekenis van die typeringen niet uitleggen, dat voert te ver. Coronavirussen zijn, naast andere virussen in de neusholte, de belangrijkste oorzaak van verkoudheid. Er zijn ook meer dodelijke varianten van het virus. Zo was er de ziekte SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome = ernstige en acute aandoening van de luchtwegen) veroorzaakt door een soort coronavirus, genaamd SARS-CoV. Deze ziekte was in 2003 een pandemie in Azië en heeft aan ongeveer 800 mensen het leven gekost. In 2012 was er MERS (Middle East respiratory syndrome = aandoening van de luchtwegen in het Midden Oosten) Een ziekte veroorzaakt door een coronavirus dat via kamelen op mensen werd overgedragen.
Momenteel hebben we te maken met het virus SARS-CoV 2 ais oorzaak van de COVID-19-pandemie COVID-19 = coronaviris disease 2019 = ziekte veroorzaakt door een coronavirus in 2019). Tot zover de ‘virologie voor dummies’.

Waar we nu mee te maken hebben, de COVID-19-pandemie, begon in december 2019 in Wuhan (Ch). De arts Li Wenliang die de autoriteiten voor de ernst en het gevaar van de ziekte waarschuwde werd niet geloofd en is later aan de gevolgen van de ziekte overleden. Hoe de ziekte zich over de wereld verspreidde is uitgebreid in het nieuws aan de orde gekomen. Een belangrijk verschil met de Spaanse grieppandemie van 1918 is dat de oorzaak van de ziekte van het begin af aan bekend was: het SARS-CoV2. Maar de overeenkomst was dat een vaccinatie niet bestond. Hopelijk is die in aantocht, waarover later meer. Verdere overeenkomsten zijn de enorme maatschappelijke ontregeling en het gegeven dat de zwakkeren van de samenleving (zowel economisch als fysiek) het gemakkelijkst ‘de sjaak’ zijn.

Waarom is het SARS-CoV-2 zo gevaarlijk? Ik geef wat hoofdlijnen aan. Het influenzavirus dringt een cel binnen nadat door de neuraminidase een opening in de cel is gemaakt, en hemaglutinine in combinatie met in de cel aanwezige eiwitten het virus laat vermenigvuldigen. Via de reeds gemaakte opening in de cel verlaten de virussen de cel en nestelen zich aan de wanden van de andere cellen. In de loop van de jaren ontwikkelde vaccins (de jaarlijkse ‘griepprik’) hebben nieuwe pandemieën voorkomen.
De SARS-CoV-2 doet hetzelfde, maar de stof waarmee een cel wordt binnengedrongen heet serineprotease TMPRSS2. Het bindt zich aan de een onderdeel van de celwand dat een rol speelt bij het op peil houden van de bloeddruk in het lichaam: de zogenaamde ACE2 (angiotensie-converterend enzym 2 = enzym 2 dat de bloeddruk wijzigt). Mensen die ernstig longlijden vertonen hebben verschillende problemen: meestal een longontsteking, een opeenhoping van afweerstoffen en ‘lekkende’ bloedvaten. Immers door de vernietiging van de ACE-2-cellen komt ongebreideld de stof bradikynine vrij die de oorzaak van die lekkage is en die normaal door ACE2 onder controle wordt gehouden. Dit alles is recent ontdekt aan de Radbouduniversiteit te Nijmegen door de arts Frank van de Veerdonk. Misschien kandidaat voor een Nobelprijs?
Het gevaarlijke van SARS-CoV-2 is dat de gevolgen van de virusinfectie zo moeilijk te beheersen zijn. En er is geen medicijn of vaccin. In de meest ernstige gevallen, bij dreigende afname van de longfunctie en vermindering van de zuurstof in het bloed is een opname op de intensivecareafdeling nodig. De ademhaling wordt dan ‘overgenomen’ door een beademingstoestel en hulpverleners kunnen niet meer doen dan afwachten en de natuur haar gang te laten gaan. In de loop van de maanden heeft men onder meer de medicijnen remdesivir (een virus remmer die de vermenigvuldiging van virussen tegengaat), dexamethason (een ontstekingsremmer die de opeenhoping van afweercellen afremt), bloedverdunners (tegen embolieën door lang bewusteloos op bed liggen) en medicijnen tegen longontsteking toegepast die de overlijdenskans in de IC-en aanzienlijk verminderden. Goed, een wat ingewikkeld verhaal. Ik hoop dat je de hoofdlijnen hebt kunnen volgen.

Er is nog een belangrijk verschil met de Spaanse griep van 1918. Toen waren de slachtoffers vooral jonge mensen, zo tussen 15 en 30 jaar. Nu zijn het vooral ouderen, meestal 50-plus. Ook veel ouderen met een slechte conditie (diabetes, hartfalen, denk ook aan de sigarenrokende dikbuikige  man). Het is ook waargenomen dat er meer mannen dan vrouwen zijn die werden geraakt (waardoor is nog onbekend). Maar er zijn gevallen van jongeren die aanvankelijk milde symptomen hadden (griepachtig) en later met ernstige verschijnselen kampten (zoals vermoeidheid, benauwdheid, spierpijn, hartfalen en dergelijke). Het lastige is dat de ziekte zo veel verschillende symptomen heeft en er zijn veel (ook oudere) mensen die er met matig tot lichte klachten zijn afgekomen. Vandaar dat veel anti-coronademonstranten het hebben over ‘een griepje’ en zich verzetten tegen  de zwaarte van allerlei overheidsmaatregelen.

Tot slot nog wat gegevens uit de De Volkskrant van 7 november jl.
Het sterftecijfer in Nederland ten gevolge van COVID-19 is 0,7% van het aantal besmettingen. Een precies aantal sterfgevallen is lastig te achterhalen, maar ik vermoed een getal rond de 10.000 overlijdens vanaf de eerste uitbraak tot nu toe. Lastig zijn de lokale verschillen (bijvoorbeeld aanvankelijk meer in Oost-Brabant dan elders) de tellingen van het aantal besmettingen en het vaststellen of de doodsoorzaak alleen  SARS-CoV2 was of ook de longontsteking of iets anders dat tegelijkertijd plaatsvond.
De sterfte onder ouderen is hoger dan die bij jongeren. Maarrr… de sterfte onder jongeren is beduidend hoger dan bij een ‘normale’ griepgolf: men schat ongeveer 7200 mensen van onder de 70 jaar ten gevolge van COVID19 en – een reëel getal van – 147 bij de griepgolf van 2018/2019. Wel een verschil!

Er komt hopelijk snel een vaccin. De farmaceuten Pfizer en Moderna zijn er als eersten bij. Hun ‘truc ‘is een stukje DNA of RNA van het virus in te spuiten en zo afweercellen te provoceren die bij een besmetting met SARS-CoV2 onmiddellijk hun heilzame werk doen. Andere industrieën gebruiken de meer ‘klassieke’ methoden door een virus te verzwakken en/of inactiveren en na vaccinatie de nodige afweercellen  in de waakstand te zetten.

De ontwikkelingen zij hoopvol: misschien kunnen we in 2021 toch een herfst- en kerstconcert verzorgen?  Wie weet…

Bronnen:
– diverse publicaties in De Volkskrant en Trouw
– Wikipedia
– TV-uitzending ‘De kennis van nu’ d.d. 11 november 2020.

 

 

Van Fred

Eén van de geheimzinnigste fenomenen in de natuur is de slijmzwam. Verderop valt te lezen waarom “zwam” eigenlijk een verkeerde benaming is.

Dat is niet zo gek…. Jullie hebben in een vorige editie gelezen dat een gierzwaluw géén zwaluw is en een nachtzwaluw ook niet. Zo blijkt dat het niet steeds deskundigen zijn die een naam geven aan wat we in de natuur aantreffen. Dat geldt niet alleen voor het Nederlands, maar ook in andere talen komt dat veelvuldig voor.

Om maar even bij het Nederlands te blijven:

een papiervisje is geen visje    

een oorworm geen worm

een korenwolf geen wolf,
een blinde bij geen bij maar een zweefvlieg die bovendien niet blind is,
een glimworm geen worm maar een insect,
een mierenleeuw geen leeuw en geen mier,
een rietvink geen vogel maar een vlinder,
een hazelworm geen worm maar een hagedis.

En als het over bomen gaat: een haagbeuk is geen beuk maar een berkensoort. Maar goed, de meeste mensen weten waar we het over hebben.

Een rupsendoder is een paddenstoel
én een insect

En taal is in beweging, wie weet wordt er voor de slijmzwam eens een nieuwe naam bedacht. Naast de taal is de wetenschap óók in beweging. Steeds worden families en soorten anders ingedeeld of krijgen een andere naam. Daarom worden er om de haverklap nieuwe boeken uitgegeven en moeten onderzoekers soms lang met elkaar praten om vast te stellen of ze het over hetzelfde plantje of beestje hebben.
Vergis je niet, een heleboel soorten op aarde zijn niet eens gedetermineerd. Dat geldt voor bijvoorbeeld 60% van de insecten. Er verdwijnen dus ook soorten die we niet eens kennen. De ramp is waarschijnlijk groter dan we kunnen vermoeden……

Goed, dan nu de slijmzwam.
De meest bekenden is wel de Heksenboter:

Nog niet zo lang geleden dacht men dat slijmzwammen tot de paddenstoelen behoren. Waarschijnlijk was dat een logische vaststelling, omdat ze net als paddenstoelen sporen vormen en er ook wat schimmelachtig uitzien.

De slijmzwam is een van de wonderlijkste organismen op onze planeet. Een slijmzwam is geen plant, geen schimmel en geen dier. Een plant gaat niet bewegend op zoek naar voedsel. Een dier plant zich niet voort d.m.v. sporen; slijmzwammen hebben geen hersenen of organen. Een paddenstoel gaat niet aan de wandel….

Slijmzwammen zijn dus een aparte groep, myxomyceten genaamd, naast het planten- en dierenrijk. Wereldwijd zijn er zo’n 1000 soorten, vermoedt men. In Nederland tot nu toe ongeveer 300. Een paarjaar geleden dacht men wereldwijd zo’n 500 soorten…

Het Karmijnrood Netwatje komt ook vrij veel voor, maar wie heeft hem ooit gezien? Wat je hier ziet is ongeveer 2mm hoog. Deze week vastgelegd in het Poelbos bij Goes.

 

 

 

 

Veelal houden mycologen (paddenstoelen-wetenschappers), zich ook bezig met myxomyceten, terwijl die myxomyceten dus niets met paddenstoelen te maken hebben.

De slijmzwam plant zich voort door sporen. Als het minuscule spoortje ontkiemt gebeurt er iets vreemds. Er wordt niet zoals bij andere sporenplanten, een paddenstoel, varen, mos, paardenstaart of iets dergelijks gevormd, maar een ééncellig microscopisch kleine, kruipend of zwemmende ééncellige. Géén diertje dus, maar het kan wél bewegen. Die ééncelligen zoeken elkaar op en klonteren samen. Sterker nog, de celwanden lossen op, waardoor een zogenaamd plasmodium ontstaat. Eén grote cel met tal van celkernen. In het plasmodium stroomt vloeistof door kanaaltjes langs de celkernen. Er ontstaat een beweging doordat de vloeistof steeds van richting verandert. Het lijkt wel een hartslag! Dat hele plasmodium gaat ook weer bewegen. Waarom?
Het gaat op zoek naar voedsel. Hoe kan dat nu, het heeft geen hersens, geen organen. Wie of wat stuurt dat aan? Geen idee, maar het gebeurt.

Slijmzwammen laten een slijmerig spoor na, je kunt dus volgen van waar naar waar ze kruipen. En nog wonderlijker: een groot plasmodium kan zich in verschillende richtingen uitbreiden om voedsel te zoeken. Er zijn soorten bekend die wel een vierkante meter groot kunnen worden.
Het voedsel bestaat uit bacteriën, algen en schimmel. Geen wonder dat je slijmzwammen vindt op vermolmd hout, op half vergaan snoeihout, rottend blad en op composthopen.

De verwonderering blijft groeien!

Het plasmodium gaat niet zo maar lukraak op zoek! Het gaat recht op zijn doel af. Zonder organen als neus en ogen.
Er zijn proeven gedaan met een slijmzwam in een pikdonkere doos, ook nog eens zwart van binnen. In de doos was een doolhof gemaakt en in het midden werd een plasmodium gezet. Aan een uiteinde van de doos werd een voedselbron gelegd. Het plasmodium ging rechtstreeks op zijn doel af.
De volgende proef was met twee voedselbronnen. Nu ging het plasmodium twee richtingen op en pakte het voedsel.

Dit is ook erg indrukwekkend: Er was een experiment met kaarten van landen, waarbij men het plasmodium op één van de grote steden legde en voedsel op de andere grote steden. Het plasmodium bewoog zich alle richtingen op, maakte een uitgebreid netwerk om zo snel mogelijk alle voedselplekken te bereiken. Tot stomme verbazing van de onderzoekers kwam dit netwerk zowat overeen met de bestaande grote verkeersaders in de betreffende landen.

De slijmzwam staat nu in de belangstelling van wetenschappers van allerlei disciplines. Inmiddels worden stukjes slijmzwam in computers ingebouwd en in 2006 lukte het om een zesarmige robot op afstand door een slijmzwam te laten besturen. En dat voor een hersenloos wezen dat tóch van alles zelf uitdoktert en zelfs een vorm van geheugen blijkt te hebben.
“The Creeping Garden” was in 2015 een documentaire waarin het over de slijmzwam ging. Ik heb die documentaire gezien en geloofde mijn ogen en oren niet. Men ging in die documentaire zelfs zover om een plasmodium piano te laten spelen. Voor dit verhaal heb ik daarom gebruik gemaakt van de begeleidende tekst van KRO-NCRV.

Alles wat ik tot nu toe geschreven heb gaat over het eerste stadium van de slijmzwam: het eetstadium.
Als het plasmodium geen voedsel meer vindt volgt het voortplantingsstadium. Dan gaat het vloeibare plasmodium over in een onbeweeglijk organisme met een velletje. Hierop ontstaan kussen- en knotsvormige sporenlichamen, die eruit kunnen zien als mini-paddenstoeltjes. Ze zijn over het algemeen erg klein, de meeste 1 tot 2mm. De foto van Het Karmijnrode Netwatje is daar een voorbeeld van.
Ze zien er dan vaak totaal anders uit dan in de plasmodiumfase. De vruchtlichamen barsten op enig moment open en regen en wind verspreiden de sporen, waaruit vervolgens weer die microscopisch kleine eencelligen ontstaan.

Hierna wat foto’s van slijmzwammen, sommige met eetfase (1) en voortplantingsfase (2).
Totaal verschillende verschijningsvormen, zodat je denkt dat je met verschillende soorten te maken hebt.

Gebundeld netpluimpje fase 1

Gebundeld netpluimpje fase 2

Troskalknetje fase 1

Troskalknetje fase 2

Groot kalkschuim in plasmodiumfase 1

Groot kalkschuim in voortplantingsfase 2

Glanzend druivenpitje fase 1

Glanzend druivenpitje fase 2

Heksenboter fase 1

Heksenboter fase 2

Rossig buiskussen fase 1 en 2

Wit kalkkussen

Zilveren boomkussen

Bloedweizwam

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 19

Van Kees

 De Clubkasactie 2020 van de Rabobank heeft €329,22 opgebracht. Alle leden van Fortissimo en natuurlijk alle andere leden van de Rabobank die op Fortissimo gestemd hebben: hartelijk dank!

 

Van Ad (SBM)

PIS-POTTERSTRAAT

In deze corona-tijden lijkt iedere morgen een doodstille zondagochtend in de Bergse binnenstad. De huizen staan als onder water, stil, berustend en beter wetend. Geen kletsende mensen op straat, geen schaterende terrassen en ander vrolijk vertier. De stad houdt zijn adem in, beducht op besmetting.

Ik sta erbij en kijk ernaar. Liever liep ik nu door drukke straten met een stoet bezoekers achter mij aan. Liever vertelde ik hen over de bewogen historie van zowat iedere steen in deze stad. Dus loop ik maar alleen, binnensmonds vertellend aan een niet-bestaand publiek.  En niemand kijkt ervan op, want buiten de anderhalve meter hoor je daar toch niks van.

Zo loop ik op mijn stille tocht door de Potterstraat. Daar valt normaal gesproken veel te zien en nog meer te vertellen. Over monumenten natuurlijk, maar vooral over de vroegere bewoners. Zoals Joris van Spilbergen, de vrijwel onbekende ontdekkingsreiziger uit de zeventiende eeuw die pas weer tot leven komt als er over hem verteld wordt.

En even verderop speelt het verhaal over de opgraving op de plek van de voormalige Cinemactueel-bioscoop. Daar werden in een oude beerput veel puntgave potten gevonden. Kookpotten, ook wel “grapes” genoemd, die op drie pootjes in de gloeiende as gezet werden en vooral veel pispotten. En het gekke was: ze waren allemaal héél! Bij sommige kookpotten zaten de etensresten er nog in. Archeologisch raadsel? Welnee, goed kijken: alle potten lagen in een witte kalklaag bij elkaar. In de Middeleeuwen een middel om besmetting te voorkomen. Alles wat in aanraking was geweest met een zieke werd meteen in de beerput gestort, met een dikke laag ongebluste kalk eroverheen.

Van virussen had men immers geen benul, maar waar “qualijcke lochten” rondhingen, daar deugde het niet. Daar bleef je wel uit de buurt. En dan maar hopen dat het ooit voorbij gaat.  Dat komt ons nu bekend voor. Mijn oude leraar Frans zei al: “L`histoire se répète”, “de geschiedenis herhaalt zich”. De man had gelijk: niemand is immuun voor het verleden.

 

Van Jan Hendrickx

Van harte beveel ik jullie dit jeugdkoor aan. Te zien op Youtube via de volgende link:

https://youtu.be/x2PkccjTlho

 

 

Van Bas

 

Zangersvrienden,

Wat zien we daar nu toch?
Een snoeihete lavastroom uit een Bergse krater?
Of heb ik een zeer zeer zeer vreemde kater?
Nee, het was dus geen kater maar een prachtig uitzicht over West Brabant.

 

Van Clemens

De Spaanse griep en Covid-19-pandemie I

In de afgelopen eeuwen hebben pandemieën over vele landen in de wereld geraasd. In de 13e en 14e eeuw waren dat pestepidemieën , in andere tijden waren het  cholera,  pokken, mazelen, polio die miljoenen mensenlevens eisten. Aanzienlijke ‘happen’ werden uit de bevolkingen genomen.

Ik wil het in deze bijdrage aan KOORonaNIEUWS vooral hebben over de Spaanse griep die aan het begin van de 20e eeuw verscheen (en verdween) en in een volgende bijdrage over wat wij nu meemaken: de Covid-19-pandemie. Zijn er verschillen en overeenkomsten? Wat kunnen we van de Spaanse griep leren?

Laat ik beginnen met de Spaanse griep.

Eigenlijk is het bijvoeglijk naamwoord ‘Spaans’ niet juist. De griep die in de jaren 1918 en 1919 over de wereld ging begon niet in Spanje maar in de staat Kansas (V.S.) bij aldaar gelegerde soldaten. Als je de wereldwijde verspreiding van de ziekte op een tijdlijn legt dan zie je dat de griep zich voor het eerst openbaart in Camp Funston (nu Fort Riley) in Kansas (V.S.) in maart 1918. De daar gelegerde militairen werden voorbereid op de overtocht naar Europa om te worden ingezet bij de geallieerde troepen van Frankrijk en Engeland. Men wilde een overwinning op de Duitsers behalen en een einde maken aan de Eerste Wereldoorlog (in het vervolg: WO-I). Je zou kunnen zeggen dat de zogenaamde Spaanse griep eigenlijk ook een bijproduct is van oorlogshandelingen.

Even terug naar de tijdlijn: maart 1918, Kansas; april 1918, West China, Frankrijk; mei 1918: Midden China, Zuid-Afrika, Spanje; juni 1918: Nieuw-Zeeland, India, Engeland; juli 1918: Nederland, Duitsland. Dit is een globale tijdlijn en veel landen zijn niet genoemd.

Spanje was tijdens  WO-I neutraal. Wegens de oorlogscensuur was het de toenmalige nieuwsverspreiding niet toegestaan te berichten over ziekte bij geallieerde troepen of Duitse troepen (er waren uitbraken van griep bij grote groepen Britse, Franse en Duitse militairen met vele slachtoffers!). Over het neutrale Spanje en de verspreiding van de griep aldaar berichtten de kranten volop. Vandaar de benaming Spaanse griep.

Achteraf vermoedt men dat de griep Europa is binnen gebracht door Amerikaanse militairen die aan land kwamen in Franse havenplaatsen (o.m. Brest, Bordeaux). In overbevolkte legerkampen achter de frontlinies (o.m. Étaples, aan de kanaalkust) met een overmaat aan gewonde, verzwakte en uitgeputte militairen vond een snelle verspreiding van de griep plaats.

 

Ronduit schokkend zijn de volgende getallen: de WO-I heeft het leven gekost aan ongeveer 10 miljoen militairen en 5 miljoen burgers; de Spaanse griep aan ongeveer 50 miljoen mensen.

Ik herinner mij dat tijdens de lessen geschiedenis die ik heb gehad nauwelijks aandacht is besteed aan de pandemie wel aan WO-I…!

 

Even stilstaan bij de toenmalige Spaanse griep als aandoening. De ziekte is vooral als geheimzinnig getypeerd. Men wist niet wat er gebeurde. Er was een merkwaardig beloop. De eerste ‘golf’ was betrekkelijk mild. Men was een paar weken ziek en een stevige borrel en bedrust was voldoende voor een snel herstel. De tweede golf had een dramatisch verloop: de ziekte ging gepaard met ernstige symptomen (hoge koorts, hoesten, benauwdheid, een blauwe kleur krijgen) met in veel gevallen de dood tot gevolg.

Men heeft niet geweten of een virus of bacterie de oorzaak van de Spaanse griep was. Lange tijd ging men ervan uit dat een bacterie (ontdekt door Pfeiffer) het deed. Het is niet zo dat het bestaan van virussen onbekend was. De Nederlander Beyerinck geldt als de vader van de virologie door zijn ontdekking van een virus (door middel van filtertechnieken) in 1898 als veroorzaker van de zogenaamde Tabaksmozaïek-ziekte, een ziekte van de tabaksplant. Er is door dezelfde technieken toe te passen op speeksel en bloed van griepslachtoffers in 1919 ontdekt dat het geen bacterie kon zijn die de boosdoener was maar iets veel kleiners: een virus. Deze, het influenzavirus (= griepvirus) werd pas in 1931 geïsoleerd (zie onderstaande afbeelding)

Afbeelding 1. Schema van het influenzavirus (bron: Wikipedia, virology.ws))

Dit schema ziet er wat ingewikkeld uit. Er zijn maar twee dingen die voor dit verhaal belangrijk zijn: de HA en de NA. Dit zijn twee eiwitten, enzymen die bepaalde scheikundige reacties met cellen teweeg kunnen brengen, De NA (neuraminidase) heeft een soort van portiersfunctie: het opent de cel door de buitenwand ervan open te maken door het oplossen van de zogenaamde epitheelcellen. Wanneer er een opening is gaat het HA (hemagluttinine) als een insluiper naar binnen. Dit enzym laat rode bloedcellen samenklonteren (gluttineren) vandaar de naam ‘hemagluttinine’. Tevens vindt er een  snelle vermeerdering van het virus plaats. De combinatie van virusvermeerdering (en vernietiging van de zogenaamde gastheercel), bloedklontering (embolieën) en het massaal mobiliseren van afweercellen was (en is nog steeds) de belangrijkste oorzaak van een fataal verloop van de ziekte. Het zijn vooral de cellen in de longen die aangedaan worden, met in veel gevallen longontsteking als complicatie, waardoor in het slechtste geval een slachtoffer kan overlijden.

Men heeft, toen er meer bekend werd over het virus van 1918, de eerste griep getypeerd met H1N1. De (eerder genoemde) letter A staat voor een virus dat snel verandert (muteert) en een dodelijke pandemie kan veroorzaken. Bij de virustypen B en C is dat in mindere mate het geval. Na de H1N1 zijn andere cijfers aan nieuwere virussen gegeven (met name vogelgriep) zoals H4N5 enzovoort. Momenteel wordt Nederland geteisterd door het vogelgriepvirus H5N8, een virus van het type A met als gevolg veel dode vogels in de natuur en het ruimen van kippenstallen.

Pas in 2005 heeft men het Spaanse griepvirus kunnen reconstrueren mede op grond van vocht uit de longen van slachtoffers die men heeft opgegraven uit de diepgevroren grond in Alaska. Men heeft vastgesteld dat het hier een vogelgriepvirus betrof. Virologen zijn bevreesd dat door allerlei veranderingen in dit vogelgriepvirus er een besmetting van mensen zou kunnen plaatsvinden met rampzalige gevolgen. Vandaar dat  bij geconstateerde vogelgriep onder meer kippenboerderijen snel worden geruimd.

Er is geconstateerd dat in onder meer gebieden met intensieve veehouderij, markten met veel levende dieren (dikwijls met op elkaar gestapelde kooien), dichtbevolkte gebieden de kans op overdracht van virussen (ook bacteriën, denk aan de Q-koorts-epidemie) van dier op mensen en van mens op mens groot is.

Nu wil ik stilstaan bij de Spaanse griep in Nederland. Zoals eerder aangegeven: de eerste ‘golf’ had de kenmerken van een milde griep. Echter begin oktober 1918 begint de tweede uitbraak, met rampzalige gevolgen. Nu was de griep niet het enige wat toen in Nederland speelde. Het land had, ondanks de neutraliteit, toch fors geleden onder WO-I. Er was hongersnood, er waren grote maatschappelijke tegenstellingen en de maatschappij was in beweging. Zo dreigde er een revolutie (Troelstra) in navolging van sociale omwentelingen in andere landen (onder meer Rusland, Duitsland).Er was geen centrale coördinatie van de gezondheidszorg. De burgemeester en wethouders van de afzonderlijke gemeenten namen besluiten. In de meeste gevallen kwamen die neer op het sluiten van de scholen. Immers de grootste aantallen slachtoffers waren jonge mensen en men meende dat binnen de scholen de besmettingskans het grootst was. In de loop van de weken gaan mensen bussen en treinen vermijden.

De meer stedelijke gebieden in het westen hadden relatief minder te lijden dan de oostelijke gebieden. Zo vond in Drenthe een drama plaats. Deze provincie had veenkoloniën en grote groepen zeer arme mensen. Men woonde met grote gezinnen in armzalige onderkomens (‘plaggenhutten’) en binnen die gezinnen vond een ware slachting plaats. Het kostte de toenmalige burgemeester van Emmen moeite om artsen te vinden die de paar aanwezige huisartsen zouden kunnen ontlasten. Het dramatisch hoogtepunt in dodenaantallen werd in november 1918 bereikt.

Men schat dat in Nederland de Spaanse griep aan ongeveer 38.000 mensen het leven heeft gekost. Een landelijk gemiddelde van 4 slachtoffers op 1000 inwoners. Dit getal is inclusief de overlijdens ten gevolge van longontsteking als complicatie bij de griep. Zo is ook de grootmoeder van Helma, mijn vrouw, in het voorjaar van 1919 ten gevolge van de Spaanse griep overleden. Er volgde nog een ‘golf’ in het voorjaar van 1920 en vervolgens nam het aantal slachtoffers af en het virus leek te verdwijnen…

Tijdens de pandemie zijn wereldwijd en in Nederland allerlei experimenten met geneesmiddelen uitgevoerd die tot niets leidden. Ook kwakzalvers grepen hun kans. Zo werd de Abdijsiroop aanbevolen oftewel dik suikerwater met kaneel. Dan waren er de zogenaamde elektro-homeopathische hulpmiddelen van de Italiaan Mattei. Deze bestonden uit een flesje met scrofulose (een klierziekte), een flesje met rode en een flesje met blauwe elektriciteit. Onderzoek wees uit dat de scrofulose niets anders was dan suiker en meel. De rode elektriciteit was water in een rood flesje en de blauwe elektriciteit was water in een blauw flesje…Zo werd ook rode bieten aanbevolen, sublimaatinjecties (injecties van een verbinding van chloor met kwikzilver) , berokingen met salpeterzuur, eucalyptusolie en nog veel meer.

Een medicijn, eigenlijk een vaccin is pas veel later ontwikkeld. Grappig is dat het woord ‘vaccin’ afgeleid is van ‘vacca’ dat ‘koe ‘betekent. De arts Jenner ontdekte rond 1796 dat blootstelling aan koepokken bescherming tegen pokken tot gevolg had. Een toevallige ontdekking omdat met iets als ‘virus’ helemaal niet kende. Deze wijze van preventieve behandeling door toediening van milde ziekteverwekkers werd vaccinatie genoemd. Die ziekteverwekkers zorgden ervoor dat het lichaam antistoffen maakte die veroorzakers van meer ernstige ziekten zouden kunnen bestrijden.

Deze vorm van preventieve (= voorkómende) behandeling  werd en wordt toegepast bij besmetting door het influenzavirus. Ik noemde al eerder dat het virus steeds verandert (zich ‘muteert’) waardoor steeds een ander vaccin nodig is. Bovendien is gebleken dat bepaalde influenzavirussen alleen bepaalde diersoorten kunnen treffen (bijvoorbeeld varkens en vogels) of dat die verspreid worden door bepaalde dieren. Zo zouden eenden als trekvogels verspreiders kunnen zijn van bepaalde vogelgriepvirussen zonder er zelf last van te hebben.

De griepprik die wij elk jaar toegediend krijgen (als we dat willen) is zo’n vaccin dat elk jaar wordt aangepast. Na de Spaanse griep zijn er andere uitbraken van griep geweest. Een grieppandemie is tot nu toe  – gelukkig – niet voorgekomen maar blijft de zorg van artsen en virologen. Er zijn gevallen bekend van besmetting van mensen met een vogelgriepvirus. Virologen zijn beducht voor bepaalde vermengingen van het griepvirus waarvoor mensen gevoelig zijn met bepaalde vogelgriepvirussen, of bepaalde mutaties die kunnen leiden tot een pandemie.

In een volgende bijdrage zal ik ingaan op het Covid-19-virus in vergelijking met het influenzavirus.

Bronnen:
Mecking E, (2006), Het drama van 1918. Over de Spaanse griep en de zoektocht naar virus en vaccin. Amsterdam, Mets & Schilt.
Verschillende bijdragen aan Wikipedia.

 

Van Fred

Of het aan klimaatverandering ligt of aan andere invloeden, we weten er nog niet zoveel van. Een feit is wel dat er steeds weer nieuwe soorten insecten, planten, schimmels e.d. gevonden worden. Van sommige dacht men dat ze al lang uitgestorven waren, andere trekken langzaam van zuid naar noord en van weer andere is bekend dat ze met scheepsladingen hier zijn aangeland. Belangrijk is het om te volgen of al die nieuwe soorten niet onze inheemse soorten verdringen.

Nee, deze keer wil ik het hebben over het Markiezaatsmeer. Of eigenlijk hoef ik jullie daar niet al te veel over vertellen. Mensen van West-Brabant en zeker die van Bergen op Zoom praten met nostalgie over de weervisserij, de haven, de getijden, de Duintjes, het zwembad van de Princesseplaat.

En ze praten soms met pijn in het hart over de aanleg van de Markiezaatsdam en de Oesterdam. Die zorgden er ten slotte voor dat al het hierboven genoemde verdween. Enerzijds zijn die dammen aangelegd in het kader van de Deltawerken, ter bescherming van de kust bij Bergen op Zoom, maar het kwam ook wel goed uit, gezien de lang geleden gemaakte afspraak met België om een getijdenvrije vaarroute van Antwerpen naar Rotterdam te creëren.

De aanleg van de dammen was een flinke project. Ook een moeilijk project, omdat er in het Scheldegebied nog veel veen in de grond zit. Dit had tot gevolg dat er een stuk van de dam wegsloeg en veen op de kust spoelde. Lang voordat wij ook het plan hadden om naar Huijbergen te verhuizen, gingen wij met onze kinderen maar het Markiezaat om dit fenomeen te zien.

Op deze foto uit 1984 wordt de laatste hand gelegd aan het dichten van de Markiezaatsdam.

 

De gemeente Bergen op Zoom maakte van de gelegenheid gebruik om stadsuitbreiding in westelijke richting mogelijk te maken: de Bergse Plaat. Wat te doen met het overgebleven gebied tot aan de Markiezaatsdam?
De Dienst gemeentewerken van de gemeente Bergen op Zoom ontwierp een prachtig recreatiegebied met sportterreinen, parkeerterreinen, jachthaven, kampeerterreinen, visvijvers, strand, een rondweg en ontsluitingswegen.
Op een rommelmarkt kwam ik de tekening daarvan tegen.

 

Gelukkig is dit er allemaal niet van gekomen. Wie weet was Bergen op Zoom toen al een artikel 12 gemeente geworden.
Wat opvalt is dat het ontwerp de provinciegrens overschrijdt.

We hebben er een prachtig natuurgebied bij gekregen. Aansluitend aan de Mattemburgh en Lindonk.
Het Markiezaatssmeer is nu een natuurgebied geworden van bijna 2000 hectaren, in bezit van Brabants Landschap. Eén van de belangrijkste wetlands van Europa. Over alle natuurwaarden die ons daar ten deel zijn gevallen zal ik niet verder uitweiden. Ik gids daar regelmatig en moet mij dan behoorlijk beperken met mijn verhaal. Gelukkig kan ik kiezen uit een scala van onderwerpen; er staat veel op de harde schijf van mijn PC.

Waarom dan dit verhaal……
In het Markiezaatsmeer ligt een eiland, Steenvliet geheten. Toen het Markiezaat en Zuid Beveland nog niet verdronken waren was Steenvliet een gehucht. Op oude kaarten vind je het terug, misschien heeft er zelfs een kasteel gestaan.

Dit is een figuratieve kaart van Hattinga uit 1784. Figuratief wil zeggen dat de situatie op dat moment niet zo was, maar een weergave van hoe het voor de Sint Felixvloed van 1530 en de Allerheiligenvloed van 1570 er uit zag.

 

 

Van die hoge plek, Steenvliet in de Oosterschelde werd een werkeiland gemaakt voor de aanleg van de Markiezaatsdam. Het eiland kreeg de naam “De Spuitkop”. De grens tussen Zeeland en Noord-Brabant loopt er dwars overheen.

De waterstand in het Markiezaatsmeer (plm. 1000 ha) kan worden geregeld en wordt ook gevarieerd, afhankelijk van het seizoen.
In het meer vindt geen recreatie plaats. Zwemmen en bootje varen is er dus niet bij. Het eiland is een rustgebied voor trekvogels én broedgebied voor onder andere inmiddels zo’n 250 koppels lepelaars.
Om de lepelaars in stand te houden wordt vóór het broedseizoen vastgesteld of er geen vossen op het eiland zijn.

Zoogdieren kunnen allemaal zwemmen, zo ook de vos. En als er ijs is (wat is dat?) kunnen ze daarover naar het eiland lopen. Vastgesteld is dat reeën zwemmend van het vaste land naar het eiland zwemmen. Die zijn er dus, maar vossen worden geweerd. Als die er zouden zijn, heb je geen lepelaars.
In 2012 kreeg ik de kans om op het eiland rond te kijken. De plantenwerkroep ging voor het eerst in 10 jaar inventariseren hoe het met de plantenwereld gesteld was. Het is door de ontwikkeling van zout, via brak, naar zoet water een erg interessant gebied.
Het blijkt dat de verzoeting veel langzamer gaat dan verwacht. Vandaar dat er volop zeekraal en lamsoor groeit.
Een boswachter van Brabants Landschap bracht ons vroeg in de ochtend met een boot naar het eiland en haalde ons aan het eind van de middag weer op.
Ik trok een tijdje op met de plantenwerkgroep en daarna ging ik mijn eigen gang. Ik wilde in ieder geval Bergen op Zoom vastleggen vanaf de westkant. Een uitgelezen kans en het was ook nog geschikt weer daarvoor.
Het verblijf was een aparte ervaring. Een onbewoond eiland! Je zet ergens je fototas weg en een uur later staat hij gewoon nog op dezelfde plek.
Uiteraard waren wij daar buiten het broedseizoen, maar de planten tierden welig. Erg interessant, evenals de overblijfselen van de werken die daar gezet zijn tijdens de bouw van de dam. Waarom zou je die ook opruimen? Ze roesten vanzelf weg.

 

 

Zwartwordende wasplaat
Ik kon het niet laten……..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 18

 

Van het bestuur

Het bestuur vergaderde op 4 november online. Even wennen aan de procedures die daarvoor gelden, maar het verliep goed. Het was goed om elkaar te zien.

Het was een vergadering zonder agenda en uiteraard ging een groot gedeelte over de gevolgen van Corona.
In de vorige nieuwsbrief heeft Ben zijn overwegingen verwoord, dat hoeven we niet opnieuw te doen.
Alle concerten van 2020 zijn geannuleerd. Nu ook dat wat we samen met Voices in Harmony in de Martinuskerk van Halsteren op poten zouden zetten.

Vandaag kwam een mailtje binnen van Middelburg Volkoren. De voorbereidingen daarvan liggen stil. De organisatie van een dergelijk evenement kost veel tijd en dus is het de vraag of Middelburg Volkoren in 2021 doorgaat. De vergaderingen liggen stil. Er wordt wél gezocht naar een alternatieve vorm.

Het besluit om niet te repeteren was formeel niet noodzakelijk, maar gezien de samenstelling van ons koor zeker wenselijk. Dat blijkt ook uit alle reacties die wij op dat besluit kregen.

Dinsdag kwamen er nieuwe maatregelen en KBZON en Koornetwerk Nederland berichtten dat alle koren in Nederland moesten stoppen met repeteren.

Regeren is vooruitzien…. Al eerder hadden wij gesproken over of het mogelijk zou zijn of wij, zonder publiek in een of andere locatie, met inachtneming van alle coronamaatregelen, een soort concert zouden kunnen geven. Voorwaarde is natuurlijk dat we voor zo’n optreden moeten repeteren. Een concert zou dan zonder publiek zijn, maar wel door Zuid-West TV uitgezonden kunnen worden. Ben zal hierover eerst maar eens contact opnemen met Zuid-West TV. Onder het motto: als je nu niet zoiets in de week legt, komt het er op het laatste moment niet van.
Als het niet kan, het zij zo, dan hebben we ons best gedaan.

Onderwijl hoopt het bestuur dat iedereen corona-vrij blijft. Wij willen graag voorkomen dat via activiteiten van het koor een uitbraak plaatsvindt en zullen niets doen zonder de instemming van de leden.

In de Volkskrant van vandaag staat een interessant artikel over Corona en koren:

KLASSIEK  Koren wordt het zwijgen opgelegd, maar hoe gevaarlijk zingen is, blijft onduidelijk

Voorzitter korenkoepel: ‘We zijn elke keer weer bang dat meer mensen wegblijven.’

SIecht nieuws voor ongeveer1 miljoen Nederlanders. Zingen in koorverband is een van de meestgeliefde nationale bezigheden: 5,8 procent van de bevolking doet het, volgens het Koornetwerk Nederland ­ en dan is zingen tijdens kerkdiensten niet eens meegerekend. Maar met ingang van woensdagavond 22.00 uur mogen amateurkoren niet meer zingen.

In het kopje boven het dinsdag gepresenteerde overheidsdocument
‘Coronavirus en regels voor zingen en zangkoren’ staat bovendien dat het Outbreak Management Team (OMT) met een herzien advies komt voor koren: ‘Omdat een verhoogd transmissierisico door zingen niet kan worden uitgesloten, adviseert het OMT dat zingen in groepsverband in elke context wordt afgeraden. Het kabinet zal zich hierop beraden en komt hierop terug’.

Daphne Wassink, voorzitter van de korenkoepel, is teleurgesteld. ‘We zijn continu in contact met het ministerie, maar dit komt uit de lucht vallen’, zegt Wassink. ‘We laten ons voorlichten doorwetenschappers en hebben gezamenlijk regels opgesteld waaraan, voorzover ik weet, iedereen zich netjes houdt.’ Naast de bekende regels over afstand en hygiëne, krijgen zangers bijvoorbeeld het advies om niet achter elkaar te staan, maar zigzag opgesteld. Wassink: ‘Sinds we weer mogen zingen, in juli, zijn er vele duizenden repetities geweest. En amper incidenten.
Koren liggen onder een vergroot­ glas door de corona-uitbraak in Nederland. Eén incident kreeg wereldwijde media-aandacht. Bij Passion op 8 maart in het Amsterdamse  Concertgebouw werden 100 van de130 koorleden ziek. Een dag later gebeurde er iets vergelijk­ baars bij een repetitie van het Heerdese mannenkoor De lofzang.
Van de ongeveer tachtig leden werd haast de helft ziek. Zes van hen zouden overlijden. Dat was vóór de ‘intelligente lockdown’. Maar ook in september, toen zingen weer werd toegestaan, was er weer een merkwaardig incident. Het Leidse koor Populus Unus in Cantione repeteerde met twee ramen en drie deuren open. De zangers hielden naar eigen zeggen keurig afstand, ook in de pauze. Bij de beruchte repetitie waren achttien mensen aanwezig, maar negen koorleden testten erna positief op corona, naast nog eens drie partners. Het koor trok aan de bel: was het afstand houden wel voldoende? Saillant detail: het koor bestaat voornamelijk uit medisch geschoolden.

Maar als je weet dat er in Nederland zo veel wordt gezongen, vallen de cijfers behoorlijk mee. ‘Het RIVM neemt koren mee in de wekelijkse monitor van coronaverspreiding’, zegt voorzitter Wassink, ‘dan zie je dat koren tot de groep van bijeenkomsten behoren met de laagste besmettingsgraad. We schommelen tussen de 0,0 en 0,1.’ Hoeveel koorgerelateerde  meldingen er volgens Wassink zijn geweest? ‘Vi jf’ In drie van de gevallen bleek bij doorvragen dat er toch niet goed genoeg was geventileerd of afstand gehouden.’ Maar hoeveel koren zijn weer actief? ‘We schatten 70 procent. Maar weinig koren opereren op volle sterkte. Bijna iedereen heeft een aangepast repetitieritme.’
Om musici en zangers (amateurs én profs) van wetenschappelijk onderbouwde informatie te voorzien, is de website VirMus.nl opgericht. Ivo Bouwmans van de TU Delft onderzoekt de overdracht van corona bij zangers en is bij de site betrokken. Hij begrijpt de voorzichtigheid van het OMT. ‘Bij zang komen er inderdaad meer aerosolen  vrij’, zegt hij, ‘en de verwachting is inderdaad dat er een hoger transmissierisico is. Eén op de twintig personen verspreidt een hogere mate van virusmateriaal via het speeksel. Dus op het moment dat je die superspreaders  in je koor hebt, wordt het problematisch.’
‘Het punt is: in hoeverre wil je het voorzorgsprincipe toepassen? Je kunt het zingen in groepsverband zien als een kansspel waarbij het af en toe fout kan gaan. Ik vergelijk het altijd met autorijden: we weten dat één op de zoveel ritten niet eindigt op de beoogde bestemming, maar in het ziekenhuis. Iedereen maakt zelf een afweging van het risico.’
We weten dát het fout kan gaan, het vervelende is dat we nog niet goed genoeg weten waaraan het dan ligt en welke factoren doorslaggevend zijn, zegt Bouwmans.’ Om meer te weten, hebben we wrang genoeg meer casussen nodig.’
Voorzitter Wassink hoopt dat de sluiting niet te lang duurt. ‘Elke keer dat koren in het nieuws komen, haken er weer mensen af. We zijn bang dat mensen wegblijven. Een koor is zoveel meer dan zingen. Een koor verbindt, het is een sociale omgeving. Hoe langer die beperkende maatregelen duren, hoe groter het beroep op de veerkracht van al die vrijwilligers in besturen. Er zit een limiet aan die veerkracht.’

Merlijn Kerkhof

 

Van Ad Segers

Ad Segers is, naast voorbeeldig zanger en lid van Fortissimo o.m. voorzitter van de vereniging Stadsgidsen.
Een aantal stadsgidsen schrijft proza over Bergen op Zoom. Ad stelt voor die proza of gedichten in onze nieuwsbrief te zetten.

Hier de eerste:

Stadsgids dromend over Bergen..

Dromend over Bergen verdwaal ik weer eens in gedachten, en voel dan de schaduw van de veel bezongen toren.
Als ik mijn ogen sluit zie ik de monumentale prachten, en het Bergs dialect klinkt bij het sluiten van mijn oren.
Dromend over Bergen zal een glimlach op mijn mond verschijnen, neuriënde vastenavendliedjes laat ik klinken in de ruimte waar ik ben.
Tegenslag kan ik ineens relativeren en verkleinen, als ik dromend over Bergen mezelf verwen.
Dromend over Bergen laat me in mijn eigen wereld ontwaken, levend in een roes, in rijkdom en met een steevaste lach.
Simpele dromen die een mens zo gelukkig kunnen maken, dromen over de stad waar ik het levenslicht zag.
Dromend over Bergen kan ik bergen verzetten, dromend krijg ik het gevoel van ‘thuiskomen’.
Het zal me steeds weer doen aanzetten, dat ik graag naar Bergen ga….naar de stad van mijn dromen.

 

Van Clemens

Babbity Bowster

Wanneer je de titel van dit lied binnen internet opzoekt met behulp van de een of andere zoekmachine dan wordt je onmiddellijk geleid naar een hotel-restaurant in Glasgow (UK) die de naam ‘Babbity Bowster’ draagt. Dit etablissement heeft goede beoordelingen – voor wat die waard zijn – maar ik dacht niet dat wij een reclamespot voor deze onderneming hadden ingestudeerd.

‘Babbity Bowster’ verwijst naar een Schotse dans. Ene mevrouw Gomme zegt daarover dat het een oude Schotse dans of spel is dat werd gespeeld als de slotdans bij huwelijken en feestjes.
Dan is er een mijnheer Ballantyne die uitlegt hoe de dans/het spel in elkaar zit. In ieder geval vindt die plaats aan het einde van een plattelandsfeest. De jongens zitten aan één kant en de meisjes aan de andere. Het begint met een jongen die danst voor de meisjes met een zakdoek in de hand (fig. 1). Tijdens dit dansen zingt hij het eerste couplet. Hij kiest een meisje, gooit de zakdoek op haar schoot of doet de handschoen om haar nek terwijl hij de punten vasthoudt. Sommigen leggen de zakdoek op de grond bij de voeten van het meisje. Het is in alle gevallen de bedoeling een kus van het meisje te krijgen die echter zonder wat trekken en duwen niet wordt gegeven. De meisjes juichen het slachtoffer toe bij elke mislukte poging van de jongen (fig. 2). Vervolgens neemt een meisje de zakdoek in de hand en zingt het tweede couplet (fig.3). Nadat ze de zakdoek naar een van de jongens geworpen heeft gaat ze terug naar haar plek tussen de meisjes terwijl  de (gekozen) jongen haar achterna zit (fig.4). Als iedereen is gekoppeld vormen ze een rij: de  meisjes tegenover de  jongens, met de gezichten naar elkaar toe. Ze dansen iets als een volksdans van Sir Roger de Coverley (zie YouTube).

 

 

 

 

 

 

 

De betekenis van Babbity Bowster is wat ingewikkeld. Vermoedelijk omdat door de eeuwen heen woorden zijn verbasterd. In een Engels archief van traditionele deuntjes wordt aangegeven dat in Schotland het begrip verschilde tussen regio’s. Zo wordt de dans, naast ‘Babbity Bowster’, ook ‘Bob at the Bolster’ of ‘Bee Bo Bobbity’ of ‘Ruidleadh nam Pog’ ( Kussend dansen)  of ‘Danssadh nam Pog’ (De Kusdans) en nog andere varianten.
‘Babbity’ betekent ‘bob’, ik denk in de betekenis van ‘jongen’. ‘Bowster’ verwijst naar as van het wiel in een watermolen. Vermoedelijk heeft de titel van de dans te maken met het rondgaan van de jongens en meisjes en/of het ronddraaien van de dansers.

Al met al lijkt me dit een aardige bezigheid tijdens een Ceciliafeest!

Bron: Wikipedia.

Clemens.

 

Van Kristin

Deep River

Deep River is een Amerikaanse spiritual.
Harry Burleigh voegde een arrangement van dit lied toe aan zijn collectie jubileum-liederen van de USA in 1916.
Deep river is een plaats in de Amerikaanse staat Iowa.
Zoals alle spirituals is Deep River een lied van hoop en verlangen, het veruiterlijkt een verlangen naar vrijheid in het heden en ook de toekomst (ook na de dood). Deze liederen werden gezongen door slaven die nog niet lang daarvoor het christelijk geloof gevonden hadden. Soms verboden omdat het te traag was terwijl snellere liederen aangemoedigd werden omdat het werktempo dan omhoog ging. De zin: ‘I want to cross over into campground’ kan op drie manieren geïnterpreteerd worden, 1. Als een plek waar zij in hun luttele vrije tijd bijeen zaten en verhalen konden vertellen en liederen konden zingenal of niet door instrumenten begeleid en daar een gevoel van vrijheid konden ervaren. 2. Het kon ook een beeld zijn van bijeenkomen en waar zij echt vrij zouden zijn in het hiernamaals. 3. Het idee op zich van letterlijke aardse vrijheid door afschaffing van de slavernij met ‘Jordan’ als verwijzing naar de Ohio Rivier, één van de natuurlijke grenzen tussen slaaf-staten en de vrije staten. (Als je Huckleberry Finn gelezen hebt weet je dat Huck en Jim ontsnappen en zuidelijk vluchten richting de Mississippi naar de monding vn de Ohio Rivier waar ze dan een vrije staat konden bereiken. De eerste druk van dit lied verscheen in 1876. Deep River werd gezongen in enkele films waaronder Show Boat uit 1929, in The Proud Valley uit 1940 (gezongen door Paul Robeson en een mannenkoor) en in 1983 in National Lampoon’s Vacation gezongen door Chevy Chaze. In het oratorium A child of our Time van Michel Tippett is Deep River één van 5 spirituals. De meest diepgaande uitvoering was die van Marian Anderson, die het lied zong op de trappen van de Lincoln Memorial in 1939 nadat zij het verbod kreeg om te zingen in de Constitution Hall. Hierbij een link naar haar in een uitvoering van Deep River (een latere uitvoering)

https://youtu.be/9pc2QjtE-MQ

Harry Burleigh (1866-1949) was een zanger en componist van meer dan 200 liederen. Als geëngageerd kerkzanger specialiseerde hij zich in spirituals, zijn grootvader was slaaf maar had zich kunnen vrijkopen. Toen hij 19 was wilde hij een recital bijwonen van en pianist in het huis van Elizabeth Russell, waar zijn moeder werkte, maar mocht niet binnen gaan luisteren als zwarte. Hij luisterde buiten in de kou (het sneeuwde) en werd ziek. Zijn moeder vond dit zo erg dat ze de vraag stelde aan Russell of hij aub deurman kon worden en daardoor kon hij een heleboel concerten meemaken. Op zijn 26ste kreeg hij een studiebeurs van de moeder van de componist MacDowell om naar het conservatorium te gaan van New York. Hij werd bevriend met Antonin Dvorak, zij schreven voor mekaar enkele werkjes. Dvorak bewerkte enkele van de melodieën van hem in zijn negende symfonie (in Es), De Nieuwe Wereld. Hij werd ook kopiist voor Dvorak en werd later uitgever. Hij was de eerste African-American solist in de New Yorkse Synagoge.

 

Van Fred

In de vorige aflevering heb ik jullie beloofd een stukje te schrijven over een paddenstoel.
De haviksogen van overbuurman John brachten mij naar een wel heel bijzondere: de Baretaardster.
Nu zijn aardsterren in zijn algemeenheid al opmerkelijke paddenstoelen, maar deze is nog fotogenieker dan de andere. Ik was bang dat ik er een heel eind voor zou moeten rijden om hem te zien. Dat was niet zo; op nog geen 100m van onze woonstee staat deze Baretaardster.

Aardsterren behoren tot de familie van de buikzwammen.
Als het vruchtlichaam rijp is springt de buitenlaag open en de slippen buigen zich stervormig omlaag. De binnenlaag, een soort bolletje, met daarin de sporen wordt dan in het midden zichtbaar. Uit een opening op de top van dat bolletje komen de sporen naar buiten.
Een soortgelijk proces zien we bij allerlei bovisten.

Langs een zandweg, onder een haag met ouderwetse haagbomen en -struiken, zoals lijsterbes, gelderse roos, rode kornoelje en spaanse aak vond ik deze schoonheid. Nu lijkt dit wezen best fors van postuur, maar de werkelijkheid is anders. Dit exemplaar is ongeveer 3 cm hoog. In totaal staan er 12.
Ook nu was er weer opschudding, in dit geval in de wereld van mycologen. Zowel op Verspreidingsatlas.nl en Waarneming.nl is in de wijde omgeving geen melding van de Baretaardster. Omdat het uiterlijk van deze aardster onmiskenbaar is werd de vondst geaccepteerd. De vriendinnen van de paddenstoelenwerkgroep van de KNNV waren dolenthousiast en de een na de ander kwam een kijkje nemen.

In Nederland komen 19 verschillende aardsterren voor. De meeste daarvan heb ik nooit gezien; ze staan vooral in de duinen. Zoals gezegd, aardsterren zijn fotogenieke verschijningen. In mijn album met zo’n 3300 foto’s van paddenstoelen staan verschillende soorten.

Zoals deze:

Slanke aardster

Gekraagde aardster

Weerhuisje

Gewimperde aardster

Peperbus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En dit is geen aardster, maar een bovist.
Een reuzenbovist, in dit geval groter dan een voetbal. Altijd goed voor een ludiek plaatje. Op de achtergrond de Tiestenberg in Huijbergen.

 

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 17

Van Ben

 

Lieve mensen,

Dit is een berichtje met veel tegenstrijdigheden. Wat fijn dat Fred de redactie van ons KooronaNieuws weer op zich neemt, maar wat vervelend dat het weer nodig is. De oorzaak is natuurlijk weer Corona zelf, maar daar wil ik het niet over hebben.

Het was het beste om de repetities wederom af te zeggen, maar daar baalden we van. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Maar…. We moeten de moed erin houden. Gelukkig hebben we elkaar toch zo’n maand weer ontmoet. Superfijn dat er op zo’n grote schaal gehoor werd gegeven om weer te komen repeteren. Ik kreeg, en heb dat overigens weer, het gevoel dat we onze repetities erg misten.

Het was ook geweldig hoe voor en na de repetities de uitgebreide zorg voor het verplaatsen van het meubilair tot stand kwam. Hulde voor Aaike, Wally en Christ en voor de stempartij die na de repetitie weer hielp met terugzetten. Eigenlijk hielp iedereen wel, dwars door de stemmen heen. Ook dank aan de barcommissie die al het werk vooraf alleen maar kon doen voor de pauze! Een drankje na de repetitie zat er immers niet meer in.

Op weg naar de, voor Fortissimo altijd belangrijke maanden november en december, moeten we ons afvragen of we elkaar in deze maanden überhaupt nog tijdens een repetitie zullen ontmoeten. Geloof maar dat we het minste of geringste lichtpuntje zullen aangrijpen om dat te bewerkstelligen. Hopelijk in een ambiance waarbij we allemaal durven en kunnen komen, al is het alleen maar om elkaar alvast een gelukkiger 2021 te wensen.

Maar gelukkig kunnen we dankzij Kristin en Cees thuis repeteren om Deep River enigszins onder de knie te krijgen. Het lijkt in het begin zo simpel, maar op pagina 4 wordt het tegen het einde best lastig. Leuk dat de eerste tenoren op pagina 1 ineens de melodie van de eerste bassen overnemen. Om nog meer te zingen zet ik cd’s van ons op en zing dan lekker mijn eigen partij mee. Dat doe ik wel boven, in mijn eentje, om Corry niet horendol te maken.

Vrienden en vriendinnen, ik hoop dat het jullie en je naasten allemaal goed gaat en ik nodig je graag uit om, als we elkaar nog lang niet zien, via KOORonaNIEUW iets van je te laten horen.

Ben

 

Van Jan Hendrickx 

In Memoriam Jan van Tilborg

In een voor deze tijd wat vroeg stadium hebben we van Jan afscheid moeten nemen. Toen ik in November 1971 lid en voorzitter van Fortissimo werd, maakte Jan deel uit  van het toenmalige bestuur dat mij wegwijs maakte in het reilen en zeilen van Fortissimo. Hij heeft er ook aan meegewerkt om het R.K. Jongemannenkoor Fortissimo te ontwikkelen naar het huidige autonome, Koninklijk erkende “Mannenkoor Fortissimo”. Hij was een serieus bestuurslid, die bijvoorbeeld een groot aandeel had in de organisatie van de vliegreis naar Engeland, dat voor de meeste mannen en vrouwen tevens hun vliegdoop was. Jammer dat Jan stopte rond 1980. Werkomstandigheden stelden hem niet meer in staat de repetities te bezoeken.

Zijn belangstelling voor Fortissimo bleef en de vriendschappen die Jan en Cockie hadden waren bij Fortissimo ontstaan en zijn tot op heden intact gebleven. Jan en Cockie zijn altijd sociaal bewogen mensen geweest. Zij hebben voor velen veel betekend. En week voor Jans overlijden heb ik afscheid van hem mogen nemen. Met grote bewondering voor hem. Als een “goed bestuurder” had hij alles, met en voor Cockie geregeld. Hij was er klaar voor.

Jan zal door allen die hem gekend hebben niet vergeten worden .

Jan Hendrickx.

 

 

 

 

 

 

 

 

Van Kristin

Fred stuurt een opname die ik gemaakt heb. Met oefeningen voor de mannen zodat we bezig blijven.
Veel plezier ermee!

Kristin

 

 

Van Fred

 

Het is wel een lange onderbreking van onze repetitie!

Hebben jullie dat nou ook…. het gevoel dat de tijd vliegt. Terwijl allerlei activiteiten op een laag pitje staan of helemaal niet op een pitje…  Excursies van alle natuurorganisaties aan beide zijden van de grens zijn stilgelegd. In de molen van Hijbergen kunnen we geen bezoek ontvangen.

We hebben een treinabonnement; sinds het begin van corona hebben we er nog niet mee gereisd. Geen musea, geen concerten bezocht. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

En wat is nu zo gek? Er liggen hier veel boeken die ik wil lezen en de magazines van veel verenigingen verdwijnen net als voorheen ongelezen in de krantenbak. Het plan om hier de buitenboel te schilderen is niet uitgevoerd. Eigenlijk heb ik hetzelfde gevoel als toen ik naast mijn werk studeerde in Tilburg. Na afloop van die studie dacht ik “hoe heb ik het allemaal kunnen doen”.

Ik weet eigenlijk wel waar het in zit: Rianne en ik heb samen heel veel gewandeld en ik ook nog alleen en soms met een vriend of vriendin. Buiten in de natuur sta ik niet stil bij Corona, alleen maar bij de natuur.

Het schilderen doe ik volgend voorjaar en in de winter lees ik. Zo luiden de plannen.

Het sociale leven ligt zo ongeveer plat. Met de naderende 11e van de 11e en komende carnaval in het vizier is dat voor velen een echte teleurstelling. Sinterklaas, Kerstmis, wat zal het ons brengen?

Ik kan het niet laten…. de wonderlijke natuur

Eén iemand, mijn overbuurman John, heb ik besmet. Niet met Corona en hij mij ook niet trouwens, maar met het virus van liefde voor de natuur. Hij gaat er samen op uit met zijn vriendin en af en toe gaan wij samen. Wij fotograferen beiden. John heeft een scherp oog voor details en vindt regelmatig zeldzaamheden.

Zo kwam hij deze zomer met een foto van een plantje dat hij vastgelegd had in de Hoogerwaardpolder. Het betrof een muntsoort, waarvan veel soorten in onze omgeving groeien. Ik zou er gewoon langs lopen. John niet. Het was Polei; ik had er nog nooit van gehoord.

Obsidentify, een programma waarmee je alles wat leeft in de natuur kunt determineren aan de hand van foto’s, gaf een hoge score: 100%. Dat zegt niet alles, want een koe wordt soms voor een slak aangezien door Obsidentify.

En dan begint het feestje: John voerde de vondst in bij Waarneming.nl. Daar kijken allerlei biologen mee wat er zoal wordt ingevoerd. Soms wordt een vondst automatisch goedgekeurd, soms moeten er nog wat foto’s ingestuurd worden en veel vaker moeten deskundigen materiaal hebben om de vondst te kunnen determineren.

De vondst van John werd afgekeurd. Reden: die plant komt daar niet voor. Alleen in Zuid-Limburg en een plekje op Goeree. Verder is Polei op een paar plekjes na uitgestorven. De volgende dag ben ik met John meegegaan en gelukkig vonden we het plantje terug. Voor mij was het toch echt Polei, mijn oude Heijmans wees dat uit. Het plantje stond naast een pad en kon natuurlijk door iemand daar gedumpt zijn. Wij gingen samen van het padje af en in het weiland vonden wij volop Polei. Die kon onmogelijk gedumpt zijn. Uiteraard maakte ik ook foto’s en stuurde die naar wat inventariseerders.
En natuurlijk was de belangstelling gewekt.

De daarop volgende dag zijn wij weer naar de vindplaats gegaan, samen met mijn vriendin die planten inventariseert en determineert voor Floron. En jawel, na onderzoek met een loep, was het volgens haar echt Polei.

Voor de zekerheid moet dan een exemplaar meegenomen worden voor de coördinator van de plantenwerkgroep en voor de universiteit. Thuis heb ik extreem-macro foto’s gemaakt van onderdelen van de plant, maar dat was niet goed genoeg voor een definitieve determinatie. Enkele dagen later kregen we toch de uitslag: Polei. Wat nu?

Er zat echter een addertje onder het gras.
Een eindje van de Polei was een strook wilde planten ingezaaid. Brabants Landschap doet dat voor vogels en insecten.
Er was niemand die we konden vragen wat er in de loop der tijd gegroeid had. Erik de Jonge, de boswachter/beheerder was met vakantie. Het werd dus erg spannend.
Toen hij terug was hebben we hem van de vondst op de hoogte gesteld. Hij was resoluut: in de zaadmengsels die Brabants Landschap inzaait zit alleen streekeigen zaad. Dit in tegenstelling tot wat sommige gemeenten inzaaien. Er was dus nooit Polei ingezaaid in het Markiezaatsgebied. Hij was dolenthousiast.
En ineens ging er bij hem een lampje branden: Hij had vorig jaar in de Hoogerwaard een groot veld met blauwe bloemen gezien, die hij niet kende en die hij “nog eens” wilde laten determineren. Daar was het niet van gekomen: vergeten. Jammer voor hem, want nu ging John met de eer van de vondst strijken. Maar Erik vindt dat helemaal prima.

Uiteraard zijn wij als direct betrokkenen op zoek gegaan naar het veld dat Erik noemde. Wat een openbaring: zeker een hectare vol blauwe Polei. Hoe kon dat nou toch.
Het betreffende weiland is een aantal jaren geleden afgegraven. De voedselrijke bovenlaag werd afgevoerd. Er waren ook enkele oude kreken in ere hersteld.
In dit gebied staat de Polei en is door grazende koeien verspreid in de rest van de weide.

Nu zijn ecologen ermee bezig. Hoe komt de Polei daar? Zit er een zaadbank in de grond die pakweg 50 jaar in takt blijft, zoals bij struikhei? Niemand weet het nog.
Maar hij staat er en de vraag is hoe je hem daar houdt. Vast staat dat het beheer er op wordt aangepast. Het is nodig dat het gebied nat blijft in de winter en in de zomer droogvalt.
Ook betreding door koeien is belangrijk. hun hoeven verspreiden het zaad.

Oeps een lang verhaal. De volgende keer schrijf ik iets over de vondst van een zeldzame paddenstoel.

Dat zal een stuk korter zijn.

 

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 16

Van Wim

 LAAT EENS WAT VAN JE HOREN !!!

Nu de laatste nieuwsbrief op uitkomen staat wil ik toch proberen om de contacten binnen Fortissimo wat aan de gang te houden. Vandaar dit initiatief:

Als elk lid nu eens in de komende weken een mailtje stuurt naar vier willekeurige mensen uit het koor (leden, bestuur, dirigente) en aan die laat weten hoe je deze “koorloze“ periode hebt beleefd en bent doorgekomen dan hebben we iets. Kies nu eens niet iemand waarmee je altijd al veel contact hebt maar juist een persoon die je niet zo vaak spreekt.

Ik ben benieuwd wat je ervaringen zijn en zo houden we elkaar toch op de hoogte en blijft onze goede onderlinge band toch bestaan. Alvast bedankt voor jullie moeite en prettige zomerdagen en tot ziens begin september.

Wim Speek

 

 

Van Fred

 

VAKANTIE!!!!!

In ieder geval voorlopig is deze aflevering van KOORonaNIEUWS de laatste.

Rianne en ik gaan in juli drie weken naar De Cantal in Frankrijk. Corona zou ons bijna de 38e keer dat wij vanuit een Gîte Rural de France een stukje van Frankrijk verkennen, door de neus geboord hebben.

De geplande reservering in juni ging niet door, maar in juli konden we in hetzelfde dorp een ander huis huren. Een vrijstaand huis in een kasteelpark, weinig kans op Corona….
Veelal schrijf ik een stukje over de natuur. Dat zou ik nu ook kunnen doen en zeker ook over de Cantal waar wij al wat rondgezworven hebben, maar ik doe dat niet.
Aan de hand van enkele anekdotes vertel ik jullie waarom wij zo graag in Frankrijk tussen de mensen op het platteland, la campagne, zijn.

Wij eten graag in een restaurant als dat zo uitkomt. In ieder geval gebruiken we het laatste avondmaal, voordat we de volgende ochtend vertrekken, in een eetgelegenheid. Zo ook in de Cevennes. We hadden onze zinnen gezet op het dichtsbijzijnde etablissement in een dorp, een paar kilometer verderop.
Te voet er naartoe natuurlijk, want e.e.a. moet wél gepaard gaan met een alcoholische versnapering. Dat lukte. Eerst een lekker biertje op het terras en na overleg met de chef, over wat hij voor ons klaar kon maken, nog maar een.

Wat was het eten lekker! En de wijn ook!

 

En toen kwam het moment van afrekenen.
“Pin?” “Nee, geen pin”. “Creditcard?” “Nee, geen creditcard. Alleen contant”.
Wij hadden geen contant geld bij ons. In ieder geval niet genoeg…..
“Is hier een pinautomaat?” Wij wisten eigenlijk wel dat dit niet het geval was.
“Hindert niks, ga maar even geld halen”. “Maar dat is een paar kilometer lopen en daar hebben we ook geen contant geld”.
“Hindert niks, kom morgen maar betalen.”
“Wij willen morgen om 06.uur vertrekken en de dichtsbijzijnde pinautomaat is in het dorp 10 km verderop, in de richting van waar wij heen moeten. Dat is 20km extra, maar we staan hier morgen om 06.00 uur voor de deur om te betalen.”
“Nee, dat kan niet want dan zijn we nog niet wakker”.
“Weet je wat. Pin bij die pinautomaat. Naast de pinautomaat is de bakker, doe het geld in een enveloppe, zet daar “Pour Alex” op, vraag naar Michèle en geef haar de enveloppe. Dan komt alles goed.”
Aldus geschiedde. Michèle had hij niet ingeseind. Wij legden uit wat er aan de hand was en zij zorgde ervoor dat de volle winkel kon meegenieten van ons falen: geen contant geld als je ergens gaat eten….. Ze scheurde nog wel even de enveloppe open om te kijken of er geld in zat. Misschien toch iets minder “confidence” dan de patron van het restaurant?

Een andere keer in de Pyreneeën. De eigenaar van de gîte had ook een café, een winkeltje en een depot de pain. Elke ochtend vers stokbrood. Maar ja, hoe kom je daar aan als alles nog slaapt als wij willen ontbijten, om daarna te vertrekken voor een wandeling met een stokbrood in de rugzak.

Geen probleem, kom maar even mee. “Het brood ligt ’s morgens in een kist. Je geeft op wat je wil hebben, wij bestellen, en jij pakt het eruit”. “Oké, elke dag twee stokbroden dan maar.”
Na een aantal dagen maar eens een keer afrekenen. Wat moet ik betalen? Tja, zeg het maar, wij houden dat niet bij….

Fransen nodigen je niet gauw thuis uit. Toch is het ons een aantal keren overkomen. Van aperitief tot diner. Een aperitief is altijd bijzonder. De Fransman vraagt meestal niet wat je wil drinken, maar hij bepaalt wat je zult drinken. We hebben van alles meegemaakt: flessen wijn, crémant, bier, cognac, calvados, marc de bourgogne en verschillende zelfgemaakte drankjes.
Vaak gaat het drinken gepaard met een hapje. Zo hebben we een keer tot laat in de avond aperitief gedronken en hapjes gegeten. Toen we weggingen vroegen we wat nu precies de gewoontes waren op dat vlak. Misschien wel uit beleefdheid zei de vrouw des huizes dat zij dat ook niet precies wist. Het maakte niet uit, als het maar goed was.
“Gezellig” kun je niet zeggen, want dat woord kent geen Frans equivalent.

Zo zaten wij in de Touraine in een huis op het landgoed van een wijnboer.
Het aperitief bestond uit een drankje dat het midden hield tussen port en medium sherry, althans wat ons betreft. Een wijnboer uit de Elzas, die daar ook een weekje vakantie hield, liep steeds hoofdschuddend door de wijngaard. Hij vond de manier waarop er in de Touraine wijn gemaakt werd helemaal niks.
Hij zat ook aan het drankje van zijn collega. Dat vond hij, aan zijn gezicht te zien, vergif. Hij kon het niet thuisbrengen en vroeg wat het was. Vol enthousiasme vertelde de boer dat hij in de kelder een vat heeft met dit goedje erin. Ieder jaar tapt hij daaruit wat hij denkt in het komend jaar nodig te hebben en daarna vult hij het vat weer aan met jonge wijn van de nieuwe oogst. Het volgend jaar hetzelfde liedje.
Zijn vader deed dit al, zijn grootvader, zijn overgrootvader en wie weet hoeveel bet-bet-bet-overgrootvaders. In dat vat zit dus, waarschijnlijk ook nu nog, eeuwenoude vloeistof.

In de buurt van de Mont Ventoux staan veel boomgaarden met kersen. Ook daar huurden wij een huis van een boer en werden wij uitgenodigd voor een aperitief.
Over het algemeen weet men dan al wat wij in hun negorij komen zoeken en is er ook belangstelling voor. Vaak weet ik al meer van de natuur daar, dan wat ze er zelf van weten.
Dus ik wilde wel eens weten hoe het nu kwam dat de kersen niet opgevreten werden door de spreeuwen en de lijsters.
Je zag er niet één daar, terwijl de bomen niet beschermd werden tegen de vogels, alleen tegen de felle zon. Ik voeg dus wat door over die vogels. “Nee, dit zitten niet in de boomgaarden, maar in het bos”. Ik bleef aandringen en ik weet niet of dat fatsoenlijk is als je ergens op een aperitief wordt uitgenodigd. Maar na verloop van tijd kwam dan toch de aap uit de mouw: “En ze zijn erg lekker”.

Van Bas

MIJN MOLENWERELD, deel 3.

Het vorige verhaal ging eigenlijk over de “ontdekking van de zeer eenvoudige motor”.

Met ’n motor ga je wat doen uiteraard.

In de ROSMOLEN is dat eigenlijk gemakkelijk. In de schuur staat  een spil opgesteld. Het paard maakt, òf binnen lopend (Zeddam).

òf buiten lopend (hier Ertvelde), z’n rondjes en de spil gaat meedraaien. Aan de spil is een rad bevestigd. (In de rosmolen van Zeddam heeft dat rad een diameter van 7,30 m!!!  Van Ertvelde heb ik geen maat, maar op de foto gezien, denk ik aan 2 meter). Dat rad gaat meedraaien natuurlijk. Een aangesloten kleiner rad gaat ook meedraaien en daardoor werkt bijvoorbeeld de karnton.

Om de productiecapaciteit te vergroten kan je er nog een 2e of 3e of 4e karnton op aansluiten. Maar er kunnen ook andere installaties op aangesloten worden. Afhankelijk van wat voor soort bedrijf er in de schuur gevestigd is.

 

De WATERMOLEN is eigenlijk ook niet zo’n probleem. Bijna altijd werd er aan beide zijden van de beek een gebouw neergezet. Tussen de twee gebouwen zat de constructie van de sluizen en de raderen. Afhankelijk van het wateraanbod werd er gewerkt. Eén sluis open en er draaide 1 rad. Draaiende beweging van de as naar binnen……. werktuigen aangesloten en aan de arbeid.

Een zeer fraai voorbeeld: de Watermolen van Singraven gelegen op de Dinkel in Overijssel.

Hier zijn zelfs 3 “motoren” ingebouwd.
In een volgend verhaal zou ik kunnen vertellen wat er wordt aangedreven.

 

Nog een voorbeeld? Aan deze molen heb ik hele mooie herinneringen: de Volmolen op een zijtak van de Geul in Epen. Truus en ik waren hier al enkele malen.

Deze gelegenheid was wel heel memorabel……………

Watermolens, zo mooi gelegen vaak, maar je moet ze wel bewust op zoeken.

Maar als jullie deze dan gevonden zouden hebben, staan jullie (net als ooit Vincent van Gogh) oog in oog met de Opwettense Watermolen op de Kleine Dommel. Uiteraard zeer opvallend zijn de 2 raderen. De kleinste heeft een diameter van 760 cm en de grootste meet liefst 930 cm.

Nu ben ik toe aan de derde aangegeven energiebron: de wind.

Dat is redelijk omvangrijk. Jullie zullen merken, dat je niet zomaar kunt zeggen:
“oh, dat gaat over de molen van Huijbergen of Halsteren of Borgvliet”.

Ik dacht dan ook maar heel simpel, maar misschien wel
verrassend, heel klein te beginnen.
Wel met de opmerking: nu heb je wieken nodig èn, zeer belangrijk, die moeten altijd naar de wind toe staan om te kunnen werken!!!!
Het principe is eigenlijk eenvoudig, want je maakt wieken vast
aan een wiekenas of molenas…..

Wat jullie hieronder zien, is misschien wel het simpelste voorbeeld van een windmolen. Het is een tjasker.
Ze komen voor in onze noordelijke provincies. Er zijn 2 soorten van.
De paaltjasker en de boktjasker.

Hier zien we de boktjasker van Augustinusga:

En dit is de paaltjasker van Ny Beets:

Klein grut hè.
Maar we kennen ook het weidemolentje.
Dit is de Kaatmolen op De  Zaanse Schans. Met behulp van de driehoekige vin aan de achterzijde staat deze molen altijd met de wieken naar de wind:

En al weer iets groter de spinnekop:

Nu gaan we naar het grotere werk. De molens die zich niet verstoppen, maar heel nadrukkelijk aanwezig zijn in ons landschap.  De fabrieken uit ons verleden! De molenaar was fabrikant. Vaak ZZP-er of soms een kleine werkgever. Dan kijken we hoe die molenaar zijn werk kan doen. Dat valt uiteen in het werk buiten de molen en in de molen.

Een molen moet geen windbelemmering hebben. Vroeger had je niet veel bomen en zeker geen hoge gebouwen. Dan werd een molen niet groter gebouwd dan nodig was. Men bouwde dan een zogenaamde grondzeilerKrabbendijke bijvoorbeeld stond aan de rand van het dorp. Niets in de weg dus. De molenaar kon buiten gewoon van de grond af zijn werk doen, om de molen gebruiksklaar te maken. Ik had immers al eens opgemerkt: de wieken moeten altijd naar de wind gericht zijn om van die wind te kunnen profiteren.

De molenaar of zijn maatje aan het werk op de grondzeiler:

 

Waren de omstandigheden minder gunstig, dan ging men de hoogte in. Men begon de molen te bouwen en op een hoogte van ongeveer 5 of 6 meter gooide men er een berg grond tegenaan en ging verder. Zo ontstond de berg- of beltmolen. Wilde men nog hoger dan bouwde men een stelling of balie aan de molen. Dan werd het een stellingmolen.

en hier in het echt….

Zijn er dan alleen maar ronde stenen molens?
Nee hoor. Ik heb nog een paar typische grondzeilers voor jullie……

Achtkante molen met riet gedekt:

Wip- of kokermolen:

Een Zeeuwse achtkant met dakleer gedekt:

Een van de oudste molenmodellen, de  standerdmolen:

Een hele fraaie tussenvorm: een paltrokmolen, bedienen vanaf de grond om op de wind te zetten èn vanaf een stelling zeil voorleggen:

Een bijzondere bergmolen is de torenmolen van Zevenaar:

Om deze aflevering te besluiten:

De Wachter in Zuidlaren.
Een stellingmolen met vierkante stenen onderbouw en een houten achtkante rietgedekte molen met rieten kap:

En tot nu toe hebben we nog steeds niet met de molen gewerkt. Niet buiten en niet binnen.
Volgende keer dan maar.

Voor nu een prettige en fijne en gezonde vakantie.

Bas

 

 

Van Wim

 

♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 15

 

Van Ben

 

CORONABESTENDIG………

 

Jullie weten al dat we de vorige week voor het eerst sinds half maart een bestuursvergadering hebben gehad waarbij we allemaal, inclusief Kristin, lijfelijk aanwezig waren.

Fred meldde reeds alles wat jullie uit deze vergadering moesten weten en had het ook over de heerlijke tuin van Mart, met de volière en vijver. Maar, indachtig de coronatijd en alles daarom heen had Mart de vergadering ook super goed voorbereid.

Kijk naar beide foto’s en zie hoe hij vanaf de voordeur tot achter in de tuin het coronacircuit met de 1,5 meterregel had uitgezet! Je kwam door de hal, de keuken  zo in de tuin waar je stoel reeds klaarstond met je naam erop. En… de tuin weer verlaten moest langs het poortje! Gevolg: een bezoek aan het toilet ging via het poortje en dan weer aanbellen om in de hal terug te komen…. We hebben er eerlijk gezegd veel om gelachen.

Het was een ontspannen start van iets dat we véél te lang niet mochten doen. Dank je wel, Mart!

Beste mensen, dit is voorlopig het een na laatste  KOORonaNIEUWS. Voor mij de laatste waarin ik nog wat kwijt kon. Jullie begrijpen dat ik niet genoeg kan vertellen hoe dankbaar we moeten zijn voor alle inzendingen en verhalen. En… voor de wijze waarop Fred die elke week weer tot iets moois maakte.

Ik hoop oprecht dat we elkaar in de laatste week van augustus op een ontspannen manier terug zien.

Fijne vakantie en tot dan

Ben


 

Van Kristin

 

Beste mannen,

Het virus neemt in kracht af en het ziet ernaar uit dat we in september toch weer kunnen samen zingen. Het is natuurlijk ook niet meer dan normaal dat we dat weer zullen doen. Enkel ons gevoel over samen zingen is gewijzigd, we zullen het voortaan voorzichtig doen en met afstand. Ik vind het een eigenaardige evolutie. Normaal spreken we over mensen naar elkaar toebrengen over samen dingen doen en hoe goed dat allemaal is voor het innerlijke welzijn.

Het virus dreef ons uit elkaar en zelfs de grenzen werden weer duidelijk op de kaart gezet. We zijn nu enkele maanden verder en worden gewend aan het naast elkaar leven op afstand. Ik hoop dat we volgend seizoen eens kunnen lachen over ons gedrag en we kunnen terugkijken met een gevoel van verbazing over wat we allemaal meemaken in deze verwarde periode.

We gaan terug starten met het geplande programma maar dat zal een beetje uitgedund worden en aangevuld met een sneetje instrumentale muziek. Ook het kerstprogramma komt er aan.

We gaan terug uit volle borst zingen en er van genieten zoals mijn nachtegalen die trouw elke dag een prachtig concert verzorgen vroeg in de morgen en ‘s avonds voor het slapengaan. Ik voeg één van de concerten toe, opgenomen van op het terras en hij (of zij) zat op 4 meter van mij in onze beuk op een tak.

Ik wens jullie een mooie zomer toe en zing toch maar wat zodat we in september niet op zoek moeten gaan naar jullie stembanden! Laat staan het hele apparaat, met buikspieren en ribbenkast erbij! 🙂

Warme groeten,

Kristin

  

 

Van Fred

 Kristin spreekt over een hij of een zij. Mannetje en vrouwtje nachtegaal zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Altijd werd gedacht dat alleen mannetjesvogels zingen. Pas sinds kort wordt onderzoek gedaan naar zingende vrouwtjes en die zijn er. Bijvoorbeeld de roodborst, die tot de nachtegalenfamilie behoort. De vrouwelijk en mannelijke voorouders van onze zangvogels zongen zeer waarschijnlijk beide. Maar of het vrouwtje nachtegaal, zoals wij die kennen, óók zingt weet ik niet. Ik denk het niet, want alleen mannen kunnen zó mooi zingen.

Nou vooruit, en één vrouw dan….


 

Van Bas MIJN MOLENWERELD, deel 2.

In deel 1 schreef ik over mijn fantasie hoe het molenwerk ooit begonnen zou kunnen zijn en ik gebruikte de zin:

“Maar alles met menskracht. Er kwam behoefte aan meer opbrengst en daar kwamen grotere stenen voor.
Toen werd het nodig om andere energiebronnen dan menskracht aan te boren.”

Vergis je niet, maar zo’n eerste modelletje maalsteentjes was nog wel te dragen en te verplaatsen en te draaien. Op de foto zien jullie een koppel(tje) stenen. Ooit op een watermolen in Limburg gekocht. Voor de lol. Ook voor demonstratie. De diameter van de steentjes is 14 cm. Maar laat het eens groeien tot 8o cm of 100 cm! Dan wordt het al wat zwaarder hoor.
De onderste steen komt nooit boven en wordt door de molenaar “de ligger” genoemd en de andere steen komt daar op te liggen en moet gaan draaien en kreeg daarom de naam “de loper”.

Daar gaat het nu om: de loper moet gaan draaien.                                                        Met menskracht niet te doen.
Eureka! Als die loper nou eens aan een as bevestigd zou worden en je zou die as aan het draaien kunnen krijgen.
Even in onze herinnering graven. Het is niet onmogelijk dat een van jullie kinderen vroeger een hamster wilde hebben om te knuffelen.
Kooitje…hamster……looprad, want die hamster beweegt zo graag……
Pas op, want nu ga ik weer fantaseren…..
extra asje aan de buitenkant verbonden aan een fietsdynamo…….draadje naar een leeslamp ……gratis stroom…..nou, gratis…..de hamster moet wel voer hebben natuurlijk……en blijven lopen aub.

Heb ik nu een nieuwe uitvinding gedaan? Welnee hoor.

Mensen in een rad laten lopen en zo een hijswerktuig aandrijven. Het is gebeurd hoor……..
Kijk eens hieronder. Daar heb je ons “hamster-rad”.

en nu deze:

Geen dierenactivist was nog te bekennen. 1 of 2 honden in het rad ….. lopen maar … en de klopper in de boterkarnton deed z’n werk.

of de schapenkar……

of de ossenkar….

gelukkig, de zo gewenste andere energiebronnen zijn gevonden en molenstenen konden steeds groter worden. De molenaar gebruikt zijn eigen maatvoering, maar laat het me maar vertalen naar moderne maten. Een diameter van 150 0f 160 of 170 cm ongeveer en laat ons zeggen 30 tot 40 cm dik. Zo komen we aan een gewicht van zo’n 1000 kg ongeveer. Dat zou met ellebogenstoom nooit van z’n leven lukken.
Er zijn zodoende dieren gebruikt als energiebron.

Paarden bijvoorbeeld.

Zulke molens staan bekend als ROSMOLEN

Dit zijn plaatjes van de rosmolen van Zeddam.
Gewoon een boerenschuur zo te zien……………
maar dit zie je binnen….…

dit is een fraai exemplaar in Ertvelde (België)

Hé, zullen jullie denken. In de vorige aflevering kwam ik ook al een plaatje van een rosmolen tegen. Dat klopt. Deze foto maakte ik achter het Landbouwmuseum van Sint Anna Ter Muiden in Zeeuws Vlaanderen. Dit apparaat had 2 armen, maar het kan er 4 hebben en het was mogelijk om er 1 tot 4 paarden in te spannen. Een drijfstang bracht de beweging over naar werktuigen in de schuur…..

Göpfel wordt het genoemd en is dus ook een rosmolen.
…….hier aan het werk.

Nu wordt het iets gemakkelijker. Want mensen zijn vindingrijk. Kijken om zich heen en maken gebruik van de mogelijkheden die hen aangeboden worden.

Water, vooral stromend water, biedt mogelijkheden. Als je iets in elkaar zet en het moet kunnen draaien en je gebruikt daar de enorme kracht van stromend water voor…dan spreek je over een WATERMOLEN.  Je moet dan wel denken aan een heuvelachtig gebied waar beken vanaf stromen. Het oosten van Noord Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel, Drenthe.

Wat heb je nodig?

Een beek. Op de oever bouw je een schuur en aan de buitenkant hang je een “hamster-rad”. Het stromende water laat het rad draaien…..de as brengt de draaiende beweging naar binnen …… de molenaar kan aan de slag.

Jammer hè, dat je hier in West Brabant geen beken hebt met flink stromend water. Geen watermolen dus. Of……. Ja, we hadden de Oosterschelde voor de deur. Tot aan de Zeekant toe. 2x per dag opkomend en afgaand water. Nog mooier…het kwam tot in de stad. Tot net voor het Spuihuis. Een echte haven. Volop bedrijvigheid en bij laag water volop stank. De schepen kwamen langs de Kop van het Hoofd, voeren langs de Havendijk, gingen bij de Shell rechtsaf en kwamen zo bij Den Ham aan. Daar moest de schipper kiezen: ga ik links langs de draaibrug de kaai in of ga ik rechts onder de ophaalbrug door naar de Vissershaven of nog later de Zeelandhaven. En daar, bij die Vissershaven vind je nog steeds…….de Watermolen. Dat zit zo: eerst, lang geleden, was er de Vissershaven met daarachter nog een verlengstuk. Zeg maar halverwege ongeveer werd het hele waterbassin ter hoogte van de watermolen in twee stukken gedeeld dmv een dam. Bij de molen zat een sluis. Het wordt hoog water…..het bassin vult zich….ook achter de dam, want de sluis staat open……als het water weer gaat zakken wordt de sluis gesloten…….het achterste deel (de houwer)  blijft gevuld…. er ontstaat een behoorlijk hoogteverschil………tegen de watermolen hangt weer een rad met een diameter van misschien wel 5 of 6 meter……..opnieuw wordt er een sluisdeur omhooggetrokken…. Er stroomt water onderdoor……tegen de schoepen van het rad….en het rad gaat draaien…..dmv een as door de muur gaat de beweging de molen in. De molenaar kan aan het werk. Ongeveer 4 uur lang. En dat 2x per dag. Gegarandeerde energie. Zo’n molen kreeg de naam GETIJDENWATERMOLEN. Het is waarschijnlijk de oudste in zijn soort van Nederland.

De huidige eigenaar is volop aan het restaureren en heeft zelfs heel aantrekkelijke plannen.
Ook de wind kan een energiebron zijn.
Het moet natuurlijk wel waaien….maar dan gaat dit kinderspeelmolentje  mooi draaien. Jullie kennen ondertussen het principe: extra asje er aan en de opgewekte draaiende beweging is bruikbaar in….

Jawel de WINDMOLEN.

Nog meer geschiedenis?
De petroleummotor…de dieselmotor…..de electromotor.

Zo, dat is genoeg voor vandaag. De energiebron hebben we gehad. Wat gaan we er mee doen?
Dat is voor de volgende keer.

Misschien willen jullie nou toch wel eens ter plaatse gaan kijken. WINDMOLENS ontdekken is niet zo moeilijk. Vooral natuurlijk als ze draaien, want dan trekken ze wel de aandacht. Voor ROSMOLENS en voor WATERMOLENS moet je echt wel je best doen.
Maar ik zal een kleine handreiking doen.
Als jullie vakantie of jullie dagtochtje zich zou afspelen in de buurt van ’s Hertogenbosch, dan ligt ten oosten hiervan het plaatsje Heeswijk Dinther. Daar valt een WINDMOLEN op, maar die staat daar mooi te wezen in samenspel met een WATERMOLEN. Het is de Kilsdonkse water-vluchtmolen.

Een juweel om te zien en te beleven. Als Corona tenminste geen roet in het eten gooit.

Tot de volgende keer.

Bas

 

Van Fred

 

In KOORonaNieuws nummer 12 heb ik een verhaal geschreven over de Nachtzwaluw.
De Nachtzwaluw, die geen zwaluw is. Vandaag wil ik iets vertellen over de Gierzwaluw. En je raadt het al, de Gierzwaluw is ook geen zwaluw.

Tot nu toe heb ik mijn stukjes gerelateerd aan het beheer van natuurgebieden. Nu wijk ik daarvan af, want de Gierzwaluw is een vogel van steden en dorpen. Niet dat deze bijzondere vogel het daardoor voor de wind gaat, ook deze vogel is bedreigd en dat heeft te maken met hoe wij met de bebouwde omgeving omgaan.

Maar nu eerst iets over de vogel.
De Gierzwaluw is dus geen zwaluw. Ze behoren dan ook tot een aparte familie: Apus, waartoe nog drie andere soorten horen. Hij is meer verwant aan de kolibrie dan aan zwaluwen.
“Onze” gierzwaluw kennen we allemaal wel van de sikkelvormige zwarte vogels, die gierend door de lucht gaan en vaak heel laag door straten vliegen. Tenminste, hier in Huijbergen wel en als we vakantie houden in Frankrijk zijn ze er ook altijd.

De vleugels van de Gierzwaluw zijn erg lang in verhouding tot de romp. Ze steken wel 3,5 cm voorbij de staart. De ogen zijn groot en liggen diep in hun kassen. Aan de snavelkant zijn ze voorzien van borstelige veertjes. Bij hoge snelheden zijn hun ogen hierdoor goed beschermd tegen uitdrogen en stof.
De snavel is kort en breed, maar de mondopening is veel groter dan alleen de snavel.

De poten zijn kort met vier sterke, naar voren gerichte tenen, waarmee ze zich aan een muur kunnen vastklemmen. Lopen gaat zeer onbeholpen. De combinatie van korte pootjes en lange vleugels maakt het de gierzwaluw vrijwel onmogelijk om weer op te stijgen als hij (per ongeluk) op de grond terecht gekomen is. Het beest komt daarom nooit vrijwillig op de grond.

Deze vogels zijn geëvolueerd om te vliegen. Ze bereiken snelheden van 120 km per uur!  Hun vleugels zijn langer dan van andere zwaluwsoorten en naar achteren gericht. De staart is gevorkt, in de lucht zien ze eruit als ankertjes. Ze kunnen lange glijvluchten maken.

Ze maken daarbij een gierend geluid (vandaar de naam gierzwaluw). Het klinkt als “srieeee, srieeee”.

Vooral ’s morgens en ’s avonds vliegen ze in groepen, die elkaar lijken te achtervolgen, opgewonden srie, srie roepend, rond de huizen in steden en dorpen.

 

 

En heel bijzonder is dat ze altijd vliegen: dag en nacht. Ze eten vliegend kleine insecten, ze drinken vliegend, scherend over het wateroppervlak nemen een snavel water.

Alles doen ze vliegend. Ook slapen. Tegen de avond verzamelen groepen gierzwaluwen zich in de lucht en stijgen dan samen op naam wel 3000 m, om daarna rustend in een soort half-slaap, met trage vleugelslag, drijvend op de lucht en de wind, in grote spiralen langzaam naar beneden te komen. Het schijnt dat ze ook in de lucht paren.

De gierzwaluw bouwt zelf geen nest, maar maakt gebruik van bestaande holtes en spleten van gebouwen. Dus onder kapotte pannen, in de gaten in muren en achter dakgoten. Ze bekleden het nest met in de vlucht gevangen materiaal en plakken dit met speeksel aan elkaar tot een komvormig nestje. Ze maken ook gebruik van nestmateriaal van andere vogels.
Paren en broeden, dat is de enige reden voor de Gierzwaluw om niet in de lucht te zijn.
Ze leggen 2 tot 3 eitjes.
De ouders broeden om beurten en na drie weken komen de jongen uit. Met wijd opengesperde snavels vliegen de ouders rond om vliegende insecten in hun keelzak te verzamelen tot een bal die ze aan hun jongen voeren.

De inhoud van zo’n bal is wel eens uitgeplozen en men trof daarin behalve 149 vliegen, ook bladluizen, gevleugelde mieren, spinnetjes, kevers, in totaal 543 insecten. Op een mooie zomerdag met veel insecten in de lucht brengen de ouders voor een nest met drie jongen wel 30 ballen naar het nest. Dat opgeteld bij de insecten die ze zelf eten, laat zien dat een gierzwaluw-gezin per dag 20.000 insecten verschalkt.

Bij slecht weer breken er moeilijke tijden aan. Dan zijn er weinig insecten. Gierzwaluwen voelen al lang van tevoren zo’n slecht weer periode aankomen en zoeken gebieden met beter weer op. Soms wel 1000(!) km ver en ze schijnen hun jongen te vergeten. Dit lijkt wreed, maar het is van belang voor het voortbestaan van de soort: als de ouders omkomen door voedselgebrek gaan de jongen zeker dood. Wanneer de ouders overleven kunnen ze het jaar daarop opnieuw proberen jongen groot te brengen.
De jongen zijn trouwens in staat om een dag of vijf zonder voedsel door te komen. Ze raken in een verdovingstoestand, een soort winterslaap, waarbij hun temperatuur daalt en hun ademhaling en hartslag vertragen. Hierdoor gebruiken ze minder energie. Als de ouders terugkeren zullen de sterkste jongen overleven.

Zeer slechte zomers kunnen dramatisch aflopen voor de gierzwaluwen. Als het in heel Europa slecht weer is komen er vrijwel geen jongen groot. Ook volwassen vogels leggen dan het loodje, ze zijn dan te uitgeput om de Alpen over te vliegen om het betere weer in Italië op te zoeken.
Het hangt dus van het weer af hoe lang de jongen op het nest blijven. Meestal is dit zes weken, maar het kan oplopen tot acht weken. Dat is langer dan bij andere vogels, want bij het verlaten van het nest moet de jonge gierzwaluw perfect kunnen vliegen. Van de ene op de andere seconde moet hij leren vliegen. Dat lukt vrijwel altijd. De ouders spelen hierbij geen rol. Als zij bij terugkeer op het nest, zien dat hun kroost vertrokken is, eten ze de laatste voedselbal zelf op en keren dat jaar niet meer terug op het nest.
De jongen nemen de eerste avond al deel aan de slaapvlucht (tot 3000 m, wat een krachtsinspanning!) en ze blijven aan één stuk door vliegen. Totdat ze op tweejarige leeftijd geslachtsrijp zijn. Ze keren dus niet op het ouderlijk nest terug.
De gierzwaluwen vertrekken vrijwel onmiddellijk met de oudere vogels voor een 7000 km lange tocht naar het zuidelijk deel van Afrika. Begin augustus zijn alle gierzwaluwen vertrokken om pas eind april van het volgend jaar terug te keren.
De gierzwaluwen broeden niet in Afrika. Ze raken in de rui en dat is voor deze vogels, die altijd moeten blijven vliegen ook heel bijzonder. Een langdurige zaak, ze wisselen hun veren één voor één. Zo blijven ze in staat om voedsel te verzamelen.

De uitputtende tocht van 14000 km wordt veel vogels fataal. Noodweer, voedselschaarste, vogelvangers….en vliegtuigen. Vliegtuigen richten vaak grote slachtpartijen aan onder vluchten gierzwaluwen.
Het verdwijnen van steeds meer insecten door het gebruik van insecticiden, heeft zeker invloed op het aantal gierzwaluwen.
De allergrootste bedreiging voor de gierzwaluw vormt het verdwijnen van steeds meer nestgelegenheden. Door het slopen en renoveren van oude gebouwen, vaak van hele stadswijken, worden ieder jaar meer nesten opgeruimd.
De nieuwbouw die ervoor in de plaats komt biedt geen enkele nieuwe nestgelegenheid. Door de recht-toe-recht-aan bouwstijl, zonder inhammen of uitsteeksels en door de gebruikte materialen, zoals glaspuien, betonelementen en kunststof panelen, worden de vogels definitief buitengesloten.

Met wat extra aandacht en moeite kunnen gierzwaluwen nog een kans krijgen. Sommige pannenfabrikanten maken speciale gierzwaluwpannen. Er bestaan ook holle neststenen, die ingemetseld kunnen worden. Gierzwaluw-kasten zijn wel het meest bekend. Ze kunnen in veel verschillende modellen gemaakt worden, afhankelijk van de plaats waar ze komen te hangen.

Probleem is dat gierzwaluwen erg plaatsgetrouw zijn. Een nestgelegenheid moet vrijwel op precies dezelfde plaats zijn als waar de oude zich bevond. Zelfs de invliegopening moet op dezelfde plek zitten.
Na 14000 km vliegen weet een gierzwaluw zijn kleine nest terug te vinden. Er is een geval bekend van een gierzwaluw die 21 jaar achter elkaar in dezelfde nestkast terugkeerde.

Als er nog geen broedende vogels zijn is er nog enige hoop: soms zoekt een gierzwaluw nieuwe nestgelegenheid. De kunstmatige nestgelegenheden moeten dan steeds aan de koele kant van het huis aangebracht worden. Er moet een vrije aanvliegroute zijn, zonder bomen, vlaggenstokken e.d.
Er mag geen plat dak onder de uitvliegopening zijn i.v.m. de vrije val die de jonge vogels bij het verlaten van het nest maken.
Gierzwaluwen krijg je niet op bestelling. Het kan jaren duren voordat er een koppel in een nieuwe nestgelegenheid komt. Als er andere vogels in het nest gaan, geen nood, de gierzwaluwen hebben een voorkeur voor gestoffeerde nesten. De gierzwaluwen zullen de andere vogels verjagen.
Gelukkig zijn er veel mensen die zich met de bescherming van gierzwaluwen bezig houden. Zowel in Nederland als in België vind je verenigingen, waar alle informatie die je nodig hebt te krijgen is om de gierzwaluwen een handje te helpen.

Eén van de zeer actieve mensen op dit gebied is mijn collega natuurgids Wim de Bock. Hij woont op een steenworp afstand van OLV Geboorte kerk in Essen. In de toren van de kerk is door een werkgroep veel nestgelegenheid voor de gierzwaluw gemaakt.
En aan zijn  huis hangen nestkasten, die regelmatig bezet zijn door gierzwaluwen. Als er een nest is zet hij er een camera bij, zodat hij vanuit zijn woonkamer kan zien hoe het broedproces verloopt.

 

 

 

 

♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 14

 

 

 

Van het bestuur

Op 11 juni heeft het bestuur vergaderd in de riante achtertuin van Mart. Kristin was er ook bij.
Natuurlijk ging het voornamelijk over hoe we verder gaan in deze moeilijke tijd.

De Driemaster heeft geschreven dat huurders pas na de zomervakantie weer welkom zijn.
De schoolvakantie is van 11 tot 23 augustus.

We hadden al een tijdje het idee om een afsluitende bijeenkomst, zonder repetitie, in een tuin of park te organiseren. Nu hebben we besloten, gezien de reacties van koorleden, dit niet te doen.
Dat betekent dus dat we elkaar voor de vakantie niet meer zien. Het bestuur, en Kristin, wensen jullie een goede en vooral gezonde vakantie. Probeer er zo goed en zo kwaad als dat gaat, er toch iets van te maken.

We hebben besloten dat we de school de eerste week na de vakantie met rust laten en op 3 september de eerste repetitie zullen hebben. Van tevoren gaan we kijken, aan de hand van de stand van zaken op dat moment, op welke manier daar invulling aan gegeven kan worden. Het gaan dan vooral over onderlinge afstand en ventilatie.

In de laatste week van augustus, op zaterdag 29 augustus, willen we een samenzijn organiseren. Gedacht wordt aan een bijeenkomst op het terras van Stayokay, gekoppeld aan een wandeling in Lievensberg of Zoomland. Mart en Ben gaat dit organiseren.

We hebben gesproken over het resterende programma voor 2020.
We houden vast aan een najaarsconcert op 8 november en hebben gebrainstormd over het programma. Daar komen Kristin en de muziekcommissie wel uit.

Voor de agenda blijft, naast het najaarsconcert, staan:
9 december Ondersteuning Kerstdienst KBO Huijbergen
13 december Kerstconcert met Mea Dulcea
16 december Ondersteuning Kerstdienst BAS
19 december concert met Voices in Harmony.

In de vakantie verschijnt geen KOORonaNIEUWS. Het laatste nummer (16) verschijnt op 25 juni.
Als er iets bijzonders aan de hand is, mail dit dan aan allen, of iemand van het bestuur in persoon.

 

 

Van Margreet

Lieve Kristin, mannen en vrouwen van Fortissimo,
Hier ook een verhaaltje van mij. Om te beginnen: ‘t is stil aan de overkant. Ik mis de bedrijvigheid ‘s avonds aan de school wel hoor.

In maart heb ik met een griepje twee weken binnen gezeten. Ik kreeg er antibiotica voor, welke aansloeg en me snel beter maakte. De huisarts en de verpleegkundigen op mijn werk wisten zeker dat ik dan geen Corona kon hebben gehad. ?? Maar, ik was al snel weer opgeknapt en mocht weer gaan werken. Zonder mondkapjes, de desinfectans was weggehaald om daar waar Corona geconstateerd was te laten gebruiken en de handschoenen waren bijna op. Alleen de maten s en xl waren nog voorradig.

Op Stuyvenburgh was gelukkig nog geen Corona geconstateerd, maar ik hield mijn hart vast. Het zal toch niet, vlak voor pensionering dat ik Corona op zou lopen.
Op 28 april zwaaide men mij daar uit en werd ik feestelijk naar huis vervoerd in de duofiets van de Stuif. Om de 20 meter een broer, zus of schoonbroer-zus met vlaggen, ballonnen en toeters. Mijn huis versierd, in de straat hingen bij iedereen de vlaggen uit , het was één groot feest en een ontzettende verrassing. Iedereen kreeg vanaf een tafeltje op afstand een glaasje champagne, gaf in een visnet, met een stok van anderhalve meter, een doe-cadeautje, om mijn pensioen tijd door te komen. Iedereen bleef braaf op afstand staan, dronk zijn glas leeg en ging weer. Het was geweldig.
Officieel ben ik 24 juni een pensionada. Ik heb tot die datum nog vakantiedagen en overwerk om op te nemen.

Ik heb het druk met de opvang van de kleinkinderen, die nu vaak thuis zijn. Verder heb ik al 700 kilometer gefietst. Tijdens zo’n fietstocht kwam ik velden met wilde orchideeën tegen. De gestreepte- en de bijen- orchis. Ik heb een compilatie van vier foto’s mee gestuurd. De orchideeën staan nu in bloei.

Prachtig! Volgende week zijn er slechts restjes bruine stengels te zien.
Verder heb ik ook alweer vier boeken gelezen, ik ben nu in deel vijf van de zeven zussen. Ze lezen heerlijk weg. Een échte aanrader.
Nou, vrienden en vriendinnen, zo staat er mijn leven bij. Het gaat dus goed. Ik houd me taai en ik hoop dat jullie dat ook doen. En zing of fluit gerust lekker buiten op de fiets of tijdens je wandelingen. Het brengt zoveel gezelligheid.
Tot na de lock-down.

Lieve groet, Margreet Ambagts.

 

 

 

Van Clemens

Ik zag twee beren…

Enige tijd geleden ontving ik een mail van René Buijs over ‘Fransche ratten’, een Vlaams verzetslied getoonzet door Vic Nees. De melodie , zeker van de eerste twee regels, is die van ‘Ik zag twee beren broodjes smeren’. René wees mij erop dat in de 19e eeuw (1814), waarin dit lied is ontstaan, er verschillende teksten rondgingen met dezelfde melodie. De tekst voegde zich naar veranderende politieke situaties in België. Reden voor mij daar eens dieper in te duiken.

Eerst de melodie. Er wordt verwezen naar Pruisische marsmuziek van eind 18e begin 19e eeuw. De melodie zou een deuntje zijn uit een van deze marsen. Ik heb in YouTube helaas niets hiervan terug kunnen vinden.
De door ons gezongen tekst is dat van een spotlied: spot op de verdreven Franse bezetter. We hebben het over de Napoleontische tijd.

België heeft zwaar geleden onder de bezetting door de Fransen (1794-1815). Napoleon Bonaparte was eigenlijk een product van de maatschappelijke en economische chaos die was ontstaan na de Franse Revolutie (1789). De veroveringen van Napoleon waren naast dictatoriale machtsuitbreiding ook een export van de ideeën van de revolutie, onder meer de scheiding van kerk en staat en de inrichting van een rechtssysteem en parlementaire democratie.
Veel landen in Europa hebben daar nu nog voordeel van. Naast deze ideële effecten waren er voor de meeste veroverde landen rampzalige gevolgen. Voor België betekende dat onder meer plunderingen, draconische belastingverhogingen, vervolging van Rooms-katholieke geestelijken, inperking van de taalvrijheid. Een en ander leidde tot een zogenaamde ‘Boerenkrijg’, opstand van boeren (zgn. ‘brigands’) die in 1798 bij Hasselt bloedig werd beëindigd.

Interessant is het feit dat in de jaren 1789/90 er een opstand was van zuidelijke Nederlandse provincies tegen de Oostenrijkse vorst Jozef II. In die jaren zou, volgens enige historici, al iets zijn ontstaan van een Belgische nationaliteit. Het bewustzijn daarvan is versterkt tijdens de Franse overheersing in latere jaren. Toen na de nederlaag van Napoleon België werd ondergebracht bij Nederland bleef dit bewustzijn bestaan en bereikte een hoogtepunt in 1830, de losmaking uit het Nederlandse gezag van Willem I. Vele mensen in Wallonië betreurden de scheiding van Frankrijk en de aansluiting bij de Nederlanden. De beweging die daaruit volgde werd ‘rattachisme’ genoemd. Dit heeft niet met ‘Fransche ratten‘ te maken wel met ‘re- attacher’ oftewel opnieuw aansluiten bij Frankrijk. Onder Napoleon was de Franse taal de officiële bestuurstaal van België (toen het ‘Dyledepartement’ genoemd) geworden en lange tijd (tot 1960) waren de Franstalige Walen de overheersende klasse in België. De taalstrijd maakte daar een eind aan.

Terug naar ‘Fransche ratten’. De tekst die wij zingen is wat aangepast, vooral de laatste regels. Wij zingen ‘schoon kanon’.De oorspronkelijke tekst heeft vijf coupletten. Ik zal ze niet helemaal weergeven, wel de laatste  zin van elk couplet.

  1. ‘…door ‘t Keyzers schoon kanon’;
  2. ‘…door ‘t Pruysen schoon kanon’;
  3. ‘…jaegt-ze weg door uw schoon kanon’;
  4. ‘…voor ‘t Russens schoon kanon’;
  5. ‘…door alle ‘t schoon kanon’.

In de overzichten van oud-Vlaamse liedteksten wordt aangegeven dat deze tekst uit 1814 stamt, na de tijd dat Napoleon verliezen leed in Rusland (’t Russen schoon kanon’, 1812) en Leipzig (’t Pruyssen schoon kanon’, 1813). Bij de slag om Leipzig was ook Oostenrijk betrokken (‘t Keyzers schoon kanon’). Al met al is de tekst dat van een verzetslied tegen gehate, jaren durende Franse overheersing.
Overigens de woorden ‘wie de bon bon bon’ hebben hier niets met kanongebulder te maken wel met het Franse ‘oui, de bon bon bon’ wat betekent ‘ja, voorgoed, voorgoed, voorgoed).
Maar tijdens de Franse overheersing luidde de laatste zin van een couplet ‘Bom! Bom! Bom! Widewi Bom, Bom! Zoo klinkt het Fransch kanon’. En waar tijdens de Franse overheersing over ‘Fransche helden’ werd gezongen werd dat in 1814 ‘Fransche ratten’. Wiens brood met eet…

Er is ook een tekst dat een spotlied op de Pruissen is, Franstalig, en vermoedelijk stammend uit 1817. De laatste twee zinnen luiden ‘…’t is een ontuchtsbroodeter die geen halven stuiver waard is’. De tekst is Franstalig en hoogstwaarschijnlijk een teken van verzet van de Franstaligen tegen het verlies door de Fransen of spot met binnentrekkende Pruisische troepen voorafgaand aan de slag bij Waterloo…? Wie het weet mag het zeggen.

In latere jaren werd de melodie de deun van allerlei zogenaamde ‘leugenliedjes ’in verschillende talen zoals:

‘Unser alter Stabsverwalter
tragt den grauen Pelz.
Einen bunte Mütze
ob sie auch was nütze…’

en

‘Ons verlossers zijn de prossers
die ons komen plagen!
Delivrantie en abondantie
kunnen wij alleen wel dragen…

en

‘Kromme, slomme, doove, stomme,
die wilt hooren liegen
komt wat nader, ik en gader
geen menschen bedriegen…’

enzovoort.

Maar in kringen van Vlaamse rechts-radicalen werd weleens ‘Waalse ratten’ gehoord…

Uiteindelijk zongen wij op de kleuterschool: ‘ik zag twee beren broodjes smeren…’

Bronnen:
– Wikipedia
– Florimond van Duyse,
– diverse teksten over de geschiedenis van België onder Napoleon

 

 

 

Van Wim

 

Enkele Fortissimo-begrippen:

Het K.P. oftewel de K.P.-ers.

Dit is een groep leden van Fortissimo die zich in het verleden van het koor wat kritisch en baldadig gedroegen vooral tijdens de vele busreizen. Ze zaten meestal per ongeluk/expres in de achterste regionen van de bus waar ze soms heel fanatiek zaten te kaarten en van waaruit ze meestal bepaalden wanneer er onderweg gestopt moest worden. Dat gebeurde dan met de luide roep REGENEN en geen chauffeur die daar geen gehoor aangaf. Zo gebeurde het ook tijdens de concertreis naar Plzeň in Tsjechië .De K.P,-ers werden zo genoemd door onze toenmalige dirigent Wim Steenbak. Hij vond die groep gewoon Klootjes Publiek ofwel K.P.

Nou dat heeft hij geweten, want meteen na die opmerking besloten de leden van die club om een clublied te maken op de wijze van “IO TI VORIA CONTAR LA PENA MIA“ De tekst luidde :
Wij zijn Kaa-Pejers , wij-ij zijn Kaa-Pejers
Wij drinken nog alleen maar glazen Pivo
Wie moet dat nou betalen, ik niet ik heb geen poen
Haal Pietje er maar bij die zal het dan wel doen.

Ja dit was toen we zo graag PIVO dronken (PIVO is Tsjechisch voor bier).

Weet u nog na het bezoek aan de brouwerij in Plzeň waar we niks te drinken kregen en dat in de tijd dat velen het Tsjechische eten graag vervingen door die fantastische halve liters van het goddelijke Pilzener Urquell.

Dan moet ik nu onthullen wie er zoal deel uitmaakten van dat elite groepje. Ja alle stemmen waren vertegenwoordigd hoor. Jan Steketee,Cees Coppens,Jac Franken,ondergetekendeW.S.,Piet Coppens,Piet Welschot en nog enkele oudleden. Penningmeester was Piet Welschot die we nog altijd aankijken als er betaald moet worden.Weer een Fortissimo geheim blootgelegd.

De Pispalen

Ja in de geschiedenis van Fortissimo is dit een zwarte bladzijde hoor. Deze term maakte opgang begin 70-er jaren. Ja je kunt als mens soms het idee hebben dat je altijd de schuld krijgt als er ergens iets fout gaat. Nou dat gevoel ontstond toen bij de 2e tenoren die zowel tijdens de repetities als na uitvoeringen iets te vaak de Zwarte Piet kregen toegeschoven als er net iets fout ging. Dat liep zo hoog op dat toen zij de keer dat ze het Ceciliafeest moesten organiseren besloten om allemaal een pispaaltje te maken en dat de hele avond te dragen. Dat heeft waarschijnlijk zoveel indrukgemaakt op de dirigent dat hij daarna de term niet meer durfde te gebruiken.

Weer wat wijzer geworden?

Ondertekend
Een van de oude pispalen

 

 

 

Van Fred

Eerder schreef ik over de enorm dikke pakketten veen die in onze omgeving gelegen hebben. Daar is erg weinig van overgebleven. Hier en daar liggen nog kleine stukjes, die angstvallig beschermd worden, zeker als ze aan de oppervlakte liggen. Op veel plaatsen zit veen diep in de bodem. Bijvoorbeeld in het Scheldebekken. Als je daar boort kom je nog veen tegen, overspoeld door Maas- en Rijndelta en later door de Schelde zelf. In de tijd van de turfwinningen te diep onder de klei om te exploiteren.

Bij die natte veengebieden hoorde de Veenmol. Tegenwoordig leeft hij ook in lichte zandgronden en zelfs in zware leemgrond. Gelukkig houden de Veenmollen ook van vochtige en humusrijke graslanden met een voorkeur voor afwisselende waterstanden bij slootkanten, vennen, poelen en plassen.

Genoeg redenen om bij het beheer van natuurgebieden rekening houden met de Veenmol, die kort geleden zeer zeldzaam was geworden, maar tegenwoordig van de Rode Lijst is afgevoerd en alleen nog als kwetsbaar te boek staat. Jammer, want hij is hier nog steeds zeldzaam.

De Veenmol is geen mol, maar een insect. Ze horen tot dezelfde familie als krekels en sprinkhanen. Ze hebben een karakteristieke lichaamsbouw, helemaal aangepast aan het leven onder de grond. Het uiterlijk is ongewoon; een krekelachtig achterlijf met twee uitsteeksels, die dienen als tastorgaan en niet gebruikt kunnen worden om te steken.

Onmiskenbaar is de sterk gepantserde voorzijde en met name de grote, krachtige voorpoten met opvallende klauwen.

De mannetjes worden 35-45 lang, de vrouwtjes een centimeter groter. De vrouwtjes hebben geen legboor zoals sprinkhanen en krekels. Daarom zijn ze moeilijk te onderscheiden van mannen. De adering van de vleugels is anders dan bij de mannen. Nou ja, vleugels…. wat daar in de loop van de evolutie van is overgebleven.

De ogen zijn slecht ontwikkeld, in tegenstelling tot die van sprinkhanen. De voorpoten zijn tot enorme graafwerktuigen geëvolueerd. Ze kunnen er erg snel mee graven. Terwijl de achterpoten van de sprinkhaan enorm sterk zijn, zodat ze ver kunnen springen, zijn de achterpoten van de Veenmol, die uit dezelfde voorouders is geëvolueerd, alleen maar geschikt om het lijf naar voren te kunnen duwen. Gebleven is echter het vluchtgedrag van de voorouders, die nog konden springen: op een aanval reageren de dieren met een snelle slag van de achterpoten. Een zuivere sprongbeweging, die al sinds miljoenen jaren volkomen zinloos is geworden.

De mannetjes worden 35-45 lang, de vrouwtjes een centimeter grotere. De vrouwtjes hebben geen legboor zoals sprinkhanen en krekels. Daarom zijn ze moeilijk te onderscheiden. De aders in de vleugels ziet er anders uit dan bij de mannen.
De Veenmol maakt een ondergronds gangenstelsel. Daarom is hij altijd bestreden, want hij vreet aan de wortel van gewassen, meestal gras. Tegenwoordig zie je dat bijna niet meer vanwege de monocultuur van Engels Raaigras. Daar leeft door de manier van beheer, helemaal niets meer in de bodem, waarvan de Veenmol moet leven. Geen bodemleven, geen Veenmol.
De Veenmollen leven dus nauwelijks van plantenwortels, wél van engerlingen, ritnaalden, vlinderpoppen, meikevers en aardrupsen. Dierlijk voedsel dus. Ze worden zelf gegeten door mollen, spitsmuizen en vogels.
Hij vreet niet aan de wortels om ze op te eten, maar om de planten dood te maken, zodat de zon rechtstreeks de grond verwarmt. Onder de kale plek zit het nest, dat zo groot is als een kippenei. De toegang tot het nest verloopt via lange gangen met meerdere uitgangen. Net als bij dassen, vossen en konijnen.

Het vrouwtje produceert 200 tot 300 eitjes. Eitjes en larfjes worden door het vrouwtje verzorgd. Heel bijzonder voor insecten. De larven vervellen ongeveer acht keer en pas in het tweede of derde levensjaar wordt het beest volwassen. Waar hebben we dat meer gezien?

In het Grenspark is de soort bekend van de Groote en Kleine Meer en van de Leemputten ten noorden van de Nol. De Steertse Heide op Belgisch gebied, is ook een potentieel geschikte biotoop, en ligt in vogelvlucht vlak bij de Groote Meer. Potentieel geschikt, omdat het op dit moment nog voor het grootste deel landbouwgebied is. Het Agentschap voor Natuur en Bos koopt vrijkomende percelen op en de bedoeling is om daar een boccagelandschap te creëren met houtwallen, sloten en poelen. Extensief beheer zorgt voor grote biodiversiteit. Niet alleen goed voor de Veenmol, maar ook voor allerlei andere dieren, zoals felbegeerde Geelgors.

Even een zijsprongetje: het duurt 120 jaar voordat fosfaten uit een bodem zijn gespoeld. Het kwestie van lange adem dus. Als de bodem wordt verarmd door afgraving van de humuslaag, duurt het ook nog 30 jaar voordat de fosfaten er uit zijn.

Kort geleden werden Veenmollen waargenomen in het Moseven bij de Volksabdij.
Ik heb hem één keer gezien, maar wel vaker gehoord. Hij maakt een heel apart geluid: het lijkt wat op de roep van de Rugstreeppad en het gekrijs van de Nachtzwaluw. Iets daar tussenin.
Dat geluid maakt hij alleen in de paartijd, van mei tot juni. Dan komt hij aan de oppervlakte.
Het is zoeken naar een speld in een hooiberg, een ware speurtocht. In het donker, door vaak onbegaanbaar terrein.

 

 

Van Ben

 

Wanneer was dat ook al weer?

In mijn “fortissimolade” vond ik een programma van een circuit van 4 concerten met 4 koren in Bergen op Zoom (première) , Eindhoven, Dongen en Terheijden. Buiten Fortissimo waren de andere koren Jeugdkleinkoor “De Boventonen”, Dietsch Vocaal Ensemble en Les Chanterelles.

Het concert was georganiseerd door SAKO (Stichting Samenwerkingsverband Korenorganisaties Noord-Brabant) met als titel: Brabantse componisten voor Brabantse Koren.

We zongen daar bepaald geen simpel programma, met, zoals je ziet, een flink begeleidingsensemble:

Het concert moet goed in de smaak zijn gevallen getuige het positieve verslag in de plaatselijke pers:

Zijn er bij jullie bij die nog wat meer van dat concert weten? In Bergen op Zoom is het concert in de toenmalige Heilig Hartkerk gegeven. Het zal wel de leeftijd zijn, maar ik kan me er weinig van herinneren.

 

 

 

Van Bas

 

Ja beste mensen, ik moet jullie iets bekennen.

Ik vind dat onze hoofdredacteur Fred met KOORonaNIEUWS fantastisch goed en leuk en fraai werk verricht. Zijn eigen bijdrage is geweldig en dan komt nu mijn bekentenis….daar heb ik hem voor bedankt en gezegd “als ik toch eens 1% van zijn kennis zou bezitten, ik wel een heel eind op weg zou zijn.” Hij antwoordde met “als ik eens 1% van jouw molenkennis zou bezitten……enz.” en zette mij aan om inderdaad wat verhalen over de molen op papier te zetten. Ik ga het proberen…

Daarbij ken ik het geluk, dat ik een dagboek heb bijgehouden en… bewaard natuurlijk. In een multomap noteerde ik alles wat ik meemaakte.

“Ter leering ende vermaeck” ga ik aan
de slag.
Ik hoop dat het u mag smaecken.

Het is 1988 en in Brabants Nieuwsblad van 1 februari verschijnt een artikel over…….

Truus en ik praten er over en zien de lol ervan wel in en besluiten maar eens op bezoek te gaan. Schrik niet Bergenaren, maar op zaterdag 13 februari, de dag van de intocht van Prins Carnaval, stappen we de molen binnen.

We zijn 2½ uur op bezoek geweest en hebben veel gehoord en gezien.
En heeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeel veeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeel kou geleden!!!!
Maar molenaar Bram Pleging geeft ons de raad er eens goed over te denken en het daarna maar laten weten en tevens deze hint
“op de molen heb je het maar 1 keer koud……alleen de eerste keer”.

Dit staat me te wachten, als….

-lid worden van Het gilde van Vrijwillige Molenaars,
-minimaal 150 uur in de molen werken, liefst meer,
-veel over molens lezen en andere molens bezoeken,
-examen doen.

Een eerste conclusie: ik ben in die eerste dagen besmet geraakt door het molenvirus en het sloeg over op Truus. Gelukkig, want het heeft ons heel wat gebracht. Daar kan ik best een verhaal van maken. Zoals ik ook bezoekers op mijn molen uitgebreid kon vertellen en op mooie dingen wijzen.

Ik ga proberen jullie mee te nemen in MIJN MOLENWERELD.
Jullie moeten maar van me aan nemen dat het molenverhaal een heel ingewikkeld verhaal is. Maar verbazingwekkend interessant. Ik hoop dat aan het eind jullie conclusie zal zijn: dit heb ik nooit geweten, ofschoon ik van jullie huidige molenkennis niet op de hoogte ben natuurlijk.

Nieuwsgierig geworden? Dan gaan we nu van start.
Brood, koekjes, taart………….we lusten er wel pap van. Maar ooit, heel lang geleden, heeft er iemand het eerste broodje gebakken. Aan bezoekers stelde ik wel eens voor dat ik een van onze zeeeeeeeer verre voorouders ergens zag zitten op een grote steen. Een soort Jan van As-bank avant la lettre. Even uitrusten en om hem heen diverse keien. Grote en kleine. Opgewarmd door de zon. Onze wandelaar kauwend op een grassprietje. Misschien wel kauwend op wat zaadjes in dat sprietje. Dan krijg je een soort papje in je mond. Iets wat lijkt op het tegenwoordige deeg van de bakker. Maar de tijd dringt. Onze wandelaar moet fluks verder om nog voor de zon ondergaat de nederzetting te bereiken, waar hij met zijn gezin woont.
Van dat papje in zijn mond heeft hij nu wel genoeg en spuugt het uit. Het valt op een van de rond hem liggende warme stenen. Mijn fantasie stijgt tot grote hoogte…….er ontstaat een soort bakproces……er ontstaat een soort koekje. Kortom….we hebben het bakken uitgevonden. Simpel toch!

Later, thuis in de nederzetting, komt alles weer eens bovendrijven en vertelt hij zijn belevenissen aan zijn vrouw. Zij gaat er mee aan de slag en zoekt een steen met een beetje holle kant. Legt daar wat korreltjes in en gaat er met een kleine steen op hakken of wrijven. Zij verkrijgt al doende zo een kommetje met “meel”. Dat’s niet veel. Ze doet het nog eens over en nog eens en nog eens. Zo verzamelt zij net zo lang meel tot zij denkt genoeg te hebben voor een broodje.

Trots als een pauw toont onze allereerste warme bakker haar volkoren brood. U voelt hem al aankomen: dat smaakt en dat gaat ze vaker doen. De buurtjes in het volgende hutje ruiken lekkere geuren. Ze zeggen “ick wol naer mien naober tou”. En zo maar ineens worden onze wandelaar-uitvinder en zijn vrouw  startende ondernemers. Er moet een grotere opbrengst komen. Ze gaan een iets grotere steen gebruiken als ondersteen en een iets grotere als strijksteen. Maar dat is zwaar werk zeg. Wat kunnen we daar nou eens aan verbeteren……

Nou, zo dus. Zo’n steen kunnen jullie in Huijbergen bewonderen. In molen Johanna staat er een en nog veel meer.

Gaat dat zien!!!

Maar alles met menskracht.
Er kwam behoefte aan meer opbrengst en daar kwamen grotere stenen voor.
Toen werd het nodig om andere energiebronnen dan menskracht aan te boren.
Daarover ‘n volgende keer.

Ondertussen gaan jullie waarschijnlijk op vakantie.
Nee, ga nou niet meteen alle molens in Nederland bezoeken. Rustig aan.
Maar zo hier en daar zou je er best eens kunnen binnenstappen als jullie toevallig toch in die buurt zouden zijn…….
Bijvoorbeeld……

Truus en ik zijn hier al minstens 1x binnen geweest….
of er bij gestaan………

 

 

♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 13

 

Van Fred

Koornetwerk Nederland geeft regelmatig een update van de Corona-maatregelen en wat die voor koren betekenen. De laatste update plak ik hieronder in onze nieuwsbrief, zodat jullie op de hoogte zijn. Kijk op de website van Koornetwerk.nl voor de bijgewerkte protocollen.

Binnen het bestuur van Fortissimo gaan regelmatig mailtjes rond over de toestand zoals die nu is. En natuurlijk over wat we, zonder direct een repetitie te organiseren, zouden kunnen doen om elkaar weer eens te zien. Binnenkort zal het bestuur hierover vergaderen. Als jullie ideeën hebben horen we dat graag.

Beginnen of niet beginnen,
dat blijft de vraag…

Een kort antwoord is hier niet op. De overheidscommunicatie is er niet eenduidig over. Maar ook binnen koren en tussen dirigenten zelf lopen de opvattingen uiteen.

Wat zegt de overheid nu? (dd 1 juni 2020)
Samen zingen is weliswaar vanaf 1 juni niet meer verboden, maar het RIVM adviseert om de activiteiten nog niet te hervatten in afwachting van nader onderzoek. Voor professionele koren onderzoekt het ministerie van OCW al wel of het mogelijk is om te starten, op basis van een goed protocol. Het blijken dagkoersen: op het moment van publicatie kunnen de teksten op de website van de rijksoverheid al weer verder zijn aangepast.

Is er al een protocol voor de koorsector?
Jazeker. De professionele koren hebben daar in samenwerking met de Nederlandse associatie voor podiumkunsten (NAPK) hard aan gewerkt. Voor de amateurkoorsector heeft Koornetwerk Nederland een protocol ontwikkeld samen met andere cultuurpartners in Cultuurconnectie. Onderling is er afstemming geweest: beide protocollen bevatten zo dezelfde basisuitgangspunten om veilig samen te kunnen zingen. Deze uitgangspunten zijn onder meer gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en protocollen uit Duitsland.
Uiteraard gelden daarnaast ook algemeen geldende hygiëne maatregelen die ook voor andere sectoren gelden. Met deze protocollen kan volgens de professionele én de amateurkoorsector veilig gezongen worden. De protocollen zullen worden toegezonden aan het ministerie van OCW en we hopen dat op basis hiervan het slot van de sector af kan om zo in fasen weer op te starten.

Maar wat er in het protocol staat is voor mijn koor niet haalbaar!
Koornetwerk Nederland realiseert zich dat ‘ons’ het protocol nog niet voor elk amateurkoor een optie is. Het vraagt namelijk een flinke binnenruimte en een wijde onderlinge afstand van 3 meter tussen de zangers. Dat zal niet elk koor prettig vinden of als haalbaar oordelen. Toch is die ruimte en afstand in dit stadium nodig, om geen onverantwoorde risico’s te nemen. In de tussentijd gaat het onderzoek door. Dat gebeurt in verschillende landen en in Nederland onder meer door VirMus en het RIVM. Op basis van dit onderzoek, nieuwe kennis en nieuwe inzichten wordt het protocol steeds geactualiseerd. We hopen dat de koorsector op deze manier tot 1 september gecontroleerd en kleinschalig van start kan. Met de ervaring die dit oplevert hoopt Koornetwerk Nederland vanaf 1 september een aangepast protocol te hebben dat het voor meer koren mogelijk maakt om veilig samen te zingen. 

Wat is en was het standpunt van Koornetwerk Nederland nu eigenlijk?
Vanaf het moment van uitroepen van de intelligente lock down is Koornetwerk Nederland aan de slag gegaan om de koorsector te ondersteunen, om overheidscommunicatie in praktische handvatten te gieten, om specifieke behoeftes en noden van de koorsector en om een manier te vinden om weer te kunnen starten. Steeds stond hierbij bovenaan: alleen starten als het veilig kan. Dit standpunt van Koornetwerk Nederland is niet gewijzigd.
Waar tijdens de volledige lock down de situatie weliswaar heftig was, was deze voor koren ook duidelijk: samen zingen doen we voorlopig niet, want we blijven thuis. Vanaf de aankondiging van de versoepelingen is er verwarring gegroeid, soms tot bijna absurde proporties. Bij de eerste aankondiging van versoepeling kreeg koren bij overheidsinstanties tegenovergestelde antwoorden over wat mag en wat veilig zou zijn. De laatste week van mei mondde dat uit in de cryptische mededeling: ‘zingen is niet toegestaan, maar het is niet verboden’. Versoepelingen die eerder golden leken weer ingetrokken in afwachting van nader onderzoek. Koornetwerk Nederland heeft daarom sinds het begin van de versoepelingen aangedrongen om meer duidelijkheid. Die duidelijkheid kwam met het advies om nog nader onderzoek af te wachten alvorens activiteiten te starten.

In de afgelopen weken is er in binnen- en buitenland veel kennis opgedaan over het virus en over zingen. We weten nog lang niet alles, maar wel meer. Onderzoek op basis waarvan elders in Europa intussen gestart wordt met zowel zangers als blazers, is door het ministerie van OCW voldoende bevonden voor de blazers. Het ministerie geeft daarbij aan dat het ook voor professionele koren mogelijkheden ziet om met een protocol veilig te starten. Dit perspectief wordt ondersteund door de professionele koren en Koornetwerk Nederland: samen zingen kan en kan ook veilig.
Een gecontroleerde en kleinschalige opstart ook voor de amateursector kan dan beginnen, op basis van duidelijke richtlijnen, gezond verstand en eigen verantwoordelijkheid van de koren, óók om te leren in de praktijk.

Tot slot: blijf elkaar respecteren, alleen samen kunnen we weer samen zingen!
Ten slotte nog een hartenkreet: Kom er als koor samen uit! Al te vaak zien we discussie in allerlei media met voor- en tegenstanders van opnieuw starten. Het gaat er soms fel aan toe, Koornetwerk Nederland wil benadrukken dat het belangrijk is in deze nog onzekere tijd elkaar te blijven respecteren. De koorsector gaat over samen zingen. Dat kan alleen in onderling respect en vriendschap. Dus heb begrip voor elkaar standpunt. Hoewel we nu gepaste afstand moeten houden, moeten we eendrachtig te toekomst in.

Daphne Wassink,
Voorzitter Koornetwerk Nederland.

 

 

 

Van Ben

Beste Kristin en alle leden,

Hartelijk dank voor jullie reactie die we vorige week in dit blad zijn tegengekomen. Wat blijft het toch een dubbel gebeuren! Angst en verlangen wisselen elkaar regelmatig af. Ikzelf en ook anderen dachten aan kleinere groepjes die ergens buiten zouden zingen. Uit datgene wat jullie schreven moet ik echter vaststellen dat de meerderheid er voor is te wachten, tot het gehele koor weer kan repeteren. Ik heb daar lang over nagedacht en, ik denk dat diegenen die dit opmerkten gelijk hebben! De kans zou kunnen bestaan dat er door wel of niet deelnemen er verdeeldheid ontstaat. Dat is wel het minste wat we willen!
De gegevens die we van verschillende kanten krijgen, zoals van Gemeente, KBZON en Koornetwerk geven nog weinig duidelijkheid. Dat geeft de burger nog geen moed! Ik zoek de regenboog, die na fikse regenbuien het zonniger weer aankondigt:

Daarnaast zitten we waarschijnlijk allemaal te wachten op de dag dat we kunnen zeggen:

Beide nummers hierboven zijn door Cees Thijssen gearrangeerd voor gemengd koor, maar daar kan Kristin prima een partij voor mannenkoor van maken, denk ik.

Beste mensen, houd er rekening mee dat dit KOORonaNIEUWS ook op vakantie gaat! We zullen op tijd laten weten wanneer de laatste uitgave voor “de vakantie” is, zodat je je laatste artikel of reactie er nog in kwijt kunt. Natuurlijk krijg je na de vakantie zo snel mogelijk informatie over hoe we verder gaan.

Fred was afgelopen zondag, 31 mei jarig. Ik heb hem gebeld, maar hij verdient natuurlijk véél meer…… We hadden misschien voor het raam moeten staan zingen?

Ik wens diegenen die donderdagavond skypen met Kristin veel plezier. Ik ben voorlopig, tot de start van de repetities op die avond bezet.

Tot volgende week en ….het gaat je hopelijk goed.

 

 

 

Van Fred

Een groot deel van de Kalmthoutse heide heeft een podzolbodem. Die gronden zijn genoemd naar het Russische begrip podzol en podzol staat voor as.

Door wegzijgend water spoelen humus en mineralen weg. Onder de toplaag zit een asgrijze loodzandlaag (vandaar de naam). Daarna volgen een reeks inspoelhorizonten. Als je met een grondboor de grond in gaat en voorzichtig het zand naar boven haalt en horizontaal legt, kun je de verschillende lagen goed zien.

Eenvoudiger is het om de hei op te gaan en stijlranden te zoeken. Daar kun je de lagen direct zien. Heel belangrijk zijn zulke stukjes natuur. Ze zitten in de zomer vol met allerlei soorten graafbijen- en wespen.

Er zijn verschillende soorten podzolgronden. Het hangt van het vroegere grondgebruik af hoe die heten en er uit zien. In de heide zie je in het profiel die grijze laag duidelijk. Je kunt in het hele profiel zien dat er plantengroei (heide) is geweest, die later weer ondergestoven is.
Op sommige plaatsen is er maar een heel duin laagje stuifzand. Als je daar even met je voet schuift zie je de zwartgrijze uitspoellaag. Nu ga ik jullie niet vermoeien met alle soorten podzolgronden.
Die van de hei is nu even het belangrijkst, want ik ga het hebben over de Mierenleeuw. Die zit graag onder de overhangende toplaag van de podzolbodem in het losse zand.

Mierenleeuwen danken hun bijzondere naam aan hun roofzuchtige larven. Hun favoriete prooi zijn mieren. De larven graven een trechtertje in mul zand. Ze graven zich met hun achterlijf spiraalsgewijs in en gooien het zand met hun kop naar boven. Uiteindelijk steken de grote kaken van de larve net boven de bodem uit. Mieren en ook wel andere nietsvermoedende prooien zoals spinnen en rupsen lopen langs het trechtertje, waardoor wat zandkorreltjes naar beneden in de trechter rollen.

Dat is het moment voor de mierenleeuw om in actie te komen. Hij gooit een regen van zandkorrels naar de prooi, die daardoor zijn grip verliest, uitglijdt en in het kuiltje valt. Met zijn enorme kaken grijpt de mierenleeuw zijn prooi. Onmiddellijk spuit hij verlammend gif in en vervolgens zuigt hij de prooi leeg.

Met zijn harige poten en lijf houdt hij de prooi vast, mocht deze niet onmiddellijk verlamd zijn.

De larven graven hun trechterkuilen vaak dicht bij elkaar en vormen zo grote kolonies. Als er voedselschaarste is kunnen ze wel acht maanden overleven zonder voedsel. In de herfst graaft de larve zich dieper in en houdt winterslaap. Meestal in de lente van het derde levensjaar eindigt het larvestadium. Hij stopt met eten en begint te verpoppen. Als hij een helemaal volgroeide larve is maakt hij draden vanuit zijn darmen om een cocon te spinnen. Dit doet hij in een nest op de grond. Na één maand is hij klaar om uit te vliegen.
De volwassen mierenleeuw lijkt helemaal niet op de larve, maar eerder op een waterjuffer. Hij legt evenals de waterjuffer zijn vleugels langs het lijf. Maar anders dan bij de waterjuffer vormen de vleugels een “dakje” boven het achterlijf. De mierenleeuw lijkt nog het meest op de gaasvlieg. Ook wat vliegen betreft. Een beetje een onhandige vlieger. Niet snel, noch wendbaar.

De Mierenleeuw is nachtactief en rust overdag op planten. Hij leeft maar een paar dagen. Na het paren legt het vrouwtje eitjes in het zand en sterft dan. De eitje groeien uit tot larven en dan begint de cyclus opnieuw.

Er zijn veel verschillende soorten mierenleeuwen wereldwijd wel 600, in Europa 40 soorten en in Nederland komen maar twee soorten voor. In volwassen staat lijken ze op het eerste gezicht op libellen, maar hun stevige knotsvormige voelsprieten tonen dat ze tot een heel andere insectengroep horen.
Op de foto hieronder een Mierenleeuw die ik in Frankrijk heb vastgelegd. Een heel grote, die in Nederland niet voorkomt.

De Mierenleeuw is gelukkig nog niet echt zeldzaam, maar hij is wel afhankelijk van mul zand van de juiste korrelgrootte. Soms is het verrassend waar je ze tegen komt. Zo werd ik een keer bij een leegstaande kippenhok geroepen. Allemaal trechtertjes in het zand “terwijl mijn overleden man het dak toch echt waterdicht had gemaakt”. Snel kon ik mevrouw laten zien dat zij een dierentuin vol leeuwen in het hok had.

Als ik met kinderen op pad ga, maar ik het altijd extra spannend door te zeggen dat we onderweg ook op leeuwenjacht zullen gaan. En ik moet zeggen dat ze altijd onder de indruk zijn van de enorme kaken van de larve.

Deze week was ik met een aantal gidsen op pad om te bekijken of het mogelijk zou zijn om excursies te verzorgen met inachtneming van de 1,5 meter maatregel. Dat was al erg lastig, want je wil mensen het een en ander dat je onderweg tegenkomt laten zien.

Ik had zo mijn twijfels, maar helemaal aan het eind van onze wandeling werd iedereen duidelijk waarom. We zagen een plek met tientallen kuiltjes onder een afdak, ontegenzeggelijk van mierenleeuwen. En ik had geluk: geen van de deelnemers was van de leefwijze op de hoogte. Men keek al naar boven waar het dak gelekt kon hebben; het had al weken niet geregend.

Ik ging op mijn knieën, nam zoals altijd, een complete trechter op en zeefde het zand tussen mijn vingers door weg. Een ja hoor: de mierenleeuw. En onmiddellijk had ik acht gidsen in mijn nek om hem te bewonderen.

Anderhalve meter-test mislukt……….

 

 

 

Van Bas

Triestig hè, dat coronanieuws.
Leutig hé, dat KOORonaNieuws.

Deel 5.

Wat leuk dat mijn bijdrage aan KOORonaNIEUWS reacties heeft opgeroepen. Als ons ooit de kans wordt geboden om al zingend weer aan de slag te gaan, hebben we nu alvast gespreksstof voor de pauze op de plank liggen.

Op het verhaal van Ben over ome Nico, de directeur van de Ambachtsschool, wil ik nu al reageren. Hij schreef namelijk niet alleen over zijn oom, maar ook over zijn tante èn over neven en nichten.

Een van die nichten was Riet en zij was en ik citeer uit het werk van Ben “haar hele leven administratief medewerkster op de LTS”. Ik heb geen idee in welk jaar haar loopbaan is begonnen, maar er bestaat een kansje dat zij in opdracht van haar vader de brief heeft getypt waarin directeur N. Huijsmans mijn vader mededeelde dat zijn zoon in 1951 niet als leerling van de Ambachtsschool zou worden toegelaten. Dat briefje konden jullie zien in KOORonaNIEUWS no. 7. Later, vanaf 1968, kwam ik haar in het echt tegen. Ook daar heb ik wat van bewaard. Het was een mededeling over toekomstig pensioen en als administratief beambte ondertekende: M. Huysmans.

Merk wel even op dat Huijsmans ondertussen in Huysmans is veranderd. Maar het is dezelfde persoon hoor.

Ons erelid Jan Hendrickx schreef over zijn oorlogsherinneringen. En zijn oorlogsverzameling. Ik ben wat jonger en heb veel minder herinneringen.

Een van de herinneringen hangt hier altijd voor me: een kruisje. Mijn herinnering is vaag, moet ik toegeven: er was ergens een vliegtuig neergestort. Met mijn vader ben ik er heen geweest. Dus zou het kunnen zijn geweest in 1944. Bij de Heimolen of nabij de Moerstraatsebaan. Mijn vader heeft daar wat stukjes mica meegenomen en er dit kruisje van gemaakt.

Zo zien jullie maar:
“Wie wat bewaart, die heeft wat”.

Dat is langgeleden.
Nu het heden.

Corona houdt ons nog steeds in de greep. Het gros van onze medemensen doet zijn best om het virus te overwinnen.
Ik kwam een leuk voorteken tegen……….

We zitten in de lift….
En Corona is aan het verliezen.
Het is nog slechts Orona.
We zijn op de goede weg.
Nog 5 letters te gaan en het virus is de wereld uit.

Pas goed op uzelf en allen om u heen.
Bas

♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣

 

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 12

Opmerking vooraf:
De reacties van koorleden op de oproep van voorzitter Ben de Groot, zijn om privacy-redenen niet in deze editie van de nieuwsbrief opgenomen.

 

Van Fred

Bladerend in een oud familie-album kwam ik deze foto tegen. Mijn moeder leest de krant of ze poseert er alleen maar mee, dat weet ik niet.

Het artikel dat we ondersteboven zien gaat over het ingebruiknemen van de Ulm. “Rijkspolitie bromt beter en sneller dan de nozems” luidt de kop.
Ik kwam er achter dat de krant dateert van 2 september 1964. Ik was toen 15 jaar en dus nog niet rijp voor de politieschool, ik had er ook nog nooit over nagedacht om bij de politie te gaan.
Misschien mijn moeder wel. Ze kwam tenminste later, tegen de tijd dat ik van de Mulo kwam, met een advertentie uit de KRO-gids om mij te bewegen bij de politie te gaan. Bijna elke week stond er wel zo’n advertentie in: de ene keer een politieman in actie tijdens de watersnood van 1953, de andere keer op patrouille per paard in de duinen. Afijn, zoals jullie weten, heb ik mijn hele werkzame leven bij de politie doorgebracht.

Op zo’n Ulm heb ik heel wat uurtjes van hot naar her gesjeesd. Het was een DKW-brommer die wel 80km per uur kon rijden. Ik vond dat levensgevaarlijk, het waren zwabberdingen vergeleken met mijn opgevoerde Rap-Rocky, die ook minstens…… o nee dan mag ik niet zeggen. In ieder geval konden wij die nozems, ook met 80km per uur, niet bijhouden. Dan kun je maar beter de achtervolging niet beginnen.

Het krantenartikel vond ik op internet.
Delpher is een leuke website om historische kranten te raadplegen.

Let op Corona!

 

 

 

Van Clemens

 Kaktus

Enige tijd geleden zongen wij ‘Mein kleiner grüner Kaktus’ in 1934 uitgevoerd door de Comedian Harmonists. Het lied is gecomponeerd door Bert Reisfeld e.a. De tekst is niet meer dan een cabareteske grap: ik heb geen bloemen, maar wel een cactus en daar kan ik anderen mee steken, maar het kan ook per ongeluk van mijn balkon vallen en mijn onderbuurman zeer doen. De Comedian Harmonists waren als zanggroep heel populair. Om iets van hun opkomst en verdwijnen te begrijpen is het van belang iets over Duitsland in het interbellum (de tijd tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog) te vertellen.

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft ook de Duitse bevolking enorm geleden. Er is veel bekend en geschreven over de vreselijke slachtpartijen tussen de legers aan de fronten in België en Frankrijk. Relatief minder aandacht krijgt het gegeven dat in Duitsland, door de blokkade van Duitse havens door de Engelsen, er sprake was  van enorme voedseltekorten. Honderdduizenden stierven de hongerdood. Deze ellende (ook allerlei ziekten)  en andere economische tegenspoed waren mede de oorzaak van motivatieproblemen binnen het Duitse leger. Een opstand van matrozen in 1918 zette een beweging in gang dat onder meer uitmondde in de vlucht van de vroeger keizer Wilhelm naar Nederland (Doorn). De blokkade bleef duren tot 1919 wat betekende dat voor de meeste Duitsers er helemaal geen verbetering van hun omstandigheden in het verschiet lag. Toen de winnende  partijen, met name Frankrijk, bij de vredesonderhandelingen te Versailles, herstelbetalingen eisten betekende dat een nog langer duren van economische malheur met onder meer hyperinflatie. Als kind (mijn grootouders waren in 1904 uit Westfalen naar Nederland geëmigreerd)  heb ik bij mijn tante veel gespeeld met dat ‘inflatiegeld’: briefjes van 100.000 tot 10.000.000 mark! Daarnaast was de bestuursstructuur uiterst instabiel: er was een voortdurende strijd om de macht met vele slachtoffers, groepen militairen vormden knokploegen die elkaar bestreden en de voormalige hoofdstad Berlijn werd vervangen door Weimar waar lange tijd  snel wisselende regeringen hebben gezeteld (de zogenaamde Weimarrepubliek). Deze instabiliteit en voor veel mensen zeer grote onzekerheid waren een vruchtbare bodem voor de rechts-radicalen. Zo richtte Adolf Hitler in 1923 de ‘Nazionalsozialistische Deutsche Arbeiters- partei’ (NSDAP) op met een eigen militie  de ‘Sturmabteilung’(SA).

Na  stevige financiële impulsen door de V.S. (geldleningen) begon een periode van relatieve rust en welvaart die duurde van ongeveer 1924 tot 1929. In die jaren profiteerde een relatief klein aantal Duitsers van deze economische opleving. De meesten, waaronder boeren, niet of nauwelijks. In deze periode bloeide Berlijn op als culturele hoofdstad van Europa. Waar vóór de Eerste Wereldoorlog het Wenen en vooral Parijs waren waar onder meer muziek, beeldende kunst en  dans floreerden was nu Berlijn aan de beurt. Op muzikaal gebied  gebeurde er interessante dingen. De oude romantiek werd voortgezet door onder meer Max Reger. Er waren ook componisten die in hun werk een politieke opdracht zagen: zo componeerden mensen als Bertolt Brecht, Kurt Weil, Hanns Eisler in het kader van links politieke bewegingen.

Comedian Harmonists 1930. Stehend von links: Roman Cycowski, Robert Biberti, Ari Leschnikoff; stehend ganz rechts: Erich A. Collin; sitzend links: Erwin Bootz; sitzend rechts: Harry Frommermann.

In 1928 werden de Comedian Harmonists opgericht in Berlijn. (zie de foto hierboven) Aanvankelijk werkten zij in de traditie van de cabarets en revuevoorstellingen die in die jaren in Berlijn dagelijks te bezoeken waren. In de jaren later – ondanks de ‘krach’ van 1929 die voor nieuwe economische ellende zorgde – braken zij door, getuige een enorme verkoop van grammofoonplaten (breekbare schellak, 78 toeren) en uitverkochte zalen (die zij aanvankelijk tevoren zelf moesten huren).

In 1933 werd Hitler – eigenlijk bij gebrek aan beter – kanselier. Men had de naïeve verwachting dat andere conservatieven in het toenmalige kabinet Hitler wel zouden ‘temmen’. Maar dit gebeurde dus niet en met behulp van stevige propaganda (Joseph Goebbels) wist Hitler de democratie uit te schakelen en een dictatuur te beginnen. Voor de Comedian Harmonists betekende dit het begin van hun einde als zanggroep.

Hoe zat dat? De groep bestond uit zes leden waarvan er drie Joods waren (namelijk Collin, Frommermann en Cycowski waarvan Harry Frommermann degene is geweest die in 1928 de zangers bij elkaar bracht). Dit leidde in 1933 tot afzeggingen van contractueel overeengekomen concerten. Een breuk met eerdere perioden waarin de zanggroep ongeveer 150 concerten per jaar gaf!  Goebbels richtte in 1933 een zogenaamde ‘Reichskulturkammer’ op waarvan ook musici lid moesten zijn. Later  bepaalde hij dat alleen Ariërs lid mochten zijn[1]. Voor de drie Joodse leden betekende dit dat voor hen werken in Duitsland onmogelijk werd. Om verplichtingen af te handelen werd toestemming gegeven om concerten te geven tot 1934. Er bleef vervolgens niet meer over dan in het buitenland op te treden. Zo traden zij op in Denemarken, Noorwegen en de V.S. (New York). Na terugkeer in Berlijn gaven zij een concert in Italië (wel fascistisch maar niet antisemitisch), Een laatste optreden was in 1935 te Noorwegen. In die periode werd het de niet-Joodse leden van de groep (Biberti, Bootz en Leschnikoff)  verboden  met Joodse artiesten op te treden. De Joodse leden van de Comedian Harmonists kregen een beroepsverbod opgelegd. De groep viel uiteen: de drie Joodse leden vertrokken naar het buitenland. Er werden drie nieuwe zangers gevonden en onder de naam ‘Comedy Harmonists, boekten zij successen tijdens tournees in Europa (niet Duitsland), Australië en Zuid-Amerika. In 1941 viel de groep uit elkaar.
De drie zangers die in Duitsland waren gebleven vormden met drie andere zangers een groep die uiteindelijk de naam ‘Meistersextett’ voerde. Ook zij maakten platenopnames maar er waren onderlinge conflicten en de muziek holde kwalitatief achteruit. De groep hield op te bestaan in november 1941.
De leden van de Comedian Harmonists hadden geen politieke boodschap. Hun muzikale leven werd vooral bepaald door artistieke inspiratie en commerciële factoren. Na de Tweede Wereldoorlog hebben zij nooit meer in de oude samenstelling opgetreden. In 1998 overleed de bariton Roman Cycowski, als langst levende lid van de vroegere Comedian Harmonists.

Wij zongen ‘Men kleiner grüner Kaktus’. Als je de oorspronkelijke versie hoort dan valt vooral het tempo op: die ligt veel hoger dan bij onze uitvoering. Voorts blijken de coupletten door solisten te worden gezongen met op de achtergrond ‘close harmony’ neuriënde zangers. Ooit waren zij geïnspireerd door een Amerikaanse zanggroep The Revelers en namen bepaalde ‘close harmony’ interpretaties over met vooral Duitse teksten.

Misschien zouden we in de toekomst een deel van een concert kunnen wijden aan muziek uit het Berlijn van het interbellum. Er is mogelijk koormuziek van Weil, Brecht of Eisler te vinden. Wat laten horen van de Comedian Harmonists zou een leuke afwisseling zijn!

Bronnen:
Wikipedia over
– Comedian Harmonists
– Interbellum in Duitsland
– Konrad Boehmer (2011), Lezing bij het concert ‘Denn wovon lebt der Mensch’ door het Nieuw Kamerkoor te Delft.
– In YouTube zijn veel uitvoeringen van muziek door de Comedian Harmonists te vinden. Interessant is de documentaire ‘Es begann in Berlin’, gewijd aan deze groep en ook in YouTube uitgebracht.

[1]     In Nederland werd na 1940 door de Duitse bezetter een Kultuurraad ingesteld. Vele kunstenaars weigerden daaraan deel te nemen. Ons erelid Henk Badings was wel lid wat hem na de Tweede Wereldoorlog tot 1947 een beroepsverbod opleverde.

 

 

Van Fred

Mijn uitgangspunt bij het vertellen over soorten is steeds het type beheer dat bij die soort hoort. De “Europese opdracht” voor Nederland en België is het bevorderen van de biodiversiteit door vennen, landduinen en heidevlakten in ere te herstellen. Vaak lukt het om voor elkaar te krijgen wat de bedoeling is. Het aantal broedparen van de Nachtzwaluw is de afgelopen 10 jaar behoorlijk gestegen.
Als er geen open terrein is, zijn er geen Nachtzwaluwen. Ze zitten in de buurt van bosranden, want daar jagen ze. Die zijn dus ook een voorwaarde voor het succes van de Nachtzwaluw. Liefst met een mooie overgangszone waar ik het ook al eerder over had.

De Nachtzwaluw is een heel bijzondere vogel. Wij noemen hem wel “zwaluw”, maar het is geen zwaluw. Dat geldt trouwens ook voor de gierzwaluw. Dat brengt mij op het idee om over díe vogel ook eens een verhaal te schrijven.
Nu eerst de Nachtzwaluw.

 

Eind april, begin mei komen eerst de mannetjes vanuit Afrika hier aan. Zij gaan onmiddellijk naar hun uitverkoren gebied: de heidevlakten. Vanaf het ogenblik van hun terugkeer laten ze ‘s nachts hun indringende roep horen. In het begin klinkt hij nog zachtjes, maar vanaf het moment dat de wijfjes aankomen wordt het geratel sterker en sterker. Inderdaad, geratel, want je kunt hun zang best vergelijken met een houten ratel.

Als je dat geluid ooit hebt gehoord, vergeet je het nooit meer! Het is tot twee kilometer ver hoorbaar en het kan tot 20 minuten aan een stuk duren.
Onderzoek heeft uitgewezen dat de zang uit 35 noten per seconde bestaat. Daar kunnen wij als koor niet aan tippen! Voor het menselijk oor is het niets anders dan geratel.
Als je het geratel hoort, heb je er gratis applaus bij: de vogel slaat boven zijn hoofd de vleugels tegen elkaar. Dat maakt het geluid alsof er iemand in zijn handen klapt. Daarnaast roept hij ook nog “oewiet” of iets dergelijks. In ieder geval een angstaanjagend geluid.
Als je het nog nooit hebt gehoord is het een onvergetelijke ervaring. Je hoort niet één Nachtzwaluw, je hoort er altijd meer.
Angstaanjagend? Ja natuurlijk. De vogel zal je overdag zelden zien vanwege de teruggetrokken leefwijze en de schutkleur.

Om hem te spotten moet je ’s nachts op de juiste plek zijn. Veel mensen zijn om de een of andere reden sowieso bang in het donker en dan komt dat geluid er ook nog bij.
De balts vindt plaats in de schemering. Het mannetje vliegt voor het wijfje en wringt zich in allerlei bochten om indruk te maken. Af en toe gaat hij op een tak zitten en “snort” hij zijn uitverkorene toe. Als het wijfje antwoordt, weet hij hoe laat het is. Hij gaat haar dan snel achterna, waarbij hij zijn vleugels af en toe helemaal omhoog brengt, zodat zij de witte vlekken op zijn staartveren duidelijk kan zien.

Hij klapt dan ook met zijn vleugels, tot het vrouwtje op de grond landt om te paren. Op die plek legt het wijfje ook twee melkwitte, grijs- en bruingevlekte eieren op de grond.
Nachtzwaluwen maken geen nest, het wijfje maakt hooguit de nestplaats wat schoon. Bij het invallen van de duisternis lost het mannetje het vrouwtje af, zodat zij ook op jacht kan.
Zoals ik al schreef, de nachtzwaluw is overdag moeilijk te ontdekken. Als een broedend vrouwtje per ongeluk, toch eens wordt verrast, dan doet zij net of zij vleugellam is om de belager weg te lokken van het nest.
Het mannetje legt zich overdag te rusten om een boomtak, waarbij hij in de lengterichting van de tak ligt. Ook op die plek nauwelijks te onderscheiden van de omgeving.
Na ongeveer drie weken komen de jongen uit. Ze lopen al na zeer korte tijd rond. Dat is geen overbodige luxe, omdat het nest (of wat daarop moet lijken) op de grond is. De jongen zijn ook pas ’s avonds actief.
De jongen worden ongeveer 2 ½ week gevoerd. Daarna redden ze zichzelf. Meestal is er dan al een tweede legsel.

In een slechte zomer gaan de Nachtzwaluwen in hongerstaking. Ze liggen in de lengterichting op een tak en vervallen in een soort hongerslaap. De lichaamstemperatuur daalt tot ongeveer de omgevingstemperatuur. De onderkoelde Nachtzwaluw verstart en hij wacht, in een soort coma, op betere tijden. Zo’n verstarring kan vele dagen duren.

De jacht op insecten verloopt zeer effectief.
Als het schemert jaagt hij horizontaal en als het donkerder wordt gaat hij naar de grond en speurt de hemel af. Ze vliegen loodrecht omhoog om de prooi te grijpen. Ook op de grond zoekt hij naar kevers en andere insecten. Maar nachtvlinders zijn de favoriete prooi.

Om te jagen heeft de Nachtzwaluw een zeer eigenaardige bekconstructie. De snavel kan zowel verticaal als horizontaal worden geopend. Daardoor ontstaat een enorm gat. Dit vangnet wordt nog een vergroot door borstelhaartjes die zich eromheen bevinden, zodat de kans op het missen van de prooi tot bijna nihil wordt herleid.

Vanaf half augustus tot half oktober trekken groepen Nachtzwaluwen weer naar de streek rond de evenaar.

“Onze” Nachtzwaluw heet in het Latijn: Caprimulgus Europaeus. Er zijn over de wereld wel 90 soorten en 38 geslachten nachtzwaluwen. Die van ons heeft een spanwijdte van 60 cm, is 25 cm lang en weegt 70 gram.
“Capri” betekent “geit” en “mulgus” betekent “melker”. Vroeger dacht men dat de Nachtzwaluw de geiten molk. Vandaar de naam Geitenmelker in onze streken, en Ziegenmelker in het Duits. Het Italiaanse Succiacapre duidt hier trouwens ook op.

 

Nachtratel, windhapper, windmuil komen voor en in het Fries Deislieper oftewel dagslaper. In het Surinaams Oroecoekoe. Nou ja, waar dat vandaan komt weet ik niet. Het zal niet de Europese zijn, denk ik.

Het zal je niet verwonderen dat de Nachtzwaluw voorkomt in veel volksverhalen en bijgeloof.
*Als de geiten angstig mekkeren is de Nachtzwaluw in de buurt.
*De geiten zouden blind worden van het melken en hun jongen zouden sterven als ze worden gemolken door de Nachtzwaluw.
*De vogel zelf zou ziekte, dood en ongeluk brengen.
*Als je de “nachtuil” hoorde wist je dat er iemand ging sterven.
*De Nachtzwaluwen zouden rusteloze geesten van misdadigers hebben aangenomen.

Het is telkens weer een belevenis een Nachtzwaluw langzaam langs de toppen van de dennen in de heide te zien glijden en daarbij te luisteren naar zijn roep en vleugelgeklap.

Héél af en toe is er een nachtexcursie voor de Nachtzwaluw. Ik heb die voor het Grenspark gedaan. Voordat ik een excursie leid ga ik altijd tevoren voorwandelen, of in dit geval, op zoek naar de Nachtzwaluw.
Op de avond vóór de excursie was ik op de plaats van bestemming. Om precies 22.15 uur hoorde ik de eerste Nachtzwaluw roepen. Daarna werd het een groot feest.
De volgende avond was ik met de groep om 22.00 uur op dezelfde plek. Grapje: ik zei dat ik de Nachtzwaluwen om 22.15 uur besteld had. En ja hoor, om precies 22.15 uur hoorden we de eerste roepen en daarna werd het wéér een groot feest.
Voorwaarde voor de deelnemers: gebruik maken van een zaklamp is ten strengste verboden. Alléén de gids mag dat. En dat is geweldig: je ziet ze tegen de nachthemel vliegen en spot ze met de combatlamp. De vogels trekken zich er niets van aan.
Na het evenement moet je natuurlijk wel in het stikkedonker de weg terug weten te vinden naar de parkeerplaats. Dat kan ik gelukkig met mijn ogen dicht en dat gaat toch een kilometer of twee dwars door het bos.

 

♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 11

 

Van Ben

 

Goede vrienden en vriendinnen,

We hebben, ik geloof de vijfde persconferentie van Mark weer gehad. Er werd weer meer ruimte gegeven, naast de adviezen, de verboden en de geboden. Gaat er nog eens een dag komen dat die geboden allemaal op twee stenen tafelen worden gekapt en dan vanaf de Haagse Vijverberg door Mozes Rutte ons worden opgelegd?

Jammer, voor de koren was er geen cent positief nieuws. Integendeel, in de NRC stond vorige week een bericht, waarin gemeld werd dat binnen een koor dat wat langer is blijven repeteren (nog zonder de 1,5m afstand) een stevige Covid-19-uitbraak heeft plaatsgevonden.

De overkoepelende organen als KBZON en Koornetwerk raden het de koren nog steeds af gezamenlijk te gaan zingen. De te gebruiken 1,5m blijkt onvoldoende veiligheid te geven voor de eventuele druppels en aerosolen die we tijdens het zingen produceren en in ons enthousiasme rondspetteren.

Buiten zou dat minder gevaar opleveren. Is het de moeite waard om met een beperkt aantal leden op de fiets te stappen en op een van tevoren uitgezochte plek samen, met inachtneming van de 1,5m-regel, te repeteren? Kunnen we dat per stem doen? Of misschien juist een groepje met een paar leden van alle stemmen? Met drie groepjes van een man of 8 à 9 hebben we dan het hele koor!

Laat ons ook eens weten hoe jullie daarover denken. Of kom met misschien nog betere oplossingen. Dat levert dan ook weer nieuwe stof op  voor ons wekelijks contact. We krijgen langzamerhand het gevoel dat het enthousiasme, zoals dat er voor de eerste uitgaven van KOORonaNIEUWS was, aan het afnemen is! Ook daar willen we graag jullie reactie op hebben. Fred doet met veel inzet en moeite alles om er iets moois van te maken, maar als blijkt dat er geen animo meer bestaat om het te lezen, of om ook een steentje bij te dragen aan de inhoud, vinden we het moeilijk dit nog weken vol te houden. We nemen ons petje af voor diegenen die elke week trouw hun artikel leveren.

In de onlangs uitgekomen brief voor de Vrienden van Fortissimo is gewag gemaakt van ons blad op de website. Ik heb daar al enthousiaste reacties van gehad.

Beste leden, samenvattend vraag ik jullie aandacht dus voor drie punten:

  1. Zou je meedoen met een alternatieve, op een beperkt aantal leden gestoelde, repetitiebijeenkomst ergens buiten? Of heb je een ander voorstel?
  2. Ben je tevreden met dit wekelijkse contactblad?
  3. Zou je daaraan ook een bijdrage willen leveren?

Stuur je antwoorden tijdig naar Fred, dan kunnen we die misschien volgende week al publiceren.

Laat het ons alsjeblieft horen.

Ben

 

Van Fred

 

Ooit torenden de Nolse duinen trots uit boven het Kalmthouts Kempenland. Tot voor enkele jaren zetten aangeplante naaldbomen de unieke stuifduinen letterlijk en figuurlijk in de schaduw.

Dat was jammer, temeer omdat de Nolse Duinen nooit ten prooi zijn gevallen aan de zandhonger en dat het oeroude reliëf er nog is.

Het gebied was altijd privébezit. De voorlaatste eigenaar was de familie Carlier. Nu is het in bezit van Natuurpunt, de Belgische evenknie van Natuurmonumenten. Dankzij Helvex, het Europees LIFE-project, kan Natuurpunt grote herstelwerken uitvoeren. Zo krijgen zeldzame plant- en diersoorten nieuwe kansen. Bijvoorbeeld de Gladde slang.

Op antieke postkaarten uit het begin van de vorige eeuw is te zien hoe de Nolse landduinen het landschap domineren. Rond die tijd is Kalmthout een blanke zandbak met hier en daar een boom en plukjes struikhei. Tussen 1910 en 1930 werden de duinen door de toenmalige privé-eigenaren beplant met opbrengsthout: grove den en Amerikaanse vogelkers. Die plantactie bepaalde het uitzicht gedurende een reeks van jaren.

Het landschap ‘terug’ omvormen heeft letterlijk heel wat voeten in de aarde. Het gaat gepaard met kapwerken, verwijderen van de humuslaag en bestrijding van exotische soorten zoals de Amerikaanse vogelkers. De oude grillige bomen, de veteraanbomen en de oude knot- en stoofeiken zijn bewaard gebleven, want die parels mochten in geen geval verdwijnen. Al die oude bomen zijn tevoren in kaart gebracht.

Na het kappen en plaggen is een meer open duinlandschap ontstaan met aan de randen een beboste heide. Doordat de oude veteraanbomen meer licht en lucht krijgen zijn ze prominenter in het landschap aanwezig zijn. En door het kappen en plaggen is de bijzondere duinstructuur ook beter tot z’n recht gekomen. Een kudde schapen houdt het gebied open.
Als je nu vanuit het noorden komt, zie je links plotseling een open landschap. Het ziet er nog niet mooi uit. Er staan staketsels van dode dennen. Voor de leek is dat een ravage om te zien. Voor mij ook wel, maar ook hier geniet de biodiversiteit voorrang boven het er mooi uit zien. Dat staande en liggende dood hout heeft een belangrijke functie in de natuur. Het hout zit vol met allerlei insecten en, naarmate de tijd vordert veroveren paddenstoelen het hout.

In het open landschap zijn nu al broedparen van de Nachtzwaluw geteld. Achter de duinen ligt het veen- en vennengebied van de Nol. Héél bijzonder, hoge duinen en lage natte gebieden liggen in elkaars nabijheid. De overgang van nat naar droog krijgt veel aandacht. Het duin verstuift nu al volop. Hier en daar is al een pakket zand van 30 centimeter opgestoven. Voordat het zover was heeft men de stuifzandcellen in het gebied opnieuw in kaart gebracht.

Hier en daar, onderaan het duin, staat al Klokjesgentiaan en Beenbreek. Op de foto de Beenbreek, een leliesoort.

Op een bijzonder plekje onderaan het duin staat Rode bosbes. Een zeer zeldzame plant in deze streken.

De natte heide in en rond het Stappersven en de Nol worden in ere hersteld.
Voordat het werk groots werd aangepakt heeft een beheerteam van Natuurpunt de laatste jaren in de meest kwetsbare gebieden wat kleinschalige werken uitgevoerd: maaien, plaggen, natuurlijk bosherstel, exotenbeheer.

Door nauwgezette monitoring hebben de vrijwilligers de schatten van het gebied beter leren kennen. Hier zijn echte zeldzaamheden ontdekt: het Zandkroeskopje bijvoorbeeld, een nachtvlinder die nooit eerder in België gezien werd. Daarnaast is dit gebied ook één van de belangrijkste leefgebieden van de Gladde slang, een Europees beschermde soort die het erg slecht doet in Vlaanderen (en ook in Nederland).
Door de herstelwerken ontstaat een corridor van verbonden natuur. Op die manier wordt het leefgebied van de (niet-giftige en ongevaarlijke) slang robuuster en krijgt de kwetsbare populatie betere overlevingskansen.

Met haar lengte tussen 60 en 80 centimeter is de Gladde slang best indrukwekkend. Maar hij is voor de mens niet gevaarlijk. De foto hierboven heb ik gemaakt toen ik op pad was met de “slangenmens” van Natuurpunt. De Gladde slang is bijtgraag, en daarmee agressiever dan de Adder. Toen onze slangenmens al een tijdje zo stond met de slang aan zijn vinger vroeg ik hem of hij de slang niet los moest maken. “Neen, dat kan niet want dan trek ik de tanden uit zijn bek. Dat overleeft hij niet, want dan kan hij zijn prooi niet meer pakken”.

Samen met anderen monitort hij de reptielen in het Grenspark. Hij weet waar ze zitten en vangt ze. Van iedere slang maakt hij foto’s, hij weegt ze en meet de lengte. De tekening op de rug van de slang is variabel en kan samensmelten tot een soort zigzagpatroon. Niet zo duidelijk als bij een adder, maar toch opvallend. De kop van de slang is belangrijk bij de identificatie. Het patroon van de schubben blijft namelijk altijd hetzelfde, net als de vingerafdruk van de mens.

Aan de hand van foto’s kan de monitorder vaststellen of hij de slang al eerder heeft gevangen en of die zich heeft verplaatst. Net ten zuiden van het Stappersven is een belangrijke vindplaats van de Gladde slang. Vóór de grote brand n 2011 zaten er meer dan 200 individuen. Na de brand waren het er niet meer dan 20.

KALMTHOUT – 26/05/2011 – FOTO: ROBERT VAN DEN BERGE – BRAND KALMTHOUTSEHEIDESoms lijkt het dat een brand niet veel schade veroorzaakt, omdat kort na de brand alles weer zo mooi groen is. Schijn bedriegt: dat groene is gras, pijpenstro, terwijl er heide zou moeten groeien. Een brand is bovendien altijd erg schadelijk voor amfibieën en reptielen en heel veel insecten.

De vrouwtjes van de Gladde slang kunnen wat groter worden dan de mannen. Er zijn uitschieters tot 90 centimeter, maar die zijn zeldzaam. Vrouwtjes hebben een wat fletsere kleur dan mannetjes.
De Gladde slang leeft in gebieden waar de vegetatie gevarieerd is en hier en daar een open structuur heeft zodat een zonnebad kan worden genomen. De Nol is nu uitermate geschikt voor de Gladde slang. Het nemen van een zonnebad wil niet zeggen dat de Gladde slang van hoge temperaturen houdt. Fel zonlicht wordt vermeden en de meeste activiteiten vinden plaats bij bewolkt en vochtig weer. Je kunt ze al zien zonnebaden als het pakweg 18 graden is. De lichaamstemperatuur is tussen de 29 en 33 graden.
Ze schuilen onder dood hout. Dus als je ergens een hoop dood hout ziet liggen in open terrein, dan is dit waarschijnlijk speciaal voor de gladde slang daar weggelegd.

Zodra een koppeltje elkaar gevonden heeft vindt de paring plaats. Het mannetje bijt het vrouwtje in de nek om zich te ankeren. Waar hebben we iets vergelijkbaars gezien? Bij de libellen! De gladde slang is levendbarend en heeft een draagtijd van ongeveer drie maanden. Het luistert allemaal heel nauw. Als het vrouwtje haar lichaamstemperatuur niet op peil kan houden ontwikkelen de jongen zich niet goed. Dan kan het voorkomen dat ze de jongen pas een jaar later baart. Die vertraagde ontwikkeling zien we vaker in de natuur. Reeën kunnen bij slechte omstandigheden het jong ook langer vasthouden.

Het vrouwtje eet niet tijdens de zwangerschap, terwijl een zwangerschap toch veel energie vraagt. De jongen komen vanaf eind juni tot in september en zijn 12 tot 20 centimeter lang. Maximaal 15 exemplaren. Dat is nogal wat! Na 3 jaar zijn ze volwassen en ze kunnen ongeveer 15 jaar worden.

De Gladde slang eet kleine gewervelde dieren.: hagedissen, knaagdieren én slangen. Ze zijn dus kannibalistisch. Er is beschreven dat een mannetje dat paarde, het vrouwtje tijdens de daad begon op te eten. Waar heb ik dat meer gezien? Bij bidsprinkhanen, maar dan andersom. Het vrouwtje begint het mannetje op te eten tijdens de paring.

Gladde slangen vangen hun prooien voornamelijk op de bodem, maar de slang kruipt ook in struiken om vogelnesten leeg te roven en kruipt in de holen van knaagdieren om de jongen te eten.
De belangrijkste natuurlijke vijanden van de Gladde slang zijn roofvogels, kraaien, egels, vossen en marters.
Vanwege de verborgen levenswijze is een confrontatie met de slang soms totaal onverwacht, bijvoorbeeld als een steen wordt verplaatst. De slang kan dan geen kant meer op en zal agressief reageren door te bijten.

Over het algemeen is alles wat het leefgebied aantast of anderszins beïnvloed een mogelijk gevaar voor de Gladde slang. Net als bij veel andere reptielen zorgt het verkeer op de weg jaarlijks voor vele slachtoffers.

Andere bedreigingen die voornamelijk voor de Benelux gelden zijn verstoring in het natuurlijke leefgebied door bijvoorbeeld loslopende honden en mountainbikers. Verbossing en/of vergrassing is ook een bedreiging, maar daar begon ik het verhaal mee. Open terrein, dat heeft de Gladde slang nodig om te overleven.

♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣♣

KOORonaNIEUWS

Mannenkoor Fortissimo

Jaargang 1 Nummer 10

 

Van Ben

 Het Coronaconcert      ofwel    A tribute to COVID–19:

Concert Of Violance Into Disease

Het is eind februari: The Animals are Coming: vleermuizen met ellende. Je kunt dan ook bepaald niet zeggen Het Daghet in het Oosten. Maar kom op, het zijn in ieder geval geen Fransche Ratten!  Ademhalen en Nobody knows the Troubles we will see denken we dan nog. Maar dan komen Rutte en consorten. Ze roepen ons in ons Verband! Slag van Onrust! Het virus Blows the Man down! He’s got the whole world in zijn macht.

Je krijgt het gevoel de tuinman te zijn in De Tuinman en de Dood.
Er komen Avondklokken en het is één grote Rommelpot.

Komt Vrienden in de Ronde, Blijf mij nabij; nu, vergeet dat maar! Ook als Ick U vinde, met uw schoon mondkapke. Afstand houden blijft belangrijk! Zelfs Tussen de Os en de Ezel zit 1,50 meter!

Is er dan helemaal geen Vertroostingslied? Desnoods, weliswaar met de bekende 1,50 meter? Ja, met Drie meneren in het Woud! Want dat is het maximum aantal mannen waarmee men mag zingen!

Wanneer kunnen we zeggen: “Het Offer is Volbracht”?

Wanneer is er sprake van Soon ah will be done?

Het gaat nog wel even duren! Dat betekent voor ons dus nog géén repetities! Er wordt wel gezocht naar alternatieven. We komen daar zo snel mogelijk mee.

En, Fortissimo, Merck toch hoe Sterck we blijven bestaan! Dan zingen we weer als Die Nachtegaal uit Echternach!

Blijf gezond

Ben

 

Van Fred

Het aantal insecten is sinds 1990 enorm gedaald. Dit wordt veroorzaakt door landbouwgif, met name neonicotinoïden en stikstofdepositie door verkeer, industrie, veehouderij en energiecentrales. In Nederland komen ongeveer 20.00 insectensoorten voor. Van de plantensoorten is 75% voor de voortplanting afhankelijk van insecten als bestuivers en 80% van de vogels is afhankelijk van insecten als voedsel. Geen wonder dat de vogelstand ook gedecimeerd is.

Deze keer wil ik iets schrijven over libellen, die ook nog enorm veel last hebben van verdroging. Want als er geen water is zijn er geen libellen.Libellen en juffers behoren tot een primitieve groep insecten, die een onvolledige gedaanteverwisseling hebben.

Dit betekent dat larven van libellen na elke vervelling steeds iets meer op imago’s (volwassen libellen) gaan lijken, zonder dat het ‘bouwplan’ drastisch verandert. Bij libellenlarven is bijvoorbeeld de vleugelaanleg al duidelijk zichtbaar. Dit is een verschil met bijvoorbeeld vlinders en kevers, die een volledige gedaanteverwisseling met popstadium hebben.

Libellen zijn merkwaardige dieren, iedereen kent ze wel: van die grote blauwgroene of bruine bijna potlooddikke insecten en de kleine blauwe of rode juffers. Er zijn forse grootteverschillen: in Nederland meet de kleinste juffer 2 centimeter en de grootste libel wel 8,5 centimeter.
Als je ze ziet vliegen hebben ze het grootste deel van hun leven al achter de rug.

Eitjes van libellen worden in of vlakbij water afgezet. Afhankelijk van de soort zetten libellevrouwtjes honderden tot duizenden eitjes af. Het eitje wordt vervolgens een prolarve en daarna een larve. Die zitten verscholen tussen de waterplanten.
Libellenlarven zijn jagers en eten waterdiertjes. De grotere soorten vallen ook vissen aan!
Libellenlarven vervellen negen tot zeventien keer om te kunnen groeien.
Er zijn soorten die wel tot 5 jaar in het larvestadium verkeren. Je kunt wel nagaan dat een ven dat droogvalt funest is voor de ontwikkeling van een libel.
Een volgroeide larve heeft nog één vervelling voor de boeg: de vervelling van larve naar imago.

Een achtergelaten “huid” op de foto hierboven.
Soms wordt dit ‘verpoppen’ genoemd, maar dit is een onjuiste term, aangezien libellen geen popstadium kennen. Een betere en meer gebruikte term is “uitsluipen”. Hij pompt na het uitsluipen zijn vleugels en achterlijf op en blijft minstens een uur zitten om uit te harden. Kleur heeft hij nog nauwelijks, dat komt later.
Een gevaarlijke periode voor de libel. Hij wordt gegeten door vogels of spinnen. Als hij overleeft, dan heeft hij twee tot zes weken te gaan om zich voort te planten, want daar gaat het tenslotte om.
Een achtergelaten “huid” op de foto hierboven.

Boven de platbuik in volwassen stadium.

Maar voordat ze geslachtsrijp zijn moeten ze eerst eten. Libellen zijn  geduchte jagers, met flinke kaken.
Dit kan in de buurt zijn van het water, maar ook op beschutte en insectenrijke plaatsen verder van het water. Later meer hierover.
Mannetjes hebben vaak een territorium, ze vliegen erin rond en hebben meestal een vaste plek om te zonnen. Oh, ik vergat te vertellen dat het maken van foto’s van libellen een favoriete bezigheid van mij is. Om insecten te fotograferen is het handig om eerst een studie te maken van het gedrag. Om daarna op een mooie stek te observeren hoe, in dit geval, een libel zich gedraagt. Een poosje observeren en je zult zien dat de libel steeds neerstrijkt op dezelfde plek om te zonnen. Dan heb je geduld nodig, zodat ze het “normaal” vinden dat jij er ook bent. Jammer genoeg zit de libel vaak op een tak of rietstengel boven water. Je raadt het al, ik ga het water in om in de buurt van die plek te komen. Het komt regelmatig voor dat ik soppend in mijn schoenen terug naar huis ga.

De paring is een ingewikkeld serie handelingen. Het mannetje moet eerst zijn sperma-pakketje overbrengen van zijn achterlijfspunt, naar een orgaantje onder het voorste deel van zijn achterlijf. Want enkel vanuit dat orgaantje kan hij het vrouwtje bevruchten. Het mannetje pakt het vrouwtje in haar nek met de tang aan zijn achterlijf. Dit heet een tandem. Zo vliegen ze een tijdje rond. Het mannetje brengt zijn sperma-pakketje van achter naar voren, waarna het vrouwtje haar achterlijf naar voren beweegt en haakt aan het bevruchtingsorgaan van het mannetje. Nu zien we het zogenaamde paringsrad en vindt de uitwisseling van sperma plaats.
Vervolgens krijgen we de ei-afzetting. Soms terug in de tandem, soms niet en dan vliegt het mannetje boven het vrouwtje.

Je hoeft niet ver weg: foto’s van juffer uit eigen tuin. Zelfs de vrij zeldzame bosbeekjuffer heb ik in onze tuin gefotografeerd.